Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3219

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
200.137.143/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsongeschiktheid; ordemaatregel art. 48 van de landsverordening materieel ambtenarenrecht; opzegging arbeidsovereenkomst; kennelijk redelijk ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1185
AR 2015/2297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.137.143/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 1214552 \ RL EXPL 12-28284

Arrest d.d. 24 november 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat mr. A.S. Oegema te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon het land curaÇao,

zetelend te Willemstad op Curaçao,

geïntimeerde, hierna aan te duiden als Curaçao,

advocaat mr. J.W. Loman te Den Haag.

1 Het geding

Bij exploot van 13 augustus 2013, gerectificeerd bij exploot van 21 november 2013, is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 mei 2013 dat de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag, hierna aan te duiden als de kantonrechter, tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen dat vonnis acht grieven aangevoerd die Curaçao bij memorie van antwoord heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

2 Vaststaande feiten

2.1

Tussen partijen staan in hoger beroep de navolgende feiten vast.

2.2

[appellant] , geboren op [datum] , is op [datum] in dienst getreden van het land de Nederlandse Antillen, rechtsvoorganger van het land Curaçao, als arbeidscontractant bij het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister te Den Haag (hierna: het Kabinet). Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 3.854,24 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Zijn functie was laatstelijk die van medewerker werving en selectie. In deze functie was hij belast met de werving en selectie van kandidaten voor plaatsing bij de Curaçaose overheid, stichtingen en instanties en met de uitzending en begeleiding van geselecteerde kandidaten. [appellant] en zijn in dezelfde functie werkzame collega [naam ] , behoorden tot de afdeling Ondersteunende Diensten. Direct leidinggevende was de heer [naam ] , hoofd van die afdeling en rapporterende aan de heer [naam ] , directeur van het Kabinet. [de directeur kabinet] was rechtstreeks verantwoording schuldig aan de Gevolmachtigd Minister, toentertijd de heer [naam ] .

2.3

Vanaf 1999 is [appellant] geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest. Op 27 december 2010 werd zijn arbeidsgeschiktheid door de bedrijfsarts vastgesteld op 80% of 32 uur per week met het advies tot wekelijkse evaluatie en zo nodig bijstelling van zijn werkzaamheden. Op 4 januari 2011 is een plan van aanpak opgesteld en ondertekend door [appellant] en [de directeur kabinet] , waarin als "evaluatiemomenten" werd aangegeven: "Wekelijks op vrijdagochtend om 11 uur bij afdelingshoofd en directeur".

2.4

Op 7 januari 2011 vond het eerste evaluatiegesprek plaats tussen [appellant] en [de directeur kabinet] . [de direct leidinggevende] was volgens het verslag van het gesprek wegens vakantie afwezig. Dat verslag is opgesteld door [de directeur kabinet] en op 9 januari 2011 per e-mail opgestuurd aan [appellant] en [de direct leidinggevende] met kopie aan [de gevolmachtigd minister] . [appellant] reageerde met een "memorandum" van 13 januari 2011 aan [de directeur kabinet] met kopie aan [de gevolmachtigd minister] en [de direct leidinggevende] . Hij geeft hierin een kritisch commentaar op het verslag en besluit met:

Het vorenstaande in overwegende nemende, zie ik vooralsnog geen aanleiding om verder overleg met u te voeren. Voor mij is de vertrouwelijke basis voor overleg niet meer aanwezig. De enige manier om terzake te overleggen is na een overleg met de GevMin. En de voortzetting hiervan met mijn directe leidinggevende, in casus HOD.

2.5

Op 19 januari 2011 is [appellant] door [de directeur kabinet] uitgenodigd voor een volgende evaluatie op 21 januari 2011. [appellant] is daar zonder afzegging niet verschenen, hoewel hij op die dag wel op kantoor was. Hierop door [de directeur kabinet] aangesproken, volstond hij met verwijzing naar zijn memorandum. Aan uitnodiging voor de volgende evaluatie op 28 januari 2011 voldeed hij evenmin, ditmaal echter met afzegging want op 27 januari 2011 om 7.53 uur deelde hij per e-mail aan [de direct leidinggevende] mee dat hij die dag en de volgende (28 januari 2011) vrij nam om privéredenen. Daarbij vermeldde hij dat hij "door de hectiek van zaken regelen" verzuimd had om "per mail de aangevraagde vrije dagen, zoals besproken in ons telefoongesprek van gisteren, aan u door te geven".

