Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3268

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
22-001218-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2575, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk alsmede aan verduistering.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Tevens veroordeelt het hof de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Daarnaast veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001218-14

Parketnummer: 09-766003-14

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 13 maart 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1961,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 4 maart 2015 en 7 oktober 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair eerste cumulatief/alternatief en primair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is ter zake van het primair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde de bijkomende straf van ontzetting uit het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 2 jaren uitgesproken.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2006 tot en met 4 februari 2010 te Rijswijk, althans in Nederland, als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon ([B.V.]) welke bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage op 3 oktober 2007 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van [B.V.] opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) en/of een of meerdere goed(eren) aan de boedel onttrokken (telkens) op een tijdstip waarop hij wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen en/of

op een tijdstip waarop hij en/of zijn mededader wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen een van de schuldeisers (op enige wijze) heeft bevoordeeld

en/of

niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers in dat artikel bedoeld

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2006 t/m 3 oktober 2007 te Rijswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B.V.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), en welke goederen verdachte en/of zijn medeverdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als (feitelijk) bestuurder van [B.V.] onder zich had, en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn medeverdachte anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

immers heeft hij een of meermalen een geldbedrag van de bankrekening van [B.V.] gebruikt voor prive-doeleinden en/of voor doeleinden die niet gerelateerd waren aan [B.V.]
althans
meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de opbrengst van het door [medeverdachte] gepleegde misdrijf zoals omschreven in artikel 321 Sr en/of artikel 343 Sr, in elk geval door misdrijf verkregen,

immers heeft hij, verdachte, geld ontvangen (op de bankrekening van zijn bedrijf) en/of zijn reis/reizen laten betalen door [B.V.] en/of (zijn) advocaat en/of zakenrelatie(s) laten betalen door [B.V.]

zulks terwijl hij, verdachte (telkens) wist en/of redelijkerwijze had moeten vermoeden dat dat/die goed(eren) en/of dienst(en) was/waren bekostigd/betaald met dat door misdrijf verkregen geld;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2006 tot en met 4 februari 2010 te Rijswijk, althans in Nederland, als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon ([B.V.])

welke bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage op 3 oktober 2007 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers in dat artikel bedoeld, terwijl dit aan hem, verdachte, te wijten is.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde en primair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met als bijkomende straf ontzetting uit de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

primair:


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2006 tot en met 4 februari 2010

3 oktober 2007 te Rijswijk, althans in Nederland, als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon ([B.V.]) welke bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage op 3 oktober 2007 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van [B.V.] opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) en/of een of meerdere goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken (telkens) op een tijdstip waarop hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen

en/of

op een tijdstip waarop hij en/of zijn mededader wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen een van de schuldeisers (op enige wijze) heeft bevoordeeld

en/of

niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers in dat artikel bedoeld

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2006 t/m 3 oktober 2007 te Rijswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B.V.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), en welke goederen geld verdachte en/of zijn medeverdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als (feitelijk) bestuurder van [B.V.] onder zich had(den), en welk(e) goed(eren) geld verdachte en/of zijn medeverdachte anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

immers heeft hij een of meermalen een geldbedrag van de bankrekening van [B.V.] gebruikt voor prive-doeleinden en/of voor doeleinden die niet gerelateerd waren aan [B.V.]

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen.

Bij de beoordeling of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard dient de vraag beantwoord te worden of de verdachte moet worden gezien als (feitelijk) bestuurder van [B.V.] (verder te noemen de B.V.).

Dat de verdachte geen formeel bestuurder was blijkt uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, die onder meer inhoudt dat [medeverdachte] (verder te noemen [medeverdachte]) vanaf 27 maart 2006 de enige aandeelhouder en de enige bestuurder van de B.V. was. Dat is zo gebleven tot het faillissement van de B.V. op 3 oktober 2007.

