Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3065

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
200.176.950 / 01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Italië. Ontvankelijkheid, vertrouwensbeginsel. Uitstel op medische gronden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.176.950/01

Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/491946 / KG ZA 15-998

Arrest d.d. 10 november 2015

inzake

[naam] ,

thans verblijvende in de PI Haaglanden, locatie Scheveningen, Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ),

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. I.A. van Straalen te Den Haag,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Het geding

Bij spoedappeldagvaarding van 9 september 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 augustus 2015 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in kort geding tussen partijen heeft gewezen. [appellant] heeft acht grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grieven van [appellant] bij memorie van antwoord bestreden. Op 29 september 2015 hebben partijen hun zaak doen bepleiten aan de hand van pleitnotities, [appellant] door mr. Van Straalen en de Staat door mr. Bitter voornoemd. In afwachting van nader uit te voeren medisch onderzoek is de zaak aangehouden. Mr. Van Straalen heeft vervolgens bij brief van 23 oktober 2015 gereageerd op een rapport van de internist-intensivist J.M. van der Klooster (hierna: Van der Klooster) van 19 oktober 2015. Mr. Bitter heeft dat rapport bij brief van 26 oktober 2015 aan het hof toegezonden en zij heeft bij brief van 27 oktober 2015 met producties gereageerd op de brief van mr. Van Straalen van 23 oktober 2015. Tot slot is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Op 4 oktober 2010 heeft een Italiaanse officier van justitie een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd, strekkende tot aanhouding en overlevering van [appellant] aan Italië, zulks in verband met de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank te Bologna (Italië) van 11 mei 2010, waarbij [appellant] wegens handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar en 3 maanden en een boete van € 250.000,--. Op grond van het hierna (onder 1.3.) te vermelden vonnis van de rechtbank Amsterdam moet ervan worden uitgegaan dat dit Italiaanse vonnis nog niet onherroepelijk is en dat het EAB daarom aldus moet worden gelezen dat het strekt tot overlevering met het oog op vervolging van [appellant] .

1.2.

De officier van justitie te Amsterdam heeft op 15 oktober 2010 bij de rechtbank Amsterdam een vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW) ingediend, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van voormeld EAB. Bij uitspraak van 14 december 2010 heeft de Internationale Rechtshulpkamer (hierna: de IRK) van de rechtbank Amsterdam op deze vordering beslist. De IRK heeft de verzochte overlevering van [appellant] geweigerd omdat de officier van justitie in Italië niet de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde terugkeergarantie had gegeven. Deze terugkeergarantie was vereist omdat [appellant] (ook) de Nederlandse nationaliteit heeft.

1.3.

Op 21 januari 2015 heeft de officier van justitie te Amsterdam opnieuw bij de rechtbank Amsterdam een vordering ingediend ex artikel 23 OLW, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het EAB van 4 oktober 2010. Bij uitspraak van 17 maart 2015 heeft de IRK ditmaal de overlevering van [appellant] aan Italië toegestaan. De IRK oordeelde dat de inmiddels verstrekte terugkeergarantie voldoende was en overwoog voorts onder meer het volgende:

“(…)

Gelet op voornoemde omstandigheden is het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, nog niet onherroepelijk en wordt het EAB door de rechtbank gelezen als strekkende tot vervolging van de opgeëiste persoon, in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zeven naar het recht van Italië strafbare feiten.

(…)

8. Niet-ontvankelijkheidsverweer

Zoals uit het voorgaande reeds volgt, is de rechtbank (…) van oordeel dat de huidige situatie afwijkt van de situatie ten tijde van het eerder door de Italiaanse justitiële autoriteiten ingediende overleveringsverzoek dat door de rechtbank is afgewezen [gedoeld wordt op de situatie in oktober-december 2010, zie hierboven onder 1.2., hof]

(…)

Het niet-ontvankelijkheidsverweer (…) slaagt dan ook niet.

9. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. (…)”

1.4.

