Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3262

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
22-005871-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten via de Rotterdamse haven ongeveer 278 kilogram cocaïne in Nederland ingevoerd en strafbare voorbereidings-handelingen verricht voor het verdere vervoer van die cocaïne.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001340-15

Parketnummer: 10-750230-14

Datum uitspraak: 18 november 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1966,

[adres],

thans gedetineerd in de PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 november 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent het inbeslaggenomen voorwerp als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:


hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 278 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 278 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2014 tot en met 26 november 2014 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- met een op zijn, (mede)verdachtes, naam gestelde toegangspas die toegang gaf tot het terrein van de ECT Delta Terminal Maasvlakte en tot welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) niet gerechtigd was/waren, zich de toegang verschaft tot voornoemde Terminal, en/of

- ( vervolgens) in een auto (onbevoegd) het terrein van de Delta Terminal Maasvlakte opgereden, althans betreden, en/of

- afspraken gemaakt en/of informatie uitgewisseld met één of meer van zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of

- ( ongebruikt) zegellood en/of een helm en/of (werk)handschoenen en/of (een) veiligheidsvest(en) en/of een kniptang en/of klimtuig en/of een telescoopladder en/of (een) breekijzer(s) en/of (een) betonscha(a)r(en) en/of één of meer mobiele (organisatie)telefoons voorhanden gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 278 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van

die wet;

2:


hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 25 november 2014 tot en met 26 november 2014 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- met een op zijn (mede)verdachtes naam gestelde toegangspas die toegang gaf tot het terrein van de ECT Delta Terminal Maasvlakte en tot welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) niet gerechtigd was/waren, zich de toegang verschaft tot voornoemde Terminal, en/of

- (vervolgens) in een auto (onbevoegd) het terrein van de Delta Terminal Maasvlakte opgereden, althans betreden, en/of

- afspraken gemaakt en/of informatie uitgewisseld met één of meer van zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of

- ( ongebruikt) zegellood en/of een helm en/of (werk)handschoenen en/of (een) veiligheidsvest(en) en/of een kniptang en/of klimtuig en/of een telescoopladder en/of (een) breekijzer(s) en/of (een) betonscha(a)r(en) en/of één of meer mobiele (organisatie)telefoons voorhanden gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op gronden als vermeld in de overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, nu –kort gezegd- niet kan worden bewezen dat de verdachte enige handelingen heeft verricht ter zake van de invoer van de cocaïne en in relatie tot de tassen en de inhoud daarvan of dat hij enige voorbereidings- of uitvoerings-handelingen heeft verricht ten aanzien van het ten laste gelegde, dan wel dat hij enige wetenschap heeft gehad van de cocaïne die zich in die tassen uit de container bevond.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende komen vast te staan.

Op 26 november 2014 wordt de verdachte, samen met twee anderen, medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], in een wit busje aangehouden. In die bus liggen 8 sporttassen met daarin in totaal 280 pakketten, die 278 kilogram cocaïne bleken te bevatten. Eerder die ochtend zijn de inzittenden van het busje met z’n drieën in dat busje het ECT haventerrein opgereden, waarbij gebruik werd gemaakt van de toegangspas van [medeverdachte 1]. Door personeel van het haventerrein is gezien dat er sporttassen in het witte busje worden gegooid.

[medeverdachte 1] was in het bezit van een notitie met daarop de stackpositie van een container. Deze container bleek dozen te bevatten met noten en was via Chili en Panama naar Rotterdam vervoerd. Een drugshond heeft bij die container positief gereageerd op de aanwezigheid van cocaïne. In het midden van de container zag een douaneambtenaar een open ruimte waaruit lading verdwenen was. Die ruimte was groot genoeg om er 8 sporttassen in te plaatsen.

De container was afgesloten met een oranje loodzegel, eindigend op 55, terwijl naast de container een doorgeknipt geel zegel lag, alsook het sluitstuk van het zegel met nummer 55.