In het proces-verbaal van de Financiële Recherche Unit en in het standpunt van het Openbaar Ministerie wordt gewezen op een aantal omstandigheden die ervoor zouden pleiten dat de verdachte gezien moet worden als feitelijk bestuurder van de B.V.:

  1. [medeverdachte] heeft verklaard dat de B.V. een doorstart was van een bedrijf ([x]) van de verdachte dat failliet was gegaan. De B.V. was in feite van de verdachte, die het bedrijf wegens het faillissement van zijn vorige bedrijf niet op zijn naam kon hebben. De verdachte heeft na de tenaamstelling van de B.V. een bedrag van € 25.000,- gestort op de rekening van de B.V.

  2. Door of namens de B.V. zijn geldbedragen overgemaakt naar een bedrijf van de verdachte ([x]) zonder dat daar een economische tegenprestatie tegenover stond.

  3. Van de ondernemingsrekening is een bedrag van € 10.000,- betaald aan de advocaat van de verdachte.

  4. Door de verdachte werd op naam van de B.V. een of meer auto’s geleased.

  5. Er zijn contante geldbedragen van de rekening van de B.V. opgenomen ten behoeve van een zakelijke overeenkomst van de verdachte met een derde.

  6. [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte kantoorinrichting, computers en dossiers bij een ander incassobedrijf ([x]) heeft ondergebracht.

  7. Volgens [getuige] (verder te noemen [getuige]) is verklaard dat de verdachte een vriend was van [medeverdachte] en dat de verdachte regelmatig op het kantoor van de B.V. kwam.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

De verdachte heeft deze voorstelling van zaken over de start van de B.V. bestreden. Personeelsleden van het failliete bedrijf [x] van de verdachte wilden volgens de verdachte de zaak voortzetten en de verdachte wilde dat wel financieren. De zaak zou niet door de verdachte gerund worden maar door [medeverdachte] en voor diens rekening. Twee van de bedoelde personeelsleden zouden het bedrijf gaan leiden. De verdachte heeft privé een groot bedrag in het bedrijf geïnvesteerd, bij de politie noemt hij in dit verband een bedrag van € 185.000,-, ter terechtzitting bij het hof noemt hij een bedrag van € 150.000,-. Het meubilair en het deurwaarderssysteem (incassosysteem Spons) waren eigendom van de verdachte, de B.V. mocht daarvan gebruik maken. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat het deurwaarderssysteem dat hij aan [medeverdachte] in gebruik had gegeven, door iemand van [medeverdachte] naar een kleiner systeem zou worden omgebouwd. [medeverdachte] mocht kosteloos het systeem gebruiken, maar de verdachte zou van dat kleinere systeem de intellectuele eigendom hebben, waardoor er een win-win-situatie was. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij de betreffende spullen aan [medeverdachte] gegeven had en dat hij op die grond een vordering op [medeverdachte] had. Er was geen betalingsregeling vastgelegd. Dat de kantoorinrichting eigendom van de verdachte was, heeft [medeverdachte] overigens bevestigd. Volgens de verdachte was hij, de verdachte, slechts investeerder en adviseur van [B.V.] en hield hij zich niet bezig met de financiën van [B.V.]

Dat de verdachte ten aanzien van de gang van zaken binnen de B.V. slechts adviseur was, acht het hof onaannemelijk. Dat zou immers inhouden dat anderen dan de verdachte met het geld van de verdachte, een aanzienlijk bedrag, een bedrijf zouden gaan runnen zonder dat de verdachte daarover, en dus ook over zijn eigen geïnvesteerde geld, zeggenschap zou hebben. De formele eigenaar van het bedrijf had, zo wist de verdachte, geen kennis en ervaring met het runnen van een incassobedrijf en de twee beoogde leidinggevenden waren, aldus de verdachte, al na korte tijd uit het bedrijf verdwenen. Aan de stelling van de verdachte dat hij (naar het hof begrijpt: ook na het vertrek van de twee personeelsleden die de leiding zouden hebben) slechts adviseur was, dient dan ook geen geloof te worden gehecht.

Ter terechtzitting bij het hof heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat de verdachte verder niets met [B.V.] te maken had. Het hof kent aan deze verklaring geen betekenis toe nu niet duidelijk is wat de reden van wetenschap (anders dan afkomstig van de verdachte) van de getuige geweest is. [getuige 2] heeft immers verklaard dat hij (slechts) eenmaal bij een gesprek tussen [medeverdachte] en de verdachte aanwezig is geweest en dat hij nooit op het kantoor van [B.V.] is geweest.