2.6

Op 6 juli 2011 heeft [appellant] om 16.16 uur per e-mail aan [de direct leidinggevende] meegedeeld dat hij op vrijdag 8 juli en op maandag 11 juli 2011 vrij zou nemen. Op 7 juli 2011 zond [de directeur kabinet] te 11.33 uur aan [de direct leidinggevende] een e-mailbericht met kopie aan [de gevolmachtigd minister] , [appellant] , [een collega] en aan mevrouw [...] (kennelijk de medewerkster die de verlofadministratie bijhield). In dat e-mailbericht schreef [de directeur kabinet] dat hij de dag daarvoor omstreeks 15.30 uur [de direct leidinggevende] , [appellant] en [een collega] had uitgenodigd voor een werkoverleg en dat daardoor een verlofdag op verzoek van [appellant] niet mogelijk was. Hij voegde daaraan toe dat eventuele afwezigheid van [appellant] op 8 juli 2011 zou worden aangemerkt als dienstweigering. Later op diezelfde dag hebben [de direct leidinggevende] en [appellant] elkaar nog gesproken. De e-mailberichten van [appellant] van 6 juli 2011 te 16.16 uur en van [de directeur kabinet] van 7 juli 2011 te 11.33 uur zijn daarin aan de orde geweest. [appellant] heeft gezegd dat hij de privéafspraak ten behoeve waarvan hij verlof op 8 juli 2011 wenste, niet kon afzeggen. [de direct leidinggevende] heeft hem naar [de directeur kabinet] verwezen. [appellant] heeft zich niet tot [de directeur kabinet] gewend. Op 8 juli 2011 is hij niet verschenen.

2.7

[de directeur kabinet] heeft op 8 juli 2011 een "rapport inzake plichtsverzuim [appellant] " opgesteld. Bij brief van 11 juli 2011 heeft de Gevolmachtigd Minister aan [appellant] meegedeeld:

Als ordemaatregel ingevolge artikel 48 van de landsverordening materieel ambtenarenrecht zeg (het hof leest: ontzeg) ik u middels deze toegang tot alle dienstlokaliteiten van het Kabinet en wordt u tevens uit voorzorg afgesloten van de mailserver van dit kabinet.

Bij brief van 2 december 2011 heeft de Gevolmachtigd Minister de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 mei 2012 onder aanbieding van een beëindigingsvergoeding van € 50.000,00. Deze vergoeding is in april 2012 uitbetaald.

3 Het kennelijk onredelijk ontslag (bespreking van de grieven I t/m VII)

grief I

3.1

Met grief I klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter onder de vaststaande feiten niet heeft opgenomen dat hij (kennelijk: in verband met zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid) vrij was om zelf een invulling te geven aan de tijdsindeling van zijn werkzaamheden. Curaçao bevestigt de juistheid van deze bewering voor zover het gaat om de vaststelling van de werktijden op een dag, maar betwist dat [appellant] uit hoofde van zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zonder overleg volle dagen mocht verzuimen.

3.2

Het hof meent dit verschil van mening in het midden te mogen laten. Als het standpunt van [appellant] juist zou zijn, neemt dit immers niet weg dat hij, behalve dat hij wegens de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid dagen mocht verzuimen, ook verlofrechten had. Dat betekent dat hij niet in het midden mocht laten in hoeverre hij verzuimde wegens arbeidsongeschiktheid dan wel ter realisering van zijn verlofrechten. Als hij volle dagen verzuimde om gezondheidsredenen en in verband met zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, diende hij dat, al dan niet door een formele ziekmelding, duidelijk te doen blijken. Bij gebreke daarvan moet hij geacht worden verlofdagen op te nemen. Dat geldt ook voor de vrije dagen op 27 januari 2011 en 8 juli 2011 ter zake waarvan [appellant] het verwijt gemaakt is dat hij ze niet tijdig en op de juiste wijze heeft aangevraagd. Grief I kan daarom geen effect hebben.

grief II

3.3

De kantonrechter heeft onder 2 van het bestreden vonnis sub k als tussen partijen vaststaand aangemerkt dat [de directeur kabinet] op 6 juli 2011 omstreeks 15.30 uur [de direct leidinggevende] , [appellant] en [een collega] heeft verzocht om op 8 juli 2011 aanwezig te zijn bij een werkoverleg met hem. [appellant] bestrijdt dat met zijn grief II.

