Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3101

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
BK-14/00844
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5713, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure kon volstaan met een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2761
V-N Vandaag 2015/2408
Belastingblad 2015/535
V-N 2016/6.17.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00844

Uitspraak van 3 november 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeende Leerdam, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2014, nummer ROT 13/8328, betreffende na te vermelden beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2012 (hierna: de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [Z] (hierna: de woning), voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op € 311.000 (hierna: de beschikking) en de met die beschikking verenigde aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Leerdam.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking gegrond verklaard en de waarde van de woning nader vastgesteld op € 224.000.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de vergoeding van de kosten in bezwaar betreft, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van € 591,75 en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 gelast.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 september 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

3.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure kon volstaan met een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe het volgende aan. De door de rechtbank gehanteerde wegingsfactor is te laag en dient te worden gesteld op 0,5. Dit volgt uit het beleid dat is ontwikkeld door de gerechten in feitelijke instantie naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012, 11/02035, ECLI:NL:HR:2012: BX0904, BNB 2012/256. Belanghebbende heeft voorts gewezen op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 mei 2013, BK-11/00363, ECLI:NL:GHARL:2013:CA0903.

3.3.

De Heffingsambtenaar beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend en voert daartoe aan dat het oordeel van de rechtbank niet onvoldoende gemotiveerd of onjuist is. Hij wijst op het zeer eenvoudige karakter van de zaak.

Conclusies van partijen

4.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure en tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure op basis van wegingsfactor 0,5. Belanghebbende heeft tevens verzocht om een proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsprocedure.

4.2.

De Heffingsambtenaar heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

5.1.

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld:

"1.1. In geschil is de proceskostenvergoeding. [Belanghebbende] verzoekt - naast 1 punt voor het bezwaar - ook een vergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting op 23 mei 2013.

1.2. [

De heffingsambtenaar] erkent dat uit de agenda is gebleken dat er op 23 mei 2013 een afspraak is geweest en dat het aannemelijk is dat de waarde van de woning is besproken naast een aantal andere objecten. [De heffingsambtenaar] verzoekt de rechtbank er rekening mee te houden dat het een zeer eenvoudige zaak betreft die ook onderdeel uitmaakte van meerdere zaken.

2. Nu aannemelijk is dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank [de heffingsambtenaar] alsnog in de kosten van de bezwaarprocedure veroordelen en stelt deze kosten vast op € 470,- (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 235,- en een wegingsfactor 1, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 235,- en een wegingsfactor van 1). Het beroep is gegrond.

3. De rechtbank veroordeelt [de heffingsambtenaar] tevens in de door [belanghebbende] in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, nu het geschil niet inhoudelijk van aard is maar zich slechts toespitst op de proceskostenvergoeding, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 121,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor van 0,25)."

Beoordeling van het hoger beroep

6.1.

In het hiervoor in 3.2 vermelde arrest heeft de Hoge Raad de gerechten in feitelijke instantie opgeroepen beleid te ontwikkelen voor uniforme toepassing van de te hanteren uurtarieven voor de vergoeding van de kosten van een taxatieverslag in procedures over waardebeschikkingen op grond van de Wet WOZ. Op basis van de inmiddels daartoe opgestelde richtlijn "kan indien in (hoger) beroep uitsluitend (nog) de proceskosten in geschil zijn, als wegingskosten voor het gewicht van de zaak 0,5 worden aangehouden" (Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2012, 26039; hierna: de Richtlijn).

6.2.

In zijn arrest van 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de toepassing van het Bpb en de daarbij behorende Bijlage de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt.

6.3.

Het woord "kan" in de Richtlijn duidt op een aan de beoordelende instantie toekomende discretionaire bevoegdheid bij de bepaling van het gewicht van een zaak. Mede gelet op voormeld arrest zal het Hof indien een beroep op de vorenbedoelde regel uit de Richtlijn wordt gedaan, het oordeel van de rechtbank dienaangaande onderwerpen aan een marginale toets.

6.4.

In het feit dat in beroep uitsluitend in geschil was of de Heffingsambtenaar een vergoeding voor het bijwonen van een hoorzitting had moeten toekennen, terwijl hij in de loop van de beroepsfase heeft toegegeven dat een hoorzitting had plaatsgevonden, heeft de rechtbank aanleiding gevonden het gewicht van de onderhavige zaak aan te merken als zeer licht en daarom de wegingsfactor te bepalen op 0,25. Gelet op het vorenoverwogene legt het Hof een marginale toets aan bij de beoordeling van het oordeel van de rechtbank, in welk oordeel kennelijk ligt besloten dat de toegekende proceskostenvergoeding in overeenstemming is met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de gemachtigde. Het Hof ziet geen aanleiding over de hoogte van de toegekende proceskosten anders te oordelen.

Slotsom

6.5.

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. W.M.G. Visser, P.J.J. Vonk, en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 3 november 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.