De overboekingen (€ 18.000,- en € 5.500,- op 13-12-2006 resp. 17-11-2006) door de B.V. naar het bedrijf [x] van de verdachte zijn volgens [medeverdachte] gedaan op verzoek van de verdachte. Volgens de verdachte waren dat deelbetalingen op de vordering die hij op de B.V. had in verband met zijn investering in de B.V.

Omtrent het karakter van de investering (bruikleen, eigendomsoverdracht, etc.) en een eventuele regeling van vergoeding/terugbetaling van het volgens de verdachte geïnvesteerde geld of de geïnvesteerde goederen ligt niets vast. De mededelingen van de verdachte daarover zijn niet geheel duidelijk, maar geven het hof geen aanleiding te veronderstellen dat de B.V. verplicht was meteen of op afroep vergoedingen of terugbetalingen te doen. Het hof neemt aan dat de overboekingen naar [x] in opdracht van de verdachte hebben plaatsgevonden. Niet aannemelijk is immers dat het initiatief daartoe bij [medeverdachte] heeft gelegen nu niet gebleken is van een tevoren overeengekomen terugbetalings- of vergoedingsverplichting aan de verdachte voor diens investeringen en de B.V. zich dergelijke betalingen, onverplicht, niet kon veroorloven wegens gebrek aan voldoende inkomsten. Deze overboekingen hadden ook niets van doen met bedrijfsactiviteiten door of voor de B.V. Dat het ging om verplichte terugbetalingen of vergoedingen vanwege de investeringen blijkt, buiten de verklaring van de verdachte daarover, nergens uit. Dat het bij de genoemde betalingen ging om een dergelijke terugbetaling of vergoeding neemt het hof dan ook niet aan.

Dit geldt ook voor enkele van de door de B.V. ten behoeve van het bedrijf [x] van de verdachte gedane betalingen (Electrolux en boetes) en de betaling door de B.V. van een bedrag van € 10.000,- aan Schelstraete, de advocaat van de verdachte.

Een en ander duidt naar het oordeel van het hof op (mede)zeggenschap van de verdachte over de financiën van de B.V. Dat de administratief medewerkster [getuige] heeft verklaard dat betalingen slechts werden gedaan in opdracht van [medeverdachte], doet hieraan niet af. Dat een betaalopdracht aan [getuige] door [medeverdachte] werd gegeven laat onverlet de mogelijkheid dat de beslissing om de betaling te doen (mede) van de verdachte afkomstig was.

Hier komt bij dat de verdachte (handelende namens [B.V.2], een met [B.V.] gelieerde onderneming) op 11 september 2006 mede namens de verdachte een lease-overeenkomst heeft gesloten met Arval. Arval factureerde in november 2006 aan [B.V.] t.a.v. de verdachte.

Daarnaast is gebleken dat de verdachte met [medeverdachte] zakenreizen heeft gemaakt welke voor rekening van de B.V. zijn gekomen.

Tenslotte was de verdachte, die met [medeverdachte] bevriend was, regelmatig op het kantoor van de B.V. aanwezig.

De bovengenoemde omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, brengen het hof tot de conclusie dat de verdachte zoveel zeggenschap binnen de B.V. heeft gehad dat hij gezien moet worden als feitelijk bestuurder van de B.V. naast [medeverdachte] als (formeel) bestuurder.

De volgende te beantwoorden vraag is of er door de verdachte en [medeverdachte] gelden en goederen aan de boedel van de B.V. zijn onttrokken op een tijdstip dat hij of zij wist(en) dat het faillissement van de B.V. niet te voorkomen was.

