Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2993

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
200.162.839/01 en 200.163.081/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vergoedingsvordering ex artikel 1:87 BW, vordering uit hoofde van de kosten van de huishouding, vervalbeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/34
JPF 2016/134 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
PFR-Updates.nl 2015-0326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 14 oktober 2015

Zaaknummers : 200.162.839/01 en 200.163.081/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 13-7309 en FA RK 14-2411

Zaaknummers rechtbank : C/09/450971 en C/09/463301

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Heere-Helmink te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Vleesch du Bois te Bilthoven, gemeente De Bilt.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[jongmeerderjarige] ,

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

wonende te [woonplaats] .

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 14 januari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 oktober 2014 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 17 maart 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 29 april 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 4 februari 2015 een brief van 2 februari 2015 met bijlagen;

- op 22 juni 2015 een faxbrief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 18 juni 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 3 juli 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De jongmeerderjarige en de hierna te noemen minderjarige zoon van partijen hebben schriftelijk hun mening kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad:

- bepaald dat de man, met ingang van de datum van de bestreden beschikking, voor de verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en de minderjarigen [A] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [B] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 81,- per maand per kind, telkens

bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaald in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dat:

- de vrouw aan de man ter zake van de verrekening dient te voldoen € 38.527,-, zulks binnen vier weken na datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

- partijen bij helfte zullen delen: de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen met nummer [1] ten name van de vrouw en nummer [2] ten name van de man;

- ieder der partijen de inboedel die hij of zij thans onder zich heeft behoudt, zulks met uitzondering van de reisdagboeken, de boomlamp, de vuilnisbak en het restant boeken/dvd’s/cd’s/lp’s/strips/tijdschriften, die de vrouw nog aan de man dient af te geven, zulks zonder nadere verrekening.

De zaak is ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op 9 maart 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:

- te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 100.000,- voldoet binnen vier weken na datum beschikking;

- te bepalen dat de man aan de vrouw voldoet een bedrag van € 1.414,61, zijnde 1:10 deel voor de hypothecaire lasten over het jaar 2011;

- te bepalen dat de dagwaarde van de [personenauto] € 5.000,- bedraagt en dat de man de helft van dit bedrag, € 2.500,- aan de vrouw dient te voldoen;

- te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 4.330,- voldoet op grond van de overbedeling bij de verdeling van de inboedel;

- te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag ad € 135.000,- bruto voldoet binnen vier weken na datum beschikking;

- te bepalen dat indien ten tijde van de behandeling van het beroep een zorgregeling tot stand is gekomen rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting bij het bepalen van de hoogte van de kinderalimentatie.

De man heeft in zijn verweer op incidenteel appel zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij thans verzoekt te bepalen dat de vrouw aan de man voldoet een bedrag van € 2.066,87 in verband met de door partijen betaalde gemeenschappelijke huishoudelijke lasten over januari 2011 tot en met 16 oktober 2011 (inclusief de hypothecaire lasten). Zijn verzoek om voldoening van de vrouw aan de man van een bedrag van € 1.414,61 komt hiermee te vervallen.

2. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, alle grieven van de man te verwerpen en in het incidenteel hoger beroep in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen dat:

  • -

    de vrouw aan de man € 24.240,- dient te vergoeden ter zake van het aandeel van de man in de investering van partijen bij de aankoop van de woning aan de [adres 1] ;

  • -

    de man aan de vrouw € 38.023,81 dient te betalen op grond van artikel 3, lid 1, van de huwelijkse voorwaarden van partijen;

  • -

    de man aan de vrouw € 4.400,- dient te vergoeden ter zake van de [personenauto] ;

  • -

    partijen bij helfte zullen delen: de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen met nummer [1] ten name van de vrouw en nummer [2] ten name van de man;

  • -

    ieder der partijen de inboedel die hij of zij thans onder zich heeft behoudt, zulks met uitzondering van de reisdagboeken, de boomlamp, de vuilnisbak en het restant boeken/dvd’s/cd’s/lp’s/strips/tijdschriften, die de vrouw nog aan de man dient af te geven, zulks zonder nadere verrekening;

alsmede de man te veroordelen ter zake van de verrekening binnen vier weken na de datum van het door het hof te wijzen beschikking aan de vrouw € 18.183.81 te betalen (€ 38.023,81 + € 4.400,- - € 24.240,-);

en voor het overige de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren: in het incidenteel hoger beroep alle grieven van de vrouw te verwerpen.

