Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3197

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
200.137.910/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Jeugdbescherming. Kinderen meegenomen naar buitenland in weerwil uitgesproken ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Internationale arrestatiebevelen in verband met artikel 279 Wetboek van Strafrecht. Verdenkingen voldoende grond voor zulke bevelen. Vordering tot overdracht van de vervolging aan Duitse autoriteiten reeds afgewezen omdat inmiddels geen spoedeisend belang meer bestaat nu appellanten inmiddels weer in Nederland wonen en de kinderen thuis wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.137.910/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/451367 KG ZA 13-1093

arrest van de familiekamer d.d. 3 november 2015

inzake

1. [de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ),

appellanten,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen

De publiekrechtelijke rechtspersoon STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

hierna te noemen: de Staat,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

.

Het geding

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis en de daarin vermelde stukken.

Appellanten zijn bij dagvaarding van 25 november 2013 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 23 oktober 2013 en 7 november 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, gewezen tussen appellanten als eisers en de Staat als gedaagde. Het hof neemt aan dat het beroep zich uitsluitend richt tegen het vonnis van 7 november 2013 aangezien het stuk gedateerd 23 oktober 2013 van de rechtbank slechts een brief betreft. Het hof verwijst naar art 332 Rv.

Ter rolzitting van 3 december 2013 hebben appellanten een memorie van grieven genomen en van eis geconcludeerd;

Ter rolzittingen van 28 januari 2014 heeft de Staat van antwoord geconcludeerd;

Ter rolzitting van 11 februari 2014 hebben appellanen een akte genomen;

Ter rolzitting van 11 maart 2014 heeft de Staat een antwoord akte genomen;

Ter rolzitting van 25 maart 2014 hebben appellanten pleidooi gevraagd welk pleidooi, na dagbepaling, niet is gehouden;

Ter rolzitting van 16 september 2014 hebben appelanten een nadere akte met overlegging nadere stukken inhoudende het verzoek tot verwijzing van de zaken naar het hof Den Bosch genomen;

Ter rolzitting van 30 september 2014 heeft de Staat voor antwoord in het incident geconcludeerd;

Bij arrest van 25 november 2014 is de vordering van appellante om de zaak te verwijzen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch afgewezen en is de zaak voor arrest verwezen naar de rol van 3 maart 2015;

Appellanten hebben ter rolzitting van 24 februari 2015 bij akte stukken overgelegd en verzocht spoedvoorzieningen te treffen;

Ter rolzitting van 17 maart 2015 heeft de Staat bij akte geconcludeerd tot afwijzing van de verzochte voorzieningen;

Partijen hebben ter rolzitting van 31 maart 2015 aanvullende aktes genomen, gefourneerd en arrest gevraagd in het incident;

Bij arrest van 16 juni 2015 is de vordering van appellanten tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen en is de zaak naar de rol van 30 juni 2015 verwezen voor uitlating partijen;

Ter rolzitting van 30 juni 2015 hebben partijen gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het geschil

De feiten

Voor de feiten verwijst het hof naar het in het vonnis van de voorzieningenrechter beschreven feitencomplex. Tegen de vaststelling van de feiten hebben appellanten in hoger beroep geen grieven gericht zodat deze in hoger beroep tot uitgangspunt worden genomen. In aanvulling op de door de voorzieningenrechter opgenomen feiten staat vast dat appellanten zich thans weer in vrijheid bevinden en de kinderen van appellanten sinds vrijdag 13 maart 2015 weer thuis zijn

De vorderingen van appellanten

Appellanten hebben in eerste aanleg gevorderd:

I de Staat te bevelen alle arrestatiebevelen jegens appellanten in te trekken en opdracht te geven aan de Duitse en Nederlandse autoriteiten de opsporingsmaatregelen te beëindigen;

II de Staat te verbieden medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van machtigingen tot uithuisplaatsing of andere kinderbeschermingsmaatregelen;

III de Staat te bevelen de uitschrijving van appellanten van het adres [naam] ongedaan te maken;

Alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

In hoger beroep vorderen appellanten de Staat te bevelen de Europese arrestatiebevelen van 28 september 2012 in te trekken althans op te schorten zolang er tussen partijen dienaangaande procedures aanhangig zijn en de Staat te bevelen, zo de officier overgaat tot vervolging, deze vervolging over te dragen aan de Duitse autoriteiten.

Alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Het verweer

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Staat stelt onder meer dat de arrestatiebevelen terecht zijn uitgevaardigd en gehandhaafd en dat, los van de vraag of er grond is voor een gerecht in Duitsland om de behandeling van de zaak van de Nederlandse rechter over te nemen, de Nederlandse strafrechter bevoegd is om kennis te nemen van de zaak.

Intrekking/opschorting Europese arrestatiebevelen

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot intrekking van de arrestatiebevelen en beëindiging van de opsporingsmaatregelen en maakt dit oordeel tot het zijne.

Appellanten hebben in verscheidene procedures getracht het strafrechtelijk onderzoek en de opsporingsactiviteiten te laten beëindigen. In al deze procedures is geoordeeld dat de tegen appellanten gerezen verdenkingen voldoende grond bieden voor strafrechtelijke opsporingsactiviteiten omdat appellanten worden verdacht van overtreding van artikel 279 Wetboek van Strafrecht. Appellanten hebben meermaals erkend dat zij hun kinderen op 28 september 2012 mee naar Duitsland hebben genomen, hetgeen in strijd was met de uitgesproken ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. In eerdere procedures is reeds geoordeeld dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat in redelijkheid niet te begrijpen valt waarom opsporingsactiviteiten jegens appellanten worden verricht. Voor zover appellanten betwisten dat de beslissingen tot het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen niet door bevoegde instanties zouden zijn genomen en dat aan de tenuitvoerlegging van die beslissingen gebreken zouden kleven zodat de strafrechtelijke vervolging van appellanten onrechtmatig zou zijn, heeft het volgende te gelden. De rechtsgeldigheid van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) maatregelen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is in rechte vast komen te staan. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich ertegen dat het hof thans de juistheid van deze rechterlijke beslissingen toetst.

Overdracht vervolging aan Duitsland

Voor wat betreft de vordering tot overdracht van de vervolging van appellanten van de Nederlandse aan de Duitse autoriteiten heeft te gelden dat appellanten thans geen spoedeisend belang (meer) hebben bij de overdracht van de vervolging. Verzoekers bevinden zich immers in vrijheid en de kinderen wonen weer thuis. Appellanten hebben ook geen nieuwe argumenten aangevoerd op grond waarvan de Nederlandse autoriteiten onbevoegd zouden zijn appellanten te vervolgen. In rechte is definitief vast komen te staan dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen en dat appellanten voor het onttrekken van de kinderen aan het opzicht van BJZ in Nederland kunnen worden vervolgd.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen en de vorderingen van appellanten afwijzen.

Proceskostenveroordeling

Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen van appellanten af.

veroordeelt appellanten in de kosten van dit geding tot op heden begroot op € 3.393 en als volgt gespecificeerd:

- griffiegeld € 711

- advocaatkosten € 2.682

verklaart dit arrest met betrekking tot de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees, en C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.