3.4

Curaçao heeft in eerste aanleg inderdaad gesteld dat [de directeur kabinet] dat verzoek omstreeks 15.30 gedaan heeft. Het is door [appellant] echter niet erkend en in hoger beroep betwist hij uitdrukkelijk dat hij op 6 juli 2011 is uitgenodigd, althans dat dat is gebeurd voordat hij op die dag omstreeks 16.16 uur per e-mail aan [de direct leidinggevende] meedeelde op vrijdag 8 en maandag 11 juli 2011vrij te zullen nemen. Curaçao heeft geen bewijs overgelegd. Het heeft meegedeeld dat de uitnodiging mondeling is gedaan. Het komt echter wonderlijk onefficiënt voor dat [de directeur kabinet] om 15.30 uur de drie betrokkenen afzonderlijk mondeling zou hebben uitgenodigd in plaats van zoals meer voor de hand ligt te volstaan met het uitnodigen van [de direct leidinggevende] als hoofd van dienst met opdracht (of in het vertrouwen) dat deze zijn ondergeschikten [appellant] en [een collega] zou waarschuwen. Het is niet op voorhand ongeloofwaardig dat de uitnodiging [appellant] niet vóór 16.16 uur bereikt zou hebben.

3.5

De grief is daarom gegrond. Het hof is echter van oordeel dat dat voor de door de kantonrechter genomen beslissing niet van doorslaggevend belang.is. Wat Curaçao [appellant] naar het oordeel van de kantonrechter terecht verweet, was immers niet dat hij verlof op 8 juli 2011 had aangevraagd, nadat hij was uitgenodigd voor een op die dag te houden werkoverleg, maar dat hij in strijd met de regels voor verlofaanvragen had gehandeld. Hij had in plaats van verlof aan te vragen, volstaan met mee te delen dat hij verlof nam. Dat was lange tijd gebruikelijk en oogluikend toegestaan geweest, maar [de directeur kabinet] had bij e-mailbericht van 14 januari 2011 aan de medewerkers (onder wie [appellant] ) meegedeeld dat door dit gebruik de continuïteit van de dienstverlening ernstig in het geding kon komen en dat daarom teruggevallen moest worden op wat formeel geregeld was en dat voor het opnemen van verlof toestemming van de verantwoordelijke leidinggevende moest worden gevraagd. Niettemin had [appellant] [de direct leidinggevende] slechts geïnformeerd dat hij op 8 juli 2011 vrij zou nemen.

3.6

Dat zou met enige welwillendheid nog begrepen kunnen worden als een strikt genomen onjuiste, maar door de jaren heen ingeslepen formulering van een verlofaanvraag. Die uitleg zou echter onjuist zijn. In het feit immers dat op 8 juli 2011 een werkoverleg gepland was waarbij hij verwacht werd (onverschillig of dat feit [appellant] kort voor of kort na zijn aanvraag bekend was geworden) zag [appellant] geen aanleiding zijn aanvraag in te trekken of om zijn leidinggevende de vraag voor te leggen of dat werkoverleg aan de inwilliging van zijn verlofaanvraag in de weg moest staan. Hij sprak er wel met [de direct leidinggevende] over, maar stelde zich daarbij zonder meer op het standpunt dat hij had meegedeeld vrij te nemen, dat hij daar privé een goede reden voor had en dat hij dús niet bij het werkoverleg zou zijn. En hij was er ook inderdaad niet. Dat verweet [de directeur kabinet] hem terecht. Deze grief, hoezeer ook gegrond, kan daarom geen effect sorteren.

grief III

3.7

[appellant] heeft aan zijn vordering onder meer ten grondslag gelegd dat hij wegens een valse of voorgewende reden ontslagen is. Daarover heeft de kantonrechter onder 8 van het bestreden vonnis overwogen dat partijen het erover eens waren dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord was dat een verdere vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was. De opgegeven ontslagreden, te weten dat een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding ontstaan was dat de arbeidsverhouding op grond daarvan beëindigd moest worden, was dus naar het oordeel van de kantonrechter niet vals of voorgewend. Hiertegen richt zich grief III waarin [appellant] stelt dat hij een vruchtbare samenwerking helemaal niet uitsloot en van mening was dat herstel van de relatie wel degelijk mogelijk was, maar dat Curaçao zich daartoe geen enkele aantoonbare moeite getroost heeft.

3.8

Zoals de kantonrechter onder 7 van het bestreden vonnis, terecht en in hoger beroep ook niet bestreden, heeft overwogen, is van een valse reden sprake als de opzegging berust op een reden die niet bestaat en van een voorgewende reden als zij berust op een reden die wel bestaat, maar een andere is dan de werkelijke reden. Daarbij moet echter gedacht worden aan de feitelijke component van de ontslagreden: indien het ontslag gegeven wordt wegens een feit dat onjuist blijkt te zijn, is sprake van een valse ontslagreden. Uiteraard spelen bij het besluit van de werkgever om tot opzegging over te gaan ook de meningen en inschattingen van de werkgever omtrent dat redengevende feit en de ernst daarvan een rol. Als die meningen en inschattingen door de rechter niet gedeeld worden, kan dat voor de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag van belang zijn, maar het maakt de ontslagreden niet tot een valse.

