Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:304

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
BK-14-00115
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:1267, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep houdt partijen, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/401
Belastingadvies 2015/6.9
V-N 2015/24.10 met annotatie van Redactie
FutD 2015-0518
NTFR 2015/1220 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00115

Uitspraak van 16 januari 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] belanghebbende,

en

de directeur van Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2014, nr. SGR 13/8056.

Naheffingsaanslag, beschikkingen, bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de loonheffingen van € 4.134 en bij beschikking een boete van € 4.134 opgelegd. Bij beschikking is € 136 aan heffingsrente berekend.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd.

1.3.

Tegen de uitspraken van de Inspecteur over de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 44 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag vernietigd en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Hoger beroep

2.1.

De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 december 2014 in Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

3.1.

Belanghebbende is als business manager in dienstbetrekking werkzaam bij [Y] B.V. te [A]. Voor het verrichten van zijn werkzaamheden wordt hem door de werkgever een auto ter beschikking gesteld.

3.2.

Gedagtekend 16 december 2006 zendt belanghebbende de Inspecteur een ingevuld en ondertekend "Verzoek Loonheffingen Verklaring geen privégebruik auto". Het formulier vermeldt:

"(…)

Bewijslast

U moet overtuigend kunnen bewijzen dat u de auto van uw werkgever voor niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis voor privé-doeleinden gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een sluitende rittenregistratie. Het is raadzaam om onder andere uw rittenregistratie te bewaren. De Belastingdienst kan om bewijs vragen.

Let op! Als u deze verklaring aanvraagt, maar u het bewijs niet kunt leveren dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, worden de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet bij u nageheven. (…)

(…)"

3.3.

De Inspecteur heeft op het verzoek van belanghebbende, omdat deze de hem door de werkgever ter beschikking gestelde auto naar verwachting voor niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis voor privédoeleinden gebruikt, ingaande 2007 een "Verklaring geen Privé Gebruik auto" afgegeven. In 2008 heeft belanghebbende op het daartoe bestemde formulier ter wijziging van genoemde verklaring de Inspecteur gedagtekend en ondertekend doorgegeven dat hij vanaf 11 juli 2008 beschikt over een "andere" auto.

3.4.

Belanghebbende houdt een rittenregistratie bij waarin hij aan de hand van een elektronische agenda achteraf veelal dagelijks de ritten in een bestand van het computerprogramma Excel invoert. Belanghebbende heeft ter zitting van de rechtbank de wijze van administreren van de verreden kilometers toegelicht. Aan het begin van het jaar wordt de stand van de kilometerteller vastgelegd in de rittenregistratie. Met behulp van de dagteller wordt dagelijks het aantal verreden kilometers bepaald en genoteerd. Dat aantal wordt vervolgens verdeeld over de adressen die op die dag zijn bezocht. Voor de adressen die regelmatig worden bezocht worden vaste afstanden gehanteerd. De afstand naar de overige adressen wordt bepaald met behulp van de routeplanner, zodat aan het einde van de dag een eindstand ontstaat. Periodiek wordt de eindstand van de rittenregistratie vergeleken met de stand van de kilometerteller van de auto. Kleine verschillen worden toegeschreven aan afrondingsverschillen en afwijkingen op de route en leiden niet tot correcties.

3.5.

De Inspecteur heeft bij brief van 10 oktober 2012 belanghebbende een vragenformulier gezonden met het verzoek het ingevuld terug te zenden. In de brief is opgenomen: "(…) Voorwaarde voor een Verklaring geen privégebruik auto is dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 privékilometers rijdt met de auto(s) die uw werkgever u ter beschikking heeft gesteld. Ik wil alsnog vaststellen of u vanaf 1-1-2011 t/m 10-10-2012 aan deze voorwaarde hebt voldaan" (…). Ook is vermeld: "Als u een rittenregistratie hebt bijgehouden, dan moet u voor de bovengenoemde periode ook een kopie of afdruk van deze rittenadministratie meesturen." Belanghebbende heeft aan het verzoek voldaan.

3.6.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 december 2012 meegedeeld dat de rittenregistratie en de aanvullende informatie hem niet heeft overtuigd dat de aan belanghebbende ter beschikking gestelde auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. In de brief geeft hij aan dat hem ter beschikking staande informatie uitwijst dat op vijf dagen in 2011 met de auto elders is gereden dan is verantwoord in de rittenadministratie. Belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld "overtuigend aan te tonen dat de door u ingestuurde rittenadministratie juist is". Tevens wordt verzocht garagerekeningen toe te sturen. De Inspecteur heeft ter zitting van de rechtbank desgevraagd verklaard dat voor de auto in het jaar 2011 tien waarnemingen bestaan waarbij tijdstip en locatie in overeenstemming zijn met de rittenregistratie.