Op verzoek van [appellant] heeft dr. […], als medisch adviseur (RGA) verbonden aan Info Medical Medisch Adviesbureau (hierna: [medisch adviseur Info Medical Medisch Adviesbureau]), op 18 juni 2015 een medisch rapport uitgebracht over [appellant] . [medisch adviseur Info Medical Medisch Adviesbureau] rapporteert hierin onder meer als volgt:

“(…)

Na mijn bezoek aan de heer [appellant] werd door mij telefonisch contact opgenomen met longarts prof. Smeenk. Deze gaf aan dat de COPD thans weliswaar in een relatief stabiele fase verkeert doch dat plotselinge exacerbaties zeker niet kunnen worden uitgesloten, hetgeen in februari 2015 nog het geval is geweest (…) Hij gaf aan dat een eventueel transport per ambulance over grote afstand niet geheel zonder risico is, gezien het labiele evenwicht waarin cliënt verkeert.

Tevens werd door hem vermeld dat in zijn optiek de behandeling van de heer [appellant] dermate specialistisch is dat hij deze in detentie in Italië met een hoge mate van waarschijnlijkheid niet zal kunnen ontvangen. (…)

Op basis van het bovenstaande ben ik de mening toegedaan dat de heer [appellant] , conform de visie van een tweetal artsen in overheidsdienst, om medische redenen niet per vliegtuig kan worden vervoerd, aangezien dit zou kunnen leiden tot een oncontroleerbare hypoxemie (een te laag zuurstofgehalte in het bloed) met alle gevolgen van dien.

Daarnaast oordeel ik dat er evident risico’s verbonden zijn aan een transport per ambulance van cliënt van Nederland naar Italië. (…) Daarnaast acht ik medische risico’s verbonden aan een langdurig verblijf van cliënt in een Italiaanse gevangenis. Ofschoon ik als medicus niet bekend ben met de specifieke omstandigheden in Italiaanse gevangenissen, ga ik ervan uit dat de medische behandeling aldaar minder adequaat en toegesneden is op de specifieke situatie van cliënt dan het geval is in Nederland. De behandeling van de heer [appellant] is dermate specialistisch dat hij deze in detentie in Italië met een hoge mate van waarschijnlijkheid niet zal kunnen ontvangen. (…)”

1.5.

Bij e-mail van 29 juni 2015 heeft het openbaar ministerie bericht dat op grond van een advies van een onafhankelijk arts is besloten om de feitelijke overlevering van [appellant] in gang te zetten. Hierbij werd gedoeld op de e-mail van 29 juni 2015 van dr. [naam] , werkzaam als medisch adviseur bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (DJI) (hierna: [medisch adviseur bij dienst justitiele inrichtingen]), waarin onder meer het volgende staat:

“Ik ondersteun nogmaals de opmerking dat verplaatsing per vliegtuig niet de meest voor de hand liggende optie is, hoewel een COPD Gould 2/3 een relatieve contra indicatie is en geen absolute. Daar zou echt een onderzoek en advies van een longarts (…) aan ten grondslag moeten liggen. Dus als u overweegt om hem toch per vliegtuig terug te sturen, zou ik adviseren om hem (met de vraag of het medisch verantwoord is dat hij naar Italië vliegt) te laten onderzoeken door een longarts. Vervoer over de weg per ambulance is (…) goed mogelijk. (…) Op de opmerkingen die vervolgens gemaakt worden over een behandeling van dhr. zijn klachten in Italië wil ik het volgende kwijt. Het zou beter zijn geweest als dhr. [medisch adviseur Info Medical Medisch Adviesbureau] hier geen uitspraken over had gedaan (hij geeft zelf aan dat hij niet bekend is met de omstandigheden in Italiaanse gevangenissen) en neemt aan dat de zorg in Italië minder adequaat is dan in Nederland. Ik vraag me af waar dat op gebaseerd is.

Ik zit zelf in een netwerk waar ook Italiaanse artsen (die ook werkzaam zijn in Italiaanse gevangenissen) deel van uitmaken (…) en ik ben er van overtuigd dat de zorg, zeker voor de klachten die dhr. [appellant] heeft, niet zal onderdoen van een behandeling hier. (…)”

1.6.