3.9

In het onderhavige geval is als ontslagreden opgegeven dat de arbeidsverhouding was verstoord. Dat acht het hof onmiskenbaar juist. [appellant] heeft op 6 juli 2011 te kennen gegeven dat hij op 8 juli 2011 vrij zou nemen. [de directeur kabinet] heeft hem op 7 juli 2011 te kennen gegeven dat een verlofdag voor [appellant] op 8 juli 2011 niet mogelijk was en dat, indien hij toch afwezig zou zijn, dat als dienstweigering zou worden opgevat. Niettemin is [appellant] op 8 juli 2011 niet op zijn werk verschenen. Alleen dat conflict al, ongeacht alle daaraan mogelijk voorafgaande fricties, waarover dan ook en aan wie dan ook toe te schrijven, is voldoende om van een verstoring van de arbeidsverhouding te spreken. Er is dus geen sprake van een ontslag wegens een valse reden. De vraag of Curaçao terecht meende dat die verstoring dusdanig ernstig was dat de samenwerking zou moeten eindigen, behoeft daartoe niet aan de orde te komen. De grief faalt.

3.10

In het kader van deze grief heeft [appellant] er nog op gewezen dat het op 8 juli 2011 door [de directeur kabinet] opgestelde rapport handelt over "plichtsverzuim" van [appellant] wat niet verenigbaar zou zijn met de ontslaggrond "verstoorde arbeidsrelatie". Voor zover [appellant] bedoelt te stellen dat hierom sprake is van een voorgewende ontslagreden, verwerpt het hof die stelling. Het vermag niet in te zien waarom een arbeidsrelatie niet verstoord kan worden doordat de werknemer zich aan plichtsverzuim schuldig maakt of doordat de werkgever dat meent.

grief IV

3.11

Curaçao heeft [appellant] verweten dat hij ongeoorloofde werkzaamheden op het gebied van werving en selectie heeft verricht en is blijven verrichten ondanks het dringende verzoek in september 2010 deze werkzaamheden te beëindigen. [appellant] ontkent dat en de kantonrechter heeft de juistheid van dit verwijt weliswaar niet als bewezen aangemerkt, maar heeft wel overwogen dat het op de weg van [appellant] had gelegen om hierover reeds in 2010 volledige opheldering en duidelijkheid te verschaffen teneinde iedere schijn van betrokkenheid bij de (vermeende) nevenwerkzaamheden weg te nemen. De kantonrechter oordeelde dat het [appellant] aan te rekenen valt dat hij dat nagelaten heeft en dat het hem gemaakte verwijt in zoverre terecht is.

3.12

Hier komt [appellant] tegen op met zijn grief IV. Daarin betoogt hij dat de kantonrechter twee verschillende zaken ten onrechte tot één feitencomplex heeft samengevoegd. Waar het in 2010 om ging was dat [de directeur kabinet] op het internet gestuit was op een bedrijf [naam ] , dat door [appellant] geëxploiteerd leek te worden en dat zich toelegde op de werving en selectie van kandidaten voor betrekkingen op Curaçao. [appellant] had reeds jaren daarvoor, toen sprake was van de opheffing van het land de Nederlandse Antillen dat bedrijfje opgericht voor het geval hij door reorganisatie ontslagen zou worden. Die reorganisatie, die pas in 2010 werd doorgevoerd, had echter niet tot zijn ontslag geleid en het bedrijf [naam ] was nooit actief geworden. Door [de directeur kabinet] aangesproken, heeft [appellant] terstond volledige opheldering en duidelijkheid verschaft.

3.13

In 2011 was er echter iets geheel anders aan de hand. Toen had [de directeur kabinet] op het internet aanwijzingen gevonden dat [appellant] werkzaam was voor het op de markt voor werving en selectie actieve bedrijf [naam ] . Door [de directeur kabinet] hierop aangesproken heeft hij wederom terstond opheldering en duidelijkheid verschaft door mee te delen dat het hier niet om hem ging, maar om zijn zoon, die niet slechts dezelfde familienaam, maar ook exact dezelfde voornamen en huisadres had als zijn vader. Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] daarover ook bewijsstukken overgelegd, te weten een afschrift van 12 januari 2006 uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Utrecht ten name van [appellant] jr. en een brief van [naam ] van 16 mei 2011 waarin aan [appellant] jr. (inmiddels naar een ander adres verhuisd) werd meegedeeld dat zijn tijdelijke dienstverband met ingang van 1 juni 2011 zou worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3.14