3.7.

Bij brief van 20 december 2012 reageert belanghebbende, onder overlegging van een verbeterde rittenregistratie, ter verklaring van de geconstateerde fouten in de rittenregistratie. Privégebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto komt, mede doordat belanghebbende beschikt over een eigen auto die voor privédoeleinden wordt gebruikt, hoogst zelden voor en overschrijdt in geen enkel jaar de 500 kilometergrens. De geregistreerde 830 ritten met de auto en een kilometrage van ruim 55.000 (voor het onderwerpelijke jaar gaat het om 445 ritten en een kilometrage van 30.259) houdt belanghebbende dagelijks bij. Bij hoge uitzondering komt hij door omstandigheden die verband houden met zijn werktijden hij komt zo nu en dan 's avonds zeer laat thuis of de aard van de werkzaamheden hij overnacht niet thuis niet toe aan een dagelijkse registratie. Registratie vindt dan later in de week plaats aan de hand van de noteringen in de agenda. Het komt verder voor dat in zijn agenda genoteerde werkzaamheden op het laatste moment worden omgegooid en dat daardoor andere routes worden afgelegd dan aanvankelijk geregistreerd. De door de Inspecteur geconstateerde fouten acht belanghebbende daarmee volledig verklaard en die betreffen vier zakelijke ritten. De omschrijving van de per abuis niet-geregistreerde ritten wordt neergelegd in een bij de brief gevoegde bijlage. Vermeld is voorts dat één privérit van 36 kilometer per abuis niet is geregistreerd. De aan de Inspecteur overgelegde garagenota's kennen in verband met de afronding op hele kilometers minimale afwijkingen en worden door belanghebbende verklaard.

3.8.

Bij brief van 13 februari 2013 deelt de Inspecteur mee dat belanghebbende voor het jaar 2012 heeft aangetoond dat hij de auto gedurende die periode op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privéritten heeft gebruikt. De wijze van registreren wijkt niet af van andere jaren. Voor het jaar 2011 deelt de Inspecteur belanghebbende ondanks de in de brief van 20 december 2012 verstrekte zeer uitvoerige verklaringen mee: "(…) Uw rittenadministratie en de eventuele aanvullende informatie heeft mij er niet van overtuigd dat u de aan u ter beschikking gestelde auto('s) in 2011 op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden hebt gebruikt, (…)" Hij deelt voorts mee van plan te zijn een naheffingsaanslag op te leggen en op basis van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ook een boete op te leggen "omdat u hebt verzuimd een juiste en/of volledige rittenregistratie bij te houden". Belanghebbende wordt in de brief door de Inspecteur de gelegenheid geboden te reageren, hetgeen geschiedt bij brief van 22 februari 2013. In die brief wordt wederom aangegeven hoe belanghebbende de rittenregistratie bijhoudt en dat hij ruimschoots onder de grens van 500 kilometers voor privédoeleinden blijft. Onder meer wordt aangegeven dat bij controle de genoteerde kilometerstanden minimale verschillen kunnen vertonen die het gevolg zijn van het afronden op hele kilometers voor regelmatig voorkomende ritten en het gebruik maken voor overige ritten van de door de routeplanner aangegeven afstanden.

3.9.

Nadat bij brief van de Inspecteur van 8 juli 2013 betreffende "Vooraankondiging van de uitspraak op uw bezwaarschrift" aan belanghebbende is meegedeeld dat het bezwaar met betrekking tot de loonheffing en de boete ongegrond is, heeft op 20 augustus 2013 een door belanghebbende verzocht hoorgesprek plaats. Hoewel in de vooraankondiging voor belanghebbende een afwijzende beslissing was neergelegd, is hem bij het hoorgesprek door de belastingambtenaar te kennen gegeven dat, gelet op de hele gang van zaken en het feit dat belanghebbende toch uiteindelijk heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, niet is te begrijpen dat de boete is opgelegd, dat de boetebeschikking om die reden zal worden vernietigd, hetgeen ook is geschied, doch dat de ambtenaar in kwestie, hoewel overtuigd dat belanghebbende het vereiste bewijs heeft geleverd, zelf niet is gemachtigd ook de naheffingsaanslag te (doen) vernietigen.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

12. Als de inspecteur aan een werknemer een verklaring geen privé-gebruik heeft afgegeven kan de inspecteur, ingevolge artikel 13bis, vijftiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (de Wet), de werknemer op enig moment verzoeken te doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Deze bepaling brengt mee dat de werknemer te allen tijde voldoende gegevens en bescheiden, zoals een rittenregistratie, voorhanden moet hebben waarmee hij aan dit verzoek kan voldoen.