Op verzoek van (de advocaat van) [appellant] heeft [medisch adviseur Info Medical Medisch Adviesbureau] bij brief van 2 juli 2015 gereageerd op de e-mail van [medisch adviseur bij dienst justitiele inrichtingen]. Hij handhaaft in die brief – kort samengevat – zijn eerdere conclusies.

1.7.

Op verzoek van de Staat en ten behoeve van onderhavig kort geding heeft de algemeen directeur van het Departement van de Penitentiaire Administratie (Algemene directie Gevangenen en behandeling) van het Italiaanse Ministerie van Justitie in een ongedateerde brief informatie verstrekt omtrent de organisatie van de gezondheidszorg voor gedetineerden in het Italiaanse penitentiaire systeem en de beschikbaarheid van deze zorg voor [appellant] in het bijzonder.

1.8.

In een brief van 19 oktober 2015 van J.M. van der Klooster aan de officier van justitie is onder meer opgenomen:

“(…) Met betrekking tot de bloedsomloop en functies van de inwendige organen en endocriene functies zijn er op dit moment geen contraindicaties voor een eventueel transport per vliegtuig naar Italië. Met betrekking tot de longfunctie heeft hij verminderde fysiologische reserves en een verminderde inspanningstolerantie. Op basis van de aard en ernst van de aanwezige longaandoening is op verzoek van het JCvSZ een fit-to-fly test verricht op 01-10-2015 op de afdeling longgeneeskunde van het Catharinaziekenhuis in Eindhoven, alwaar hij onder behandeling is.

Op basis van bovenstaande kan ik het volgende adviseren.

  • -

    Alle vormen van transport naar Italië zullen – in zijn algemeenheid – voor personen met dezelfde leeftijd, fysiologische reserves en inspanningstolerantie een fysieke en mentale belasting vormen met een altijd aanwezig risico op complicaties.

  • -

    In strikte zin zijn er geen contraindicaties voor vervoer per vliegtuig.

  • -

    Indien hij gaat vliegen dient minimaal rekening te worden gehouden met de volgende adviezen:

(…)”

2. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal bevelen

primair: om niet te voldoen aan het verzoek tot overlevering van de Italiaanse autoriteiten c.q. de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2015;

subsidiair: om niet te voldoen aan laatstgenoemde uitspraak totdat prejudiciële vragen zijn beantwoord omtrent het opnieuw behandelen van en beslissen op het EAB van 4 oktober 2010;

meer subsidiair: om niet te voldoen aan laatstgenoemde uitspraak totdat de Italiaanse autoriteiten uitdrukkelijk en gespecificeerd hebben gegarandeerd dat hem de medische zorg zal worden geboden die zijn medische conditie vereist,

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3. Na verweer van de Staat heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen.

4. [appellant] wil dat zijn vorderingen in appel alsnog worden toegewezen. Aan zijn vorderingen heeft hij toegevoegd dat het hof een voorziening zal treffen die het geraden acht. Grief I strekt ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Met grief II betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft nagelaten te concluderen dat de IRK in maart 2015 de vordering van de officier van justitie niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Volgens [appellant] blijkt uit artikel 17 Kaderbesluit en artikel 22 OLW dat de uitspraak op een EAB een definitieve beslissing inhoudt. Hieruit volgt, zo stelt [appellant] , dat bij de uitspraak van 14 december 2010 definitief negatief is beslist op het EAB van 4 oktober 2010 en dat het dus niet mogelijk was om in januari 2015 opnieuw te vorderen dat op hetzelfde EAB zou worden beslist. De IRK had de officier van justitie in maart 2015 daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat zij dit niet heeft gedaan levert een zodanige juridische misslag op dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad, aldus [appellant] , zodat de voorzieningenrechter had moeten oordelen dat de Staat geen rechtens te respecteren belang heeft bij uitvoering van de beslissing van de IRK. In elk geval had de voorzieningenrechter prejudiciële vragen moeten stellen.