Het hof acht de grief ongegrond. In de eerste plaats waren de twee zaken die de kantonrechter hier tot één feitencomplex samenvoegde helemaal niet zo ongelijksoortig als [appellant] ze voorstelt. De aanleidingen voor de bij Curaçao in 2010 en in 2011 gerezen verdenkingen waren wellicht zeer verschillend, maar [appellant] kon begrijpen dat het belang voor Curaçao in beide gevallen precies hetzelfde was: het wenste (uiteraard) niet dat zijn medewerker werving en selectie als nevenwerkzaamheid voor eigen rekening voor derden soortgelijke diensten verrichtte als hij in dienst van Curaçao zonder afzonderlijke betaling diende te verrichten. [appellant] had zich dus reeds in 2010 kunnen en moeten realiseren dat de werkzaamheid van zijn zoon in dezelfde branche makkelijk tot verwarring zou kunnen leiden en hij had die verwarring reeds moeten voorkomen in 2010 of, als zijn zoon zich pas later in die branche begaf, op dat latere tijdstip.

3.15

In de tweede plaats valt niet in te zien waarom [appellant] , toen hij [de directeur kabinet] meedeelde dat hij niet de bij [naam ] werkzame [appellant] was, niet terstond de bewijsstukken beschikbaar stelde die hij pas in oktober 2012 bij de inleidende dagvaarding voegde. Misschien zou dat [de directeur kabinet] niet volledig overtuigd hebben, maar het had hem in elk geval wel voor de noodzaak geplaatst de kwestie deugdelijker uit te zoeken en daarmee tot de conclusie te komen dat het verweer van [appellant] juist was (of dat het dat niet was). Het valt [appellant] aan te rekenen dat hij dat niet gedaan heeft. De grief faalt.

grief V

3.16

Curaçao heeft [appellant] verwijten gemaakt over de wijze waarop hij heeft gereageerd op het verslag van het gesprek van 7 januari 2011 en over zijn weigering aan volgende evaluatiegesprekken deel te nemen. Onder 11 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [appellant] reactie volkomen ongepast en de hem daarvan gemaakte verwijten terecht geoordeeld. Daar komt [appellant] tegen op met grief V.

3.17

Het hof verwerpt de grief. Het hof acht met de kantonrechter het memorandum overtrokken afkeurend en nogal agressief overkomend. [appellant] weigering om deel te nemen aan verdere evaluatiegesprekken (zoals afgesproken in het door hem geaccordeerde plan van aanpak van 4 januari 2011) was ongeoorloofd en onbegrijpelijk. De kantonrechter overwoog dat de bewoordingen van het gespreksverslag in het geheel geen aanleiding gaven tot [appellant] reactie en weigering. Wat [appellant] daar in de toelichting op deze grief tegen inbrengt, acht het hof niet overtuigend.

3.18

In de eerste plaats voert [appellant] aan dat het verslag, hoewel vertrouwelijk van aard, aan derden was toegestuurd wat alleen al de nodige irritatie oplevert. Volgens Curaçao (en [appellant] betwist dat niet) is het gespreksverslag behalve aan [appellant] zelf alleen toegestuurd aan [de direct leidinggevende] en in kopie aan [de gevolmachtigd minister] . Daarin ziet het hof geen enkele reden tot irritatie. [de direct leidinggevende] behoorde volgens het plan van aanpak tot de deelnemers aan het gesprek en dat hij in feite wegens vakantie aan dit gesprek niet had deelgenomen, maakt het alleen maar vanzelfsprekender dat hem het gespreksverslag werd toegestuurd. En dat [de gevolmachtigd minister] een exemplaar van het verslag kreeg is al evenzeer vanzelfsprekend omdat hij als Gevolmachtigd Minister eindverantwoordelijk was voor het functioneren van het Kabinet.

3.19

In de tweede plaats klaagt [appellant] erover dat het verslag bepaalde zaken (hij heldert niet op welke zaken) vermeldt die in het gesprek helemaal niet besproken zijn en dat de wijze waarop een kwantitatief overzicht gegeven wordt van de arbeidsongeschiktheidshistorie een onjuist beeld schept. Dat zijn punten van zakelijke en inhoudelijke (en mogelijk ook wel juiste) kritiek die [appellant] natuurlijk te berde mocht en zelfs moest brengen, maar dan ook op een zakelijke en inhoudelijke wijze. Dat gebeurt in het memorandum echter niet en, voor zover het hof het kan beoordelen, worden deze punten van kritiek zelfs helemaal niet te berde gebracht.

grief VI

3.20

Na de aan [appellant] gemaakte verwijten te hebben besproken, heeft de kantonrechter geconcludeerd dat de stelling van [appellant] , dat de verstoring van de arbeidsverhouding geheel of in overwegende mate aan Curaçao te wijten is, ongegrond is, maar ook dat [appellant] door zijn houding en gedrag zelf in belangrijke mate de oorzaak is van het ernstig verstoord raken van de arbeidsverhouding. [appellant] komt hiertegen op met zijn grief VI.

