Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2971

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
22-000898-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.op de strafbaarstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000898-15

Parketnummer: 09-132829-13

Datum uitspraak: 8 september 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 februari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1943,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 augustus 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 02 juli 2012 tot en met 30 december 2012 te Hillegom, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [benadeelde partij] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel via internet (weblog [x]) - zakelijk weergegeven - medegedeeld dat [benadeelde partij] een oplichter is.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

In de onderhavige zaak is de tenlastelegging blijkens haar bewoordingen toegesneden op de strafbaarstelling van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat sprake is van tenlastelegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 Sr, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is ten laste gelegd dat het een duidelijk te herkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het "feit" niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging. Het behoort tot de taak van de strafrechter om, afhankelijk van de precieze vormgeving van de door het openbaar ministerie uitgebrachte tenlastelegging, zelfstandig - dus ook indien op dat punt geen verweer is gevoerd - te beoordelen of het bestanddeel "telastlegging van een bepaald feit" als bedoeld in artikel 261 Sr kan worden bewezenverklaard, dan wel of het bewezenverklaarde het misdrijf van artikel 261 Sr oplevert. (Zie HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1556, NJ 2014/46 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541).

In de tenlastelegging is de beschuldiging van smaad geconcretiseerd doordat daarin is verwoord dat verdachte [benadeelde partij] op internet “een oplichter” heeft genoemd.

Naar het oordeel van het hof kan het via internet mededelen dat [benadeelde partij] een oplichter is, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, echter niet worden aangemerkt als tenlastelegging van een bepaald feit in de zin van artikel 261 Sr, nu de beschuldiging niet nader in de vorm van een gedraging is geconcretiseerd.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. M. Jongeneel-van Amerongen, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2015.

Mr. M. Jongeneel-van Amerongen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.