Met grieven III tot en met VII betoogt [appellant] dat de voorgenomen feitelijke overlevering onrechtmatig is vanwege een dreigende (flagrante) schending van de artikelen 2, 3 en/of 6 EVRM. Volgens [appellant] wordt door overlevering zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden, nu sinds het eerste verzoek tot overlevering in de eerste helft van 2002 dertien jaren zijn verlopen. Dit tijdsverloop zou uitsluitend aan de Italiaanse autoriteiten zijn toe te rekenen aangezien zij tot januari 2015 hebben geweigerd een terugkeergarantie te verstrekken. Gelet op de leeftijd van [appellant] en zijn deplorabele gezondheidstoestand dreigt volgens [appellant] voorts een schending van de artikelen 2 en 3 EVRM, waarbij [appellant] wijst op de door [medisch adviseur Info Medical Medisch Adviesbureau] gesignaleerde reële en ernstige risico’s tijdens het vervoer en tijdens de detentie in Italië.

Volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter ten onrechte onder verwijzing naar de artikelen 11 en 29 OLW overwogen dat in dit geding geen plaats is voor een beoordeling van de vraag of een dergelijke schending dreigt, omdat de IRK deze beoordeling al heeft uitgevoerd en omdat [appellant] de gestelde dreigende schending tijdens het strafproces in Italië aan de orde kan stellen. [appellant] stelt dat weliswaar juist is dat verweren als de onderhavige op grond van de OLW gevoerd kunnen en in principe moeten worden bij de IRK, maar dat dit onverlet laat dat op Nederland als lidstaat de voortdurende verplichting rust om jegens de in Nederland verblijvende personen de naleving van de in het EVRM vervatte rechten te garanderen. De verplichting om erop toe te zien dat de verdragsbepalingen worden nageleefd, geldt ook indien de IRK een beroep op schending van het EVRM ten onrechte (impliciet) verwerpt, aldus [appellant] . Indien dit (impliciete) oordeel van de IRK berust op een evidente juridische misslag, heeft de Staat bovendien geen in redelijkheid te respecteren belang bij executie van de uitspraak. [appellant] wijst er voorts op dat de IRK zich niet kán uitlaten over de vraag of het feitelijk uitvoeren van de overlevering een onrechtmatige daad oplevert, zodat in zoverre geen sprake is van een verkapt hoger beroep. Volgens [appellant] volgt de noodzaak van een inhoudelijke behandeling tot slot ook uit het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie die EU-ingezetenen de rechten die in het EVRM zijn vervat, garandeert.

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Het hof overweegt als volgt.

ontvankelijkheid

6. De IRK heeft bij haar uitspraak van 17 maart 2015 reeds inhoudelijk beslist op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [appellant] . Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open (artikel 29 OLW) en het onderhavige geding kan niet dienen als een verkapt hoger beroep. Van een kennelijke juridische misslag is in elk geval geen sprake, nog los van de vraag of dit criterium in het onderhavige geding toepasbaar is.

7. Het voorgaande brengt tevens mee dat het hof geen aanleiding ziet tot het stellen van prejudiciële vragen.

8. Grief II faalt.

Onrechtmatige daad? Dreigende (flagrante) schending van artikelen 2, 3 en/of 6 EVRM? Inhoudelijke behandeling op zijn plaats?

9. Bij beoordeling van de overige grieven geldt als uitgangspunt dat indien overlevering ten behoeve van strafvervolging wordt verzocht in gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte staat is toegetreden tot mensenrechtenverdragen, het de rechter die over de toelaatbaarheid of rechtmatigheid van de overlevering moet oordelen, in het algemeen niet vrij staat te beslissen over de vraag of door dan wel in het kader van die strafvervolging enig in een verdrag gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon wordt geschonden of dreigt te worden geschonden. In dergelijke gevallen moet immers in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de desbetreffende verdragsbepalingen zal eerbiedigen (het zogenaamde vertrouwensbeginsel). In de considerans onder 10 van het door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (Kaderbesluit 2002/584/JBZ, Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 190 van 18 juli 2002, blz 1) wordt ten aanzien van de lidstaten van de EU zelfs uitgegaan van een “hoge mate van vertrouwen”.