3.21

Hij motiveert deze grief uitsluitend met verwijzing naar de eerdere grieven die in het voorafgaande reeds besproken zijn. Onbesproken is slechts nog het in de toelichting op grief III aangevoerde argument dat Curaçao zich geen enkele aantoonbare moeite heeft getroost om tot herstel van de relatie te komen. Het hof is van oordeel dat die stelling, indien juist, geen relevantie heeft. Als Curaçao meende dat pogingen tot herstel van de relatie in elk geval in dat stadium niet meer zinvol waren, kon het dat, gelet op de verwijten die het [appellant] maakte en die blijkens het voorafgaande in hoge mate gegrond waren, in redelijkheid menen en is die mening niet kennelijk onredelijk.

3.22

Het hof onderschrijft daarom het oordeel van de kantonrechter. De grief faalt.

grief VII

3.23

Ten betoge van de kennelijke onredelijkheid van het hem gegeven ontslag heeft [appellant] zich ook beroepen op het gevolgencriterium zoals gegeven in artikel 7:681 lid 2 sub b BW zoals dat destijds luidde. De kantonrechter heeft onder 16 tot en met 24 geoordeeld dat toepassing van dat criterium niet leidt tot de conclusie dat het ontslag kennelijk onredelijk is. [appellant] bestrijdt dat oordeel met grief VII. Hij voert hierin aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] geen argumenten heeft aangevoerd voor zijn mening. Dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. De kantonrechter heeft niet geoordeeld dat [appellant] geen argumenten had aangevoerd, integendeel, hij heeft die argumenten onderkend en besproken. Slechts is hij, die argumenten wegende, tot een andere dan de door [appellant] bepleite conclusie gekomen.

3.24

De toelichting op de grief bestaat ten dele uit een herhaling van wat [appellant] in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd en wat door de kantonrechter genoegzaam besproken is. Daarnaast voert hij thans aan dat de kantonrechter onvoldoende gewicht heeft gehecht aan zijn arbeidsongeschiktheid omdat hij te kampen heeft met hartklachten die maken dat hij regelmatig volledig of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Hierbij ziet hij eraan voorbij dat het niet gaat om zijn medische toestand als zodanig, maar om de vraag of en zo ja, in welke mate hij dientengevolge arbeidsongeschikt is. Wat de kantonrechter hieromtrent heeft overwogen, komt erop neer dat [appellant] ten tijde van de ingangsdatum van het ontslag volledig arbeidsgeschikt was verklaard en dat, als [appellant] meent dat die volledige arbeidsgeschiktverklaring onjuist was, van hem daarvan een onderbouwing, bijvoorbeeld met een medische en/of arbeidsdeskundige verklaring, verwacht had mogen worden. Het hof acht dat oordeel juist. De enkele verzekering, al is er op zichzelf geen enkele reden de juistheid daarvan te betwijfelen, dat hij toch hartklachten heeft, is onvoldoende.

3.25

De kantonrechter heeft betekenis gehecht aan het zakelijke netwerk dat [appellant] in zijn functie bij het Kabinet heeft opgebouwd en dat hij kan benutten bij het vinden van ander werk op het terrein van werving en selectie, hetzij in loondienst, hetzij in zijn reeds opgerichte eigen onderneming. In de eerste plaats betoogt [appellant] dat hij zijn netwerk niet kan benutten voor het vinden van werk voor zijn eigen onderneming omdat hij bij het Kabinet werkzaam was als recruiter en het niet voor de hand ligt dat hij in dat netwerk werk zou kunnen vinden als recruiter. Het hof is echter van oordeel dat hij daarbij het (ongetwijfeld wel enigszins bestaande) verschil tussen zijn werkzaamheden in het verleden en de werkzaamheden die hij in de toekomst zou kunnen verrichten, te zwaar aanzet. Hij komt aldus ook geheel in strijd met wat hij in de inleidende dagvaarding onder 24 betoogt, namelijk dat zijn eigenhandig opgebouwde zakelijk netwerk onmisbaar is, wil hij in de toekomst in de uitzendbranche optimaal kunnen functioneren.