13. Ingevolge artikel 13bis, vierde lid van de Wet wordt het voordeel voor het gebruik voor privé-doeleinden op nihil gesteld indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.

14. Ingevolge artikel 13bis, zevende lid van de Wet, in samenhang bezien met artikel 3.13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, moet de rittenregistratie ten minste de volgende gegevens bevatten:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.

15. In de rittenregistratie van [belanghebbende] ontbreken gedurende het jaar de beginstand en eindstand van de kilometerteller en de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke. Daarmee voldoet de rittenadministratie niet aan de eisen zoals die onder 14 zijn vermeld.

16. Nu de rittenregistratie niet aan de gestelde voorwaarden voldoet, dient beoordeeld te worden of [belanghebbende] anderszins heeft aangetoond dat met de auto in het jaar 2011 minder dan 500 kilometer privé is gereden. Gezien de door [belanghebbende] geschetste, door [de Inspecteur] niet weersproken, wijze van administreren welke overeenkomt met de door [belanghebbende] overgelegde rittenregistratie, de plausibele verklaringen van [belanghebbende] voor de door [de Inspecteur] gesignaleerde afwijkingen en de daarvoor overgelegde bescheiden en het aantal signaleringen dat wel in overeenstemming is met de rittenregistratie is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] is geslaagd in het van hem te vorderen bewijs. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat [belanghebbende] in privé over een auto beschikt.

(…)

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat [belanghebbende] ter zitting heeft verklaard daarvan af te zien.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

In hoger beroep houdt partijen, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, welke vraag de Inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

6.1.

Het Hof acht de beslissing van de rechtbank, ook waar het gaat om de overwegingen, juist en neemt deze over. Ter toelichting overweegt het Hof dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende is geslaagd in het bewijs dat de auto in 2011 op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De rechtbank komt tot haar oordeel kennelijk lettend op het bepaalde in artikel 13bis, lid 4, van de Wet op de loonbelasting 1964, dat wil zeggen niet zo zeer op basis van de aldaar bedoelde rittenregistratie, als wel aan de hand van de als "anderszins" te kenschetsen door belanghebbende ingebrachte bewijsmiddelen. Deze door de rechtbank gegeven invulling aan de bewijspositie van belanghebbende alsook de waardering en de vervolgens getrokken conclusie acht het Hof overtuigend. In dat verband zij opgemerkt dat belanghebbende een zorgvuldige analyse heeft gegeven van de beschikbare gegevens, dat de Inspecteur niet alleen de door belanghebbende aangedragen inhoudelijke argumentatie niet afdoende heeft weersproken maar ook ter zitting verschillende keren heeft verklaard het zeker niet uit te sluiten dat belanghebbende de auto in 2011 op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Verder kan het Hof zich, gelet ook op de aan belanghebbende in het hoorgesprek gedane mededelingen (zie 3.9), de stellingname in de stukken en het optreden ter zitting, niet aan de indruk onttrekken dat de Inspecteur hij heeft ter zitting daaromtrent desgevraagd geen uitsluitsel kunnen geven de in de wettelijke bepalingen opgenomen rittenregistratie als doel beschouwt en niet als middel, zoals ook uit de onder de feiten weergegeven informatie rond de aanvraag van de aldaar genoemde verklaring moet worden afgeleid, voor belastingplichtigen te bewijzen dat op kalenderjaarbasis voor minder dan 500 kilometer per jaar van de auto gebruik wordt gemaakt voor privédoeleinden.

6.2.

Hetgeen de Inspecteur naar voren heeft gebracht, acht het Hof geenszins voldoende de uitspraak van de rechtbank aan te tasten, zodat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Met partijen ziet het Hof geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

7.2.

Nu de Inspecteur in het ongelijk wordt gesteld, zal van hem een griffierecht worden geheven van € 493.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 16 januari 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.