10. Uitgangspunt is verder dat de beoordeling van de vraag of overlevering zal leiden tot een flagrante schending van de rechten die zijn neergelegd in het EVRM, op grond van artikel 11 OLW plaatsvindt door de IRK. Zoals reeds is overwogen staat tegen de uitspraak van de IRK geen rechtsmiddel open en kan dit geding niet dienen als een verkapt hoger beroep. Daaraan doet niet af dat [appellant] in het geding voor de IRK geen beroep heeft gedaan op schending van het EVRM, nu hij dat wel had kunnen doen. Hoewel te verkiezen was geweest dat de IRK aan het bepaalde in artikel 11 OLW een nadrukkelijke overweging had gewijd, moet uit de zinsnede in de uitspraak van 17 maart 2015 van de IRK “….en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan” worden afgeleid dat de IRK kennelijk geen (dreigende) schending van het EVRM heeft vastgesteld. Er is onder die omstandigheden ook geen grond voor de conclusie dat wel sprake is van een schending van diezelfde rechten die zijn neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

11. Op zich is juist dat er voor de Staat een constante verplichting bestaat de fundamentele mensenrechten te waarborgen. Er kunnen zich dus situaties voordoen waarin een voorgenomen feitelijke overlevering, ondanks toelaatbaarverklaring door de IRK, onrechtmatig is wegens dreigende flagrante schending van het EVRM of de rechten neergelegd in het Handvest. Nu door [appellant] echter geen feiten naar voren zijn gebracht die ten tijde van de behandeling door de IRK niet reeds bekend waren, kan niet worden aangenomen dat een dergelijke situatie zich thans voordoet.

12. Voor zover [appellant] in dit geding erover klaagt dat artikel 6 EVRM zal worden geschonden wegens het grote tijdsverloop dat zich in de strafzaak heeft voorgedaan, moet er, afgezien van het feit dat hij dit verweer ten overstaan van de IRK had kunnen en moeten voeren, vanuit worden gegaan dat hij tijdens de behandeling van zijn strafzaak in Italië daarvoor een effective remedy zal kunnen vinden. Het vertrouwensbeginsel en artikel 11 OLW verzetten zich er dus ieder afzonderlijk tegen dat in dit kort geding wordt aangenomen dat Italië niet zal voldoen aan de in artikel 6 EVRM neergelegde rechten.

13. Met betrekking tot de detentie-omstandigheden in Italië heeft hetzelfde te gelden. De algemene beschouwingen over de situatie in Italiaanse detentie zijn niet voldoende om dat uitgangspunt los te laten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in de brief van de algemeen directeur van het Departement van de Penitentiaire Administratie in algemene zin is aangegeven dat de vereiste medische voorzieningen aanwezig zijn. Omdat het tot de professionele autonomie behoort van de artsen die [appellant] in Italië zullen behandelen, om te beslissen hoe de behandeling aldaar vorm zal krijgen, kunnen geen meer concrete toezeggingen met betrekking tot die behandeling en de plaats waar die zal worden uitgevoerd, worden verwacht.

14. [appellant] heeft zijn stelling dat hij in Italië geen ziektekostenverzekering zal kunnen afsluiten niet onderbouwd. Zijn enkele stelling dat hij om die reden eventuele verzoeken om invrijheidstelling achterwege zal moeten laten zal dan ook worden gepasseerd, nog daargelaten dat uit die stelling niet een schending van fundamentele rechten is af te leiden die niet ook reeds aan de IRK had kunnen worden voorgelegd.

15. Het vertrouwensbeginsel laat onverlet dat de Staat ook thans moet waarborgen dat de feitelijke overlevering van [appellant] niet in strijd komt met het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het hof vat de vorderingen van [appellant] in dit verband aldus op dat deze niet alleen (primair) strekken tot een algeheel verbod op overlevering, maar tevens (subsidiair) tot een bevel tot uitstel. In dat verband is van belang dat de feitelijke overlevering van een opgeëiste persoon op grond van het bepaalde in artikel 35, derde lid, OLW achterwege moet blijven zolang ernstige humanitaire redenen aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen. Niet valt in te zien waarom dit artikel in strijd met de artikelen 2 en/of 3 van het EVRM zou zijn, aangezien aannemelijk is dat, wanneer zich een situatie voordoet (en blijft voordoen) waarbij overlevering wegens gezondheidsredenen in strijd met artikel 2 en/of 3 EVRM zou zijn, het bepaalde in artikel 35, derde lid, OLW opgeld doet en blijft doen.