3.26

In verband met dat netwerk voert [appellant] in de tweede plaats aan dat dat netwerk door zijn lange periode van inactiviteit niet meer vitaal is. Op zichzelf is het hof het ermee eens dat een tijdens werkzaamheden opgebouwd zakelijk netwerk na beëindiging van die werkzaamheden begint te "verschalen". En het is ook waar dat op de ingangsdatum van het ontslag [appellant] reeds een relatief lange periode van inactiviteit achter zich had. Gedurende de opzegtermijn van bijna vijf maanden en zelfs nog bijna vijf maanden daaraan voorafgaande was hij immers geschorst geweest. De keerzijde daarvan is wel dat [appellant] al die tijd ook de volle gelegenheid heeft gehad zich op de toekomst voor te bereiden door werk te zoeken of door zijn eigen bedrijf op te starten. Daar was alle reden voor want reeds zeer kort na de schorsing, immers bij brief van 20 juli 2011, had de Gevolmachtigd Minister hem meegedeeld dat hij voldoende aanleiding zag de continuering van het dienstverband te heroverwegen, maar dat een beslissing terzake door het bevoegd gezag diende te worden genomen. Als [appellant] , zoals hij stelt, dit echter niet gedaan heeft omdat hij "het al die tijd nog mogelijk (achtte) om weder tewerk gesteld te worden", moet dat optimisme voor zijn eigen rekening komen.

3.27

Ten slotte voert [appellant] in verband met het gevolgencriterium nog aan dat hij in het vinden van ander werk belemmerd werd door de reputatieschade die hij geleden heeft als gevolg van de schorsing, waardoor het beeld ontstond dat hij iets gedaan had wat ongeoorloofd was. Daaraan kan het hof echter geen gevolgen verbinden. De schorsingsbrief vermeldt uitdrukkelijk als de reden tot schorsing "uw opzettelijk en zonder toestemming wegblijven kantoor afgelopen vrijdag 8 juli 2011". Zoals uit het hiervoor naar aanleiding van grief II overwogene volgt, was die reden echter geheel juist. Als zij tot reputatieschade leidde, had [appellant] dat slechts aan zichzelf te wijten.

3.28

Het hof verenigt zich ook overigens met de afweging door de kantonrechter van de door [appellant] aangevoerde omstandigheden en is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat, mede in aanmerking genomen de voor [appellant] getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Curaçao bij de opzegging. Grief VII faalt.

4 De loonvordering (bespreking van grief VIII)

4.1

Behalve een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag heeft [appellant] ook een bedrag van € 165.000,00 gevorderd als achterstallig loon, te weten de revaluatietoeslag waarop [appellant] stelde als arbeidscontractant bij het Kabinet aanspraak te hebben op grond van een op 15 november 1985 door de Raad van Ministers van de Nederlandse Antillen genomen besluit, maar die nooit is uitbetaald. Dit onderdeel van de vordering is door de kantonrechter afgewezen omdat niet is aangetoond dat [appellant] op grond van voornoemd besluit of enig nadien genomen besluit aanspraak op revaluatietoeslag heeft. Deze beslissing wordt door [appellant] bestreden met zijn grief VIII.

4.2

Het besluit van de Raad van Ministers was in eerste aanleg niet overgelegd en dat is ook in hoger beroep niet gebeurd. [appellant] beroept zich thans echter op een tweetal in hoger beroep overgelegde brieven van 29 oktober 1985 en 8 november 1985 van het Hoofd van het Centraal Bureau voor Personeelszaken aan de Minister van Algemene Zaken van de Nederlandse Antillen. Beide brieven maken melding van een (genomen of overwogen) beslissing tot herziening van de beloningsstructuur voor het personeel van het Kabinet. Beide brieven gaan over de implementatie van de gevolgen van deze beslissing, de zogeheten inpassing, en over de ingangsdata van de daadwerkelijke en de fictieve inpassing. Met inpassing wordt hier kennelijk gedoeld op de inpassing van de arbeidscontractanten in de categorieën (functies, rangen of andere categorieën) waarnaar de ambtenaren bezoldigd werden. Over de inhoud van de herziening gaan de brieven niet. De brief van 8 november 1985 houdt daarover ook niets in, de brief van 29 oktober 1985 vermeldt er ook niet veel, maar toch iets meer over want zij maakt melding van "een beslissing om de beloningsstruktuur van het Kabinet te herzien, in die zin, dat het personeel dat thans als plaatselijk aangenomen op arbeidscontract werkzaam is, evenals de ter beschikking gestelde ambtenaren ten Kabinette, gesalarieerd zal worden konform de hiertelande gehanteerde systemen en regels." Van een revaluatietoeslag wordt geen melding gemaakt en het ligt ook niet voor de hand dat die revaluatietoeslag in de herziening een rol speelt. Die revaluatietoeslag is immers een uitsluitend voor het personeel van het Kabinet relevant emolument en er kan dus bezwaarlijk in voorzien zijn in de "hiertelande" (dat is: op de Nederlandse Antillen) gehanteerde systemen en regels.

