Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3055

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
03-11-2015
Zaaknummer
BK-14/00173
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt, gelet op het verhandelde ter zitting, in hoger beroep enkel nog verdeeld of belanghebbende terecht aanspraak maakt op de vrijstelling BPM bij de terugkeer van Duitsland naar Nederland, toegespitst tot het antwoord op de vraag of belanghebbende na zijn verblijf van 27 maart 2012 tot 22 april 2013 in Duitsland zijn woonplaats heeft overgebracht naar Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2373
V-N 2016/6.17.1
FutD 2015-2712
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00173

Uitspraak d.d. 30 oktober 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst kantoor Roosendaal, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 2014, nummer SGR 13/8938.

Bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Belanghebbende heeft bij brief, door de Inspecteur ontvangen op 2 mei 2013, een aanvraag “vergunning vrijstelling bpm bij verhuizing” ingediend. De Inspecteur heeft de aanvraag bij beschikking van 16 mei 2013 afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft bij brief, gedagtekend 20 juni 2013, een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 30 oktober 2013 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Door de griffier is een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 september 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal gemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is in dienstbetrekking bij [Y] , een wereldwijd opererende organisatie op het gebied van containervervoer met verscheidene vestigingen in Europa. Sedert 1 januari 2012 is belanghebbende directeur van [Y] (Benelux) B.V.. Van 1 maart 2012 tot 30 april 2013 is belanghebbende werkzaam als directeur van [Y] (Deutschland) GmbH in [A] .

3.2.

Belanghebbende heeft op 30 mei 2012 een Audi S5, bouwjaar 2009, aangeschaft bij [B] (Duitsland) voor € 33.320, inclusief € 5.320 aan Duitse omzetbelasting.

3.3.

In het aanvraagformulier voor de vrijstelling, als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) in verbinding met artikel 4 Uitvoeringsbesluit BPM, heeft belanghebbende vermeld dat hij op 27 maart 2012 uit Nederland naar Duitsland is vertrokken en op 22 april 2013 weer naar Nederland is verhuisd. Bij de aanvraag heeft belanghebbende onder meer kopieën van de volgende bescheiden toegevoegd:

  • -

    aanmeldings- en afmeldingsbevestigingen van het inwonerregister van [I] ( [A] );

  • -

    de aankoopfactuur van de personenauto;

  • -

    huurcontracten voor een tweetal woningen in [A] , dat belanghebbende in de periode 27 maart 2012 tot 22 april 2013 (volgtijdig) ter beschikking heeft gestaan, gesloten door [Y] (Deutschland) GmbH.

3.4.

Belanghebbende is gedurende zijn verblijf in Duitsland ingeschreven gebleven in de Gemeentelijke basisregistratie. Belanghebbende bezit in Nederland een woning, die, blijkens een tot de stukken behorende brief van gecertificeerd register makelaar en taxateur [D] van 2 maart 2012, tijdens het verblijf in Duitsland in de “stille verkoop” is gezet.

3.5.

Tot de stukken behoort een door belanghebbende ingevuld en getekend formulier inzake woonplaatsonderzoek BPM. Hierin is onder meer opgenomen dat gedurende zijn verblijf in het buitenland belanghebbende:

  • -

    kinderen heeft, die bij zijn ex-echtgenote in Nederland wonen;

  • -

    niet regelmatig terugkeert naar zijn gezin in Nederland;

  • -

    in Duitsland zelfstandig een eigen huishouding voert met zijn huidige echtgenote;

  • -

    in Duitsland inkomsten uit arbeid heeft genoten die “alleen in Nederland verloon[d] en belast” zijn;

  • -

    niet geregistreerd is geweest bij de Duitse belastingdienst;

  • -

    in Duitsland geen inkomstenbelasting en / of premie volksverzekering heeft betaald;

  • -

    in Nederland tegen ziektekosten verzekerd is geweest;

  • -

    geen huisarts en tandarts in Duitsland heeft; en

  • -

    geen sociale bindingen in Nederland heeft, zoals verenigingsleven, functies in besturen, sportclubs of culturele activiteiten.

3.6.

Tot de stukken behoren voorts een kopie van een bankpas op naam van belanghebbende van [E] , een kopie van een viertal kaarten voor seizoen 2013/2014 van voetbalclub [F] op naam van [Y] een kopie van de uitslagen van een in het [G] te [H] ten behoeve van belanghebbende uitgevoerd onderzoek en een kopie van een tweetal verklaringen van de verhuurders van de woningen in [A] waarin is opgenomen dat belanghebbende de woningen tezamen met zijn echtgenote heeft bewoond.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Partijen houdt, gelet op het verhandelde ter zitting, in hoger beroep enkel nog verdeeld of belanghebbende terecht aanspraak maakt op de vrijstelling BPM bij de terugkeer van Duitsland naar Nederland, toegespitst tot het antwoord op de vraag of belanghebbende na zijn verblijf van 27 maart 2012 tot 22 april 2013 in Duitsland zijn woonplaats heeft overgebracht naar Nederland. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.2.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. (…)

2. De dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit is 16 mei 2013. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 27 juni 2013.

[De Inspecteur ] neemt het standpunt in dat hij het bezwaarschrift van 20 juni 2012 pas op 12 juli 2013 per email heeft ontvangen. Hiertegenover stelt [belanghebbende] dat hij het bezwaarschrift reeds op 20 juni 2012 per post naar de Belastingdienst Heerlen heeft gestuurd en dat volgens mededeling van de belastingtelefoon/BPM van 12 juli 2012 het bezwaarschrift bij [de Inspecteur] in behandeling zou zijn.

[Belanghebbende] dient aannemelijk te maken dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Hierin is [belanghebbende] met hetgeen hij heeft aangevoerd niet geslaagd. (…)

5. [De Inspecteur] heeft het bezwaar van [belanghebbende] terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

6.1.

Het Hof volgt de ter zitting tot stand gekomen conclusie van partijen dat het onderwerpelijke bezwaar de Inspecteur tijdig heeft bereikt. Conform de uitdrukkelijke wens van partijen zal het Hof het bezwaar van belanghebbende beoordelen en niet terugwijzen.

6.2.

Belanghebbende heeft, dit is tussen partijen niet in geschil, recht op de in geding zijnde vrijstelling indien kan worden gezegd dat belanghebbende zijn normale verblijfplaats vanuit Duitsland naar Nederland heeft overgebracht.

6.3.

Naar het oordeel van het Hof leiden de vaststaande feiten en omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, niet tot de conclusie dat het permanente centrum van de belangen en daarmee de normale verblijfplaats van belanghebbende in de periode 27 maart 2012 tot 22 april 2013 in Duitsland is gelegen en op het aangegeven moment (weer) is overgebracht naar Nederland.

6.4.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond voor zover het de ontvankelijkheid in bezwaar betreft en is het bezwaar ongegrond, zodat wordt beslist als wordt vermeld.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Partijen hebben ter zitting te kennen gegeven af te zien van vergoeding van de proceskosten.

7.2.

De Inspecteur dient de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 167 (beroep € 45 en hoger beroep € 122) aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar ongegrond;.

- gelast de Inspecteur de griffierechten van € 167 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, E.M. Vrouwenvelder en P.M. Verhagen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.G. Detweiler. De beslissing is op 30 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.