4. Ter terechtzitting heeft de man zijn grief ter zake de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige en de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen ingetrokken. In geschil is derhalve thans alleen nog de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

Vergoedingsrecht van € 100.000,-

5. De rechtbank is ervan uitgegaan dat bij de aankoop van de laatste echtelijke woning van partijen aan de [adres 1] , welke aan de vrouw in eigendom toebehoort, uit het gezamenlijk vermogen van partijen een bedrag van € 100.000,- is geïnvesteerd. De man is het daar niet mee eens. Volgens de man betrof dit bedrag de overwaarde van een vorige woning aan de [adres 2] waarvan de man enig eigenaar was. De man is van mening dat hij recht heeft op teruggave van het nominale door hem in de laatste echtelijke woning geïnvesteerde bedrag van € 100.000,-.

6. De vrouw voert verweer als volgt:

- de man kan in hoger beroep niet meer terugkomen op zijn eerdere stelling dat de investering van partijen in de laatste echtelijke woning een gezamenlijk investering was;

- de man heeft zijn recht ter zake verwerkt;

- partijen hebben de opbrengst van de woning van de man altijd als gemeenschappelijk vermogen gezien;

- het is niet redelijk en billijk dat de man destijds bij de verkoop en levering van zijn woning heeft geprofiteerd van de hausse op de woningmarkt, terwijl de vrouw de gevolgen van de crisis op de huizenmarkt ter zake de laatste echtelijke woning voor haar rekening moet nemen;

- de man heeft recht op € 24.240,- (de helft van de overwaarde), subsidiair op € 44.151,- (zijn investering van € 50.000,- minus de waardedaling van 11,7%), meer subsidiair op € 50.000,- (nominaal de helft van de investering van partijen in de woning).

In haar incidenteel appel voert de vrouw nog aan:

- de laatste echtelijke woning stond alleen maar op naam van de vrouw om die woning te beschermen tegen schuldeisers van de man;

- de hypothecaire schuld verbonden met de vorige echtelijke woning was mede door de vrouw aangegaan en werd mede door haar gedragen. De hypothecaire schuld van de laatste echtelijke woning is uitsluitend door de vrouw aangegaan.

7. Het hof overweegt als volgt. De advocaten van partijen hebben ter terechtzitting desgevraagd bevestigd dat zij het erover eens zijn dat het de man is die met een bedrag van € 100.000,- uit eigen vermogen heeft bijgedragen in de financiering van de verkrijging van de laatste echtelijke woning van partijen. Door de waardestijging van de volledig in eigendom aan de man toebehorende woning aan de [adres 2] , heeft de man door de verkoop van die woning dat vermogen gerealiseerd. Dat vermogen is geen overgespaard niet gedeeld inkomen. De vrouw heeft derhalve mede ten laste van het vermogen van de man het uitsluitend aan haar in eigendom toebehorende onroerend goed [adres 1] verkregen. Dat de laatste echtelijke woning louter op naam van de vrouw zou zijn gesteld in verband met eventuele schuldeisers van de man, doet daaraan niet af. De man heeft derhalve recht op een nominale vergoeding van een bedrag van € 100.000,- nu deze vergoedingsvordering is ontstaan vóór 1 januari 2012. Dat de man zich in eerste aanleg heeft vergist in zijn juridische positie ter zake zijn investering, kan hij in hoger beroep herstellen. Het hof is voorts van oordeel dat het beroep van de vrouw op rechtsverwerking niet slaagt. Mede gelet op de aard van de relatie tussen echtgenoten, waardoor strenge eisen aan rechtsverwerking worden gesteld, heeft de vrouw daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht. De door de vrouw aangevoerde verslechterde omstandigheden op de onroerendgoedmarkt die maken dat haar huis in waarde is gedaald, kunnen niet tot gevolg hebben dat de vrouw jegens de man op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou kunnen volstaan met de betaling van een lager bedrag dan het nominale bedrag van zijn vergoedingsvordering. Deze omstandigheden liggen immers geheel buiten de macht van de man en kunnen de rechtsverhouding van partijen dan ook niet mede bepalen. Hetgeen de vrouw omtrent de met de vorige echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening nog heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het gezamenlijk aangaan van deze hypothecaire geldlening door partijen laat onverlet dat deze woning uitsluitend tot het privévermogen van de man behoorde.

Kosten van de huishouding

8. De rechtbank heeft bepaald dat de hypothecaire rente op grond van de huwelijkse voorwaarden kosten van de gemeenschappelijke huishouding betreft en dat de vrouw gerechtigd is tot een vergoeding door de man van de helft van de door haar betaalde rente tot 16 oktober 2011, deze laatste datum zijnde de datum waarop de man de echtelijke woning heeft verlaten en de gemeenschappelijke huishouding derhalve is beëindigd.

9. De vrouw heeft haar verzoek ter zake de kosten van de huishouding in hoger beroep vermeerderd. Nu de man daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en ook zijn standpunt ten aanzien van dit gewijzigde verzoek uiteen heeft kunnen zetten, is naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de beginselen van een goede procesorde. Het hof zal het gewijzigde verzoek dan ook in aanmerking nemen.