16. De beoordeling van de vraag of een opgeëiste persoon op humanitaire gronden ongeschikt is om te worden overgeleverd is, zo moet uit artikel 35, derde lid OLW worden afgeleid, exclusief voorbehouden aan de officier van justitie. Beoordeeld moet dus worden of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen komen tot de conclusie dat in het geval van [appellant] geen sprake is van ernstige humanitaire redenen die (voorlopig, hetgeen ook een langere tijd kan zijn) aan zijn feitelijke overlevering in de weg staan. Hierbij geldt dat aan de officier van justitie een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt, hetgeen meebrengt dat zijn oordeel in kort geding slechts marginaal kan worden getoetst. Het hof voegt daaraan toe dat een volle toets aan de artikelen 2 en 3 EVRM in dit geval niet tot een ander oordeel leidt.

17. Uit de brief van mr. Bitter van 27 oktober 2015 volgt dat de Staat zich op het standpunt stelt dat [appellant] per vliegtuig naar Italië kan worden vervoerd. De Staat baseert zich daarbij op het advies van Van der Klooster van 19 oktober 2015. Naar het oordeel van het Hof heeft de Staat in redelijkheid tot die conclusie kunnen komen. Van der Klooster concludeert immers, kennelijk mede op basis van een in het Catharinaziekenhuis uitgevoerd onderzoek, dat vervoer per vliegtuig mogelijk is, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De Staat heeft in de brief van mr. Bitter van 27 oktober 2015 aangegeven dat aan de door Van der Klooster gestelde voorwaarden zal worden voldaan, terwijl niet aannemelijk is (geworden) dat dit niet het geval zal zijn. Het hof passeert het betoog van [appellant] dat Van der Klooster niet afhankelijk is en, zo begrijpt het hof, zijn conclusie heeft afgestemd op het standpunt van de Staat. In het rapport van Van der Klooster zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden, terwijl er evenmin gronden zijn voor de conclusie dat Van der Klooster is afgeweken van de resultaten van het onderzoek in het Catharinaziekenhuis, waar [appellant] onder behandeling is. Het enkele feit dat Van der Klooster mede is verbonden aan het JCvSZ is niet voldoende om afbreuk te doen aan de door hem binnen de kaders van zijn professionele autonomie getrokken conclusies. Dat ter zitting door de Staat is toegezegd dat het onderzoek zou worden verricht door een arts, verbonden aan het UMC Groningen is niet juist. Afgesproken is dat in overleg tussen partijen zal worden bepaald door welke artsen een onderzoek zal worden verricht naar de mogelijkheden van vervoer van [appellant] naar Italië.

18. Het hof ziet dan ook geen aanleiding een nader onderzoek te gelasten. Nu het [appellant] heeft vrijgestaan zelf informatie in het Catharinaziekenhuis op te vragen ziet het hof evenmin aanleiding te bepalen dat de stukken waarop Van der Klooster zich heeft gebaseerd aan [appellant] ter beschikking moeten worden gesteld opdat hij daarop kan reageren. Van strijd met artikel 19 Rv is geen sprake omdat het hof zich baseert op het rapport van Van der Klooster, waarop [appellant] heeft kunnen reageren.

Slotsom

19. De conclusie luidt dat grieven II tot en met VII falen. Grieven I en VIII hebben geen zelfstandige betekenis.

20. Het bestreden vonnis zal dus worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in appel zal worden veroordeeld. Zoals gevorderd door de Staat zal het hof bepalen dat bij niet betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest. Conform de vordering van de Staat zal de proceskostenveroordeling voorts uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 711,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat, bij niet-betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het in appel meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, A. Dupain en S.A. Boele en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.