4.3

[appellant] beroept zich thans wederom op de ook in eerste aanleg reeds overgelegde brief van 5 september 1986 van de Algemene Rekenkamer Nederlandse Antillen aan de Minister van Financiën. Daarin wordt verwezen naar een brief van 30 augustus 1982 van het Hoofd van het Centraal Bureau voor Personeelszaken aan de Minister van Algemene Zaken, waarin onderscheid gemaakt wordt tussen:

  1. de ambtenaren, die uit de Antillen zijn gedetacheerd, onder genot van Antilliaans salaris en Antilliaanse secundaire arbeidsvoorwaarden;

  2. de in Nederland plaatselijk aangenomen krachten tegen Nederlands salaris en Nederlandse secundaire arbeidsvoorwaarden.

De brief van de Algemene Rekenkamer vermeldt vervolgens dat "door de Raad van Ministers op 15 november 1985 (is) besloten om de ambtenaren vermeld onder groep b.(het hof begrijpt dat daarmee wordt gedoeld op de arbeidscontractanten) te bezoldigen conform de Antilliaanse bezoldigingsregeling". Niets wijst er echter op dat de revaluatietoeslag in de Antilliaanse bezoldigingsregeling voorzien werd en aldus met het besluit van 15 november 1985 ook aan de arbeidscontractanten werd toegekend. De brief van de Algemene Rekenkamer vervolgt integendeel uitdrukkelijk: "Een revaluatietoeslag is hen echter niet toegekend." Ook deze brief kan dus geen steun bieden aan het standpunt van [appellant] .

4.4

Ten slotte beroept [appellant] zich nog op een brief van 5 januari 1988 van de Directeur van het Departement van financiën, maar die brief is niet in het geding gebracht zodat het hof er niet uit kan afleiden dat zij steun biedt aan [appellant] stellingen omtrent het besluit van 15 november 1985.

4.5

Vervolgens betoogt [appellant] dat, als een besluit tot toekenning van de revaluatietoeslag niet is genomen, zijn vordering niettemin toewijsbaar is omdat Curaçao als overheidsorganisatie gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Daaruit volgt dat een arbeidscontractant op dezelfde wijze verloond behoort te worden als een gedetacheerd ambtenaar omdat voor een onderscheid geen geobjectiveerde motivering kan worden gegeven. Het is immers niet te begrijpen dat valutaschommelingen bij de gedetacheerde ambtenaar wel worden gecompenseerd en bij de arbeidscontractant niet.

4.6

Dit betoog ziet eraan voorbij dat de bij het Kabinet gedetacheerde ambtenaren en de daar werkzame arbeidscontracten een totaal verschillende rechtspositie hebben. De ambtenaren zijn Antilliaanse ambtenaren, aangesteld om in Antilliaanse landsdienst werkzaam te zijn en daarvoor gerechtigd tot een Antilliaans salaris. De arbeidscontractanten zijn lokaal geworven en hebben een Nederlandse arbeidsovereenkomst gesloten om op het Kabinet in Den Haag werkzaam te zijn. Als hun bezoldiging in Antilliaanse munt is uitgedrukt en zij daardoor in hun levensonderhoud moeten voorzien in een ander land dan dat van de munteenheid waarin zij bezoldigd worden, vloeit dat voort uit de door hen gesloten overeenkomsten en komen de gevolgen van koerswisselingen voor hun rekening en risico. Als de op het Kabinet gedetacheerde ambtenaren in diezelfde positie zijn, vloeit dat niet voort uit hun aanstelling als ambtenaar, maar uit hun (in beginsel tijdelijke) detachering. Daarin is een objectief verschil van positie gelegen dat in redelijkheid aanleiding kan zijn voor het verschil in bezoldigingsregels. Het gelijkheidsbeginsel staat daaraan niet in de weg.

4.7

Grief VIII faalt.

5 Slotsom

Nu alle grieven falen, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd met verwijzing van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 15 mei 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van Curaçao gevallen, op € 4.961,00 voor griffierecht en € 3.263,00 voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.