10. De vrouw stelt zich in haar incidenteel appel op het standpunt dat - gelet op de inkomens van partijen in 2011, waaronder niet aan de fiscus opgegeven inkomsten van de man uit lesgeven - het aandeel van de man in de kosten van de huishouding 48,8 % had dienen te bedragen. Volgens de vrouw dient de man niet alleen bij te dragen in de hypothecaire lasten, maar ook in de overige door haar in 2011 tot aan 16 oktober 2011 gedragen kosten van de huishouding van in totaal € 59.729,11. Voorts stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man op grond van artikel 2 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden ook ná 16 oktober 2011 had moeten bijdragen in de hypothecaire lasten, zodat de man haar over de periode van 16 oktober 2011 tot en met 31 december 2012 ter zake nog een bedrag € 8.876,- dient te vergoeden.

11. De man weerspreekt dat bij hem sprake zou zijn van niet opgegeven inkomsten. Hij is van mening dat de gemeenschappelijke huishouding van partijen is beëindigd op 16 oktober 2011, zodat de na deze datum door partijen gedane uitgaven niet meer vallen onder kosten van de huishouding. Gelet op de inkomens van partijen in 2011 moet volgens de man zijn bijdrage in de kosten van de huishouding worden beperkt tot een/tiende deel (10%). De man betwist een aantal posten die de vrouw als door haar betaalde kosten van de huishouding heeft opgevoerd en stelt voorts dat hij in de periode van 1 januari 2011 tot 16 oktober 2011 zijn volledige inkomen heeft besteed aan de gemeenschappelijk huishouding. Op grond hiervan berekent de man dat hij in voormelde periode voor 15,3% heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding in plaats van 10%, zodat de vrouw ter zake een bedrag van € 2.066,87 aan hem dient te vergoeden.

12. Het hof overweegt als volgt. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw ten aanzien van artikel 2 lid 3 van de akte van huwelijkse voorwaarden, welk artikel betrekking heeft op de kosten van de huishouding en belastingen, desgevraagd verklaard dat dit artikel ziet op kosten van de gemeenschappelijke huishouding van partijen. Het hof stelt vast dat partijen daarmee op dit punt zijn afgeweken van artikel 1:84 BW, waarin sprake is van de kosten der huishouding zonder de toevoeging “gemeenschappelijke”. Vaststaat dat de gemeenschappelijke huishouding van partijen per 16 oktober 2011 is geëindigd zodat door partijen na deze datum betaalde lasten niet meer als kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd. Het hof is van oordeel dat partijen hun verzoeken ter zake niet dan wel onvoldoende hebben toegespitst op een specifieke periode. Immers, een deel van de door de vrouw en de man verzochte vergoeding van door hen betaalde kosten van de huishouding betreft de periode na 16 oktober 2011, waarin geen sprake meer is van kosten van de gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden, terwijl de verdeelsleutel die partijen als grondslag voor hun verzoek hanteren, gebaseerd is op het inkomen van partijen gedurende de periode die zowel in als buiten het fourneertijdvak valt. Nu het fourneertijdvak onvoldoende is afgebakend, kan het hof de verzoeken van partijen aangaande de kosten van de huishouding niet beoordelen. Of de man bepaalde inkomsten al dan niet fiscaal heeft verantwoord, behoeft derhalve geen nadere bespreking. Het hof komt niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw ter zake. Gelet op dit alles dient de bestreden beschikking te worden vernietigd voor zover daarin de vrouw een vergoeding ter zake kosten van de huishouding is toegekend en dienen de verzoeken van partijen betreffende de kosten van de huishouding te worden afgewezen.

[personenauto]

13. De man stelt dat de waarde van de [personenauto] geen € 8.800,- bedraagt zoals de rechtbank heeft bepaald, maar € 5.000,-. Ter onderbouwing legt hij in hoger beroep een koerslijst over. De vrouw is van mening dat de rechtbank ter zake terecht heeft beslist zoals zij heeft gedaan.

14. Het hof komt een waarde van de [personenauto] van € 8.8.00,- per de peildatum 16 oktober 2011 alleszins redelijk voor. De man heeft ook niet aangetoond dat die waarde lager is. Hij heeft in hoger beroep slechts een identieke koerslijst als in eerste aanleg overgelegd, uit welke lijst niet is af te leiden wat de waarde van de auto per de peildatum 16 oktober 2011 was. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

Inboedel

15. Partijen hebben in hoger beroep beiden inboedellijsten overgelegd. De man heeft dezelfde lijst als in eerste aanleg overgelegd. Hij is van mening dat de vrouw voor € 4.330,- is overbedeeld. De vrouw stelt zich op het standpunt dat niet zij maar de man is overbedeeld en wel voor een bedrag van € 2.137,-.

16. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ter zake de inboedel terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De man heeft niet aangetoond dat de vrouw voor voormeld bedrag zou zijn overbedeeld. Nu de vrouw voorts geen concrete consequenties heeft verbonden aan haar stelling dat de man voor een bedrag van € 2.137,- is overbedeeld, zal het hof de bestreden beschikking ter zake de inboedel bekrachtigen.

Stamrecht B.V.

17. De man stelt zich op het standpunt dat de ontslagvergoeding die op 27 juli 2009 aan de vrouw is uitgekeerd en welke zij op 2 september 2011 in een stamrecht B.V. heeft gestort, onder het in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding valt. Volgens de man moet de ontslagvergoeding worden verrekend omdat partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden nooit de bedoeling hebben gehad verrekening van een dergelijke vergoeding uit te sluiten. Bovendien behoort de ontslagvergoeding tot de te verrekenen inkomsten omdat daar thans geen bijzonder belastingtarief meer voor geldt. Ten slotte doet de man een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Hij wenst ter zake de stamrecht B.V. een bedrag van € 135.000,-, nog te verminderen met de daarover verschuldigde belasting, te ontvangen. Ter terechtzitting heeft hij zijn verzoek in die zin gewijzigd.

18. De vrouw voert verweer als volgt:

- het was de bedoeling van partijen om inkomsten belast naar een bijzonder inkomstenbelastingtarief, zoals in casu de ontslagvergoeding, buiten de verrekening te houden. Voor het inkomensbegrip moet worden aangeknoopt bij de Wet IB 1964 die van toepassing was toen partijen in 1989 hun huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt.

Mocht het hof anders beslissen, dan stelt de vrouw het volgende:

- het stamrecht is niet voor afkoop vatbaar, de vrouw kan er niet over beschikken. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich er derhalve ten dat de vergoeding in de verrekening wordt betrokken;

- bij het bepalen van de omvang van de te verrekenen bedragen moet rekening worden gehouden met de verplichtingen die de stamrecht B.V. in de toekomst heeft jegens de vrouw alsmede met de mogelijke fiscale claims.

19. Het hof overweegt als volgt. In de akte van huwelijkse voorwaarden van partijen is in het kader van het daarin overeengekomen verrekenbeding het volgende vervalbeding opgenomen.

Artikel 6.

Het recht tot vordering van deling vervalt indien de deling niet binnen twee jaar na afloop van het betreffende kalenderjaar heeft plaatsgevonden of deze schriftelijk gevorderd is.

20. Ter terechtzitting heeft het hof dit door partijen overeengekomen vervalbeding aan hen voorgehouden en is het onderdeel geweest van het partijdebat.

21. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de huwelijksvoorwaarden van partijen is het hof van oordeel dat bij de oprichting op 11 september 2009 van de stamrecht B.V. de in artikel 6 vermelde termijn is aangevangen op 1 januari 2010 en dat het recht op verrekening van de waarde van de aandelen in de stamrecht B.V. is vervallen op 31 december 2012. Gelet op de lengte van de vervaltermijn is het hof van oordeel dat daarop een beroep kan worden gedaan, zoals door de advocaat van de vrouw ter terechtzitting ook is gedaan. De termijn van twee jaar biedt voldoende gelegenheid om verrekening binnen die termijn te vorderen, zodat de redelijkheid en billijkheid er niet aan in de weg staat dat de vrouw een beroep doet op dit vervalbeding. Nu de man zijn verzoek om verrekening van de in een stamrecht B.V. ondergebrachte ontslagvergoeding van de vrouw na het verlopen van de vervaltermijn heeft ingediend, zal dit verzoek derhalve worden afgewezen. Aan zijn bewijsaanbod ter zake, komt het hof niet toe.

Levensverzekeringen

22. De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen bij helfte zullen delen: de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen met nummer [1] ten name van de vrouw en nummer [2] ten name van de man.

23. Het hof overweegt dat de vrouw geen belang heeft bij voormeld verzoek nu de rechtbank reeds overeenkomstig heeft bepaald. Het hof zal dit verzoek derhalve afwijzen.

Bewijsaanbod

24. Het hof begrijpt dat de man naast zijn bewijsaanbod ter zake het opstellen en de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden nog een algemeen bewijsaanbod doet. Ook de vrouw heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan. Het hof zal dit algemene bewijsaanbod van zowel de man als de vrouw als onvoldoende concreet en specifiek passeren.

Recapitulatie

25 Gelet op het vorenstaande dient de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man te vergoeden € 100.000,- (investering van de man in de woning van de vrouw) minus € 4.400,- (de helft van de waarde van de [personenauto] ) = € 95.600,-.

26. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de vrouw aan de man ter zake van verrekening dient te voldoen € 38.527,-, zulks binnen vier weken na datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden binnen vier weken na de datum van deze beschikking aan de man dient te vergoeden een bedrag van € 95.600,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Sutorius-van Hees, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2015.