In het busje waarin verdachte zich bevond, werd een vergelijkbaar zegel, met het zelfde serienummer, maar eindigend op 56, aangetroffen.

In de woning van de verdachte zijn twee vergelijkbare zegels met dat serienummer, eindigend op 53 en 54, gevonden.

Bij [medeverdachte 2] en in het busje heeft de politie telefoons aangetroffen, waarin over en weer elkaars nummer stond voorgeprogrammeerd. In het busje zijn naast het loodzegel meerdere breekvoorwerpen aangetroffen. Het busje was een paar dagen daarvoor op naam van [medeverdachte 1] gezet.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat ze met zijn drieën waren, twee van hen werkten in de haven en de derde was de waakhond. Verdachte werkte tot kort voor zijn aanhouding in de haven. [medeverdachte 1] werkte ten tijde van de aanhouding in de haven. [medeverdachte 2] niet.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, dat de verdachte welbewust en in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten handelingen heeft verricht die waren gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de cocaïne in de ruime betekenis die artikel 1, vierde lid Opiumwet daar aan geeft.

Wat de stelling van de raadsvrouw betreft dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de inhoud van de tassen die zich in de container bevonden, overweegt het hof als volgt.

De drie verdachten zijn in de vroege ochtend, in het bezit van breekvoorwerpen en loodzegels, naar een afgesloten (deel van het) haventerrein gegaan waar zij niet werken en niets te zoeken hebben. Zij zijn hier onbevoegd aanwezig geweest. Eén van hen, medeverdachte [medeverdachte 1], was in het bezit van de stackpositie van een container, afkomstig uit een Zuid-Amerikaans land. Er is een container opengebroken, daar zijn sporttassen uitgehaald en in de auto gelegd, vervolgens is een nieuw loodzegel aangebracht.

Gelet op deze gang van zaken moeten de verdachten hebben geweten dat hetgeen zij daar deden illegaal was en te maken had met de invoer van cocaïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne in het bijzonder vanuit Zuid-Amerika via containers in de Rotterdamse haven Nederland wordt ingevoerd. Daar komt bij dat de verdachte verklaard heeft dat hij (tevoren) niet wist dat het om 300 kilo ging. Dat was hem niet verteld.

Deze verklaring duidt erop dat hij wel wist dat het om een partij cocaïne ging die zij zouden ophalen, maar dat hij dacht dat het daarbij om een kleinere hoeveelheid zou gaan. Voorts zijn de verdachten na betrapping op de vlucht geslagen en hebben zij er alles aan gedaan om uit handen van de politie te blijven.

Dit duidt er eveneens op dat zij zich volledig bewust moeten zijn geweest van de verboden lading die zij bij zich hadden.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte wist dat zich in de tassen uit die container cocaïne bevond.

Dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten heeft gehandeld, blijkt niet alleen uit het feit dat alle hiervoor genoemde handelingen in elkaars aanwezigheid en nabijheid (en dus ‘gezamenlijk’) hebben plaatsgevonden, maar ook uit het feit dat een ieder daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De bijdrage van de verdachte heeft in ieder geval

bestaan uit het leveren van een loodzegel dat (deels) op de opengebroken container is aangetroffen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde levert op:

1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

2: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten via de Rotterdamse haven ongeveer 278 kilogram cocaïne in Nederland ingevoerd en strafbare voorbereidings-handelingen verricht voor het verdere vervoer van die cocaïne. Het invoeren van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en werkt vermogens-delicten in de hand. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich en zijn maatschap-pelijk gezien onaanvaardbaar. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 oktober 2015.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de grote hoeveelheid cocaïne, in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf – zelfs van langere duur dan opgelegd door de rechtbank. Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de wijze waarop de verdachte zich tijdens zijn detentie ontwikkeld heeft en de reeds ingezette detentiefasering, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een Nokia GSM (G4775822), volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde is begaan en voorbereid. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een Nokia GSM (G4775822).

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,

mr. D.M. Thierry en mr. Th.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 november 2015.