Naar het oordeel van het hof kan uit het voorliggende dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting worden afgeleid dat geld en goederen aan de boedel van de B.V. zijn onttrokken. Zo zijn er van de rekeningen van de B.V. gelden betaald aan derden waartoe in het kader van de door de B.V. uitgeoefende bedrijfsactiviteiten geen verplichting bestond, dus zonder dat er sprake was van tegenprestaties die die betalingen rechtvaardigden. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de hiervoor aangeduide betalingen aan het bedrijf [x] en aan Schelstraete (de advocaat van de verdachte). Daarnaast zijn voor een groot bedrag contante creditkaartopnamen gedaan zonder dat gebleken is dat deze gelden werden aangewend voor uitgaven of betalingen ten behoeve van de normale bedrijfsvoering van de B.V. Grote bedragen zijn uitgegeven voor lease-auto’s, zonder dat gebleken is dat het gebruik van lease-auto’s in deze mate feitelijk nodig was in het kader van een normale bedrijfsvoering. Ten laste van de B.V. zijn door de verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk reizen gemaakt naar Cyprus en Istanbul voor het opzetten van projecten in zonnepanelen, hetgeen niets van doen had met de B.V. De B.V. had de beschikking over een tweetal (overigens niet betaalde en onder eigendomsvoorbehoud geleverde) kopieermachines, welke ten tijde van het faillissement niet meer aanwezig waren. Dit geldt ook voor andere inventarisonderdelen.

Blijkens de mededeling van [medeverdachte] waren er 3 maanden na de start van het bedrijf (hof: per 27 maart 2006) al enkele personeelsleden weggegaan en bleek al snel dat er niet genoeg werk was. De contracten met de werknemers werden daarom per oktober 2006 beëindigd.

Onder deze omstandigheden moet het voor [medeverdachte] en de verdachte duidelijk zijn geweest dat de B.V. de grote financiële onttrekkingen die een ander doel hadden dan de normale bedrijfsvoering door de B.V. niet opgebracht konden worden en ook niet terugverdiend zouden kunnen worden en dat deze op enig moment moesten leiden tot het faillissement van de B.V.

Blijkens mededeling van de faillissementscurator mr. Beerlage (brief 11 november 2009 p. 45, brief 4 februari 2010 p. 24, brief 16 augustus 2010 p. 35) was de administratie van de B.V. zeer incompleet. Dit betrof onder andere bankafschriften, personeelsadministratie en diverse boekhoudgegevens. Duidelijk is dat niet voldaan is aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 3:15i Burgerlijk Wetboek en artikel 343 ahf sub 4 Wetboek van Strafrecht.

Het bovenstaande brengt het hof tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard hetgeen onder het eerste cumulatief/alternatief ten laste is gelegd.

Uit het vorenstaande volgt tevens dat sprake is geweest van de onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking, nu gelden en goederen welke de verdachte en [medeverdachte] als bestuurders van de B.V. onder zich hadden, zijn aangewend voor privé-doeleinden en doeleinden die geen enkele relatie hadden met de bedrijfsvoering van de B.V. Ook dit onderdeel kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder primair eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van in het vooruitzicht van faillissement, terwijl het faillissement is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd.

Het onder primair tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan – kort gezegd - bedrieglijke bankbreuk alsmede aan verduistering. De verdachte heeft zich daarbij enkel laten leiden door eigen financieel gewin waardoor aan de rechten van derden (schuldeisers) tekort is gedaan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2015.

Hoewel het hof van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie op de bewezenverklaarde feiten is, zal het hof - alles overwegende en met name in aanmerking genomen het tijdsverloop sedert de bewezenverklaarde feiten - een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur opleggen. Nu de verdachte bij het plegen van de feiten zijn eigen geldelijk gewin heeft gesteld boven de belangen van derden, acht het hof daarnaast de oplegging van een geldboete van na te melden omvang passend en geboden. Uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht leidt het hof af dat de draagkracht van de verdachte niet aan de oplegging van deze geldboete in de weg staat.

Het hof acht het – gelet op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten - thans niet opportuun om de verdachte daarnaast de maatregel tot ontzetting uit de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 57, 63, 321, 322 en 344 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder primair eerste cumulatief/alternatief en primair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder primair eerste cumulatief/alternatief en primair tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. S.D. Riggelink.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 oktober 2015.

Mr. E. van Die is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.