Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2966

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
22-001858-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is schuldig gevonden aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 5.634,15 (vijfduizend zeshonderdvierendertig euro en vijftien cent).

Tevens legt het hof de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.634,15 (vijfduizend zeshonderdvierendertig euro en vijftien cent).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001858-14 PO

Parketnummer: 09-797435-13

Datum uitspraak: 16 september 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 27 februari 2014 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Marokko) op [geboortejaar] 1977,

[adres].

Procesgang

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 27 februari 2014 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 7.126,14,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak onder 1 bewezen verklaarde feit.

De officier van justitie heeft voornoemde vordering in eerste aanleg verminderd met de in de strafzaak ingediende vordering van de benadeelde partij.

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 27 februari 2014 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 5.501,89 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep 2 september 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting

Het hof beschouwt als grondslag van de vordering het voormelde feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld bij het hierboven genoemde vonnis d.d. 27 februari 2014.

Het hof laat zich bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel leiden door de uitgangspunten van het BOOM-rapport van 1 november 2010 (update).

De veroordeelde heeft tijdens het verhoor bij de politie openheid van zaken gegeven. Het hof acht de door de veroordeelde afgelegde verklaringen aannemelijk, mede gelet op het feit dat de door de veroordeelde genoemde kosten en opbrengsten (ongeveer) overeenkomen met de in het BOOM-rapport genoemde bedragen. Het hof zal daarom bij de schatting van het wederrechtelijk voordeel uitgaan van de door de veroordeelde afgelegde verklaringen omtrent de opbrengsten en de kosten.

Het hof gaat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep uit van het navolgende.

Opbrengsten

De veroordeelde heeft verklaard dat hij één oogst heeft gehad en dat de opbrengst van deze oogst € 10.500,- bedroeg. Ook het BOOM-rapport gaat uit van één oogst.

Kosten

Aannemelijk is geworden dat met betrekking tot de oogst de na te noemen kosten zijn gemaakt:

De veroordeelde heeft verklaard dat hij één oogst heeft gehad met een opbrengst van 3 kilo hennep. De kweekruimte was blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2013 (dossier p. 12) ongeveer 9 m2 groot. In de kweekruimte stonden twee rijen met potten op ongeveer 6 m2. Het is onbekend hoeveel potten er in de kwekerij stonden. Blijkens het BOOM-rapport levert een beplanting van 20 planten per m2 een opbrengt op van 25,7 gram hennep per plant. Een beplanting van 20 planten per m2 zou in het onderhavige geval een opbrengst van (20 x 25,7 x 6 =) 3.084 gram hennep opleveren, hetgeen overeenkomt met de verklaring van de verdachte omtrent de opbrengst. Het hof gaat er derhalve van uit dat in de kwekerij (20 x 6 =) 120 planten aanwezig waren.

Blijkens het BOOM-rapport is de gemiddelde prijs per stekje € 2,85. € 2,85 x 120 planten = € 342,-.

De overige variabele kosten betreffen volgens het BOOM‑rapport € 3,33 per plant. € 3,33 x 120 planten = € 399,60.

Namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de veroordeelde circa € 2.500,- aan investering voor de hennepkwekerij heeft betaald. Bij de berekening van de afschrijving over een investering wordt, blijkens het BOOM-rapport, in beginsel uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 4 jaar en van 5 oogsten per jaar. Het uitgangspunt is dat de veroordeelde door de ontneming dient worden gebracht in een zelfde vermogenspositie als waarin hij zich zou hebben bevonden zonder het gepleegde strafbare feit. Gelet op alle feiten en omstandigheden, waaronder de periode waarin de veroordeelde het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen heeft gehuurd, is het hof van oordeel dat het in het onderhavige geval redelijk is om de volledige investering in mindering te brengen op de opbrengst.

Gelet op het vorenstaande worden de totale kosten per oogst geschat op (€ 342 + € 399,60 + € 2.500 =) € 3.241,60.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof zal evenals de rechtbank de in de strafzaak aan de benadeelde partij toewezen vordering tot schadevergoeding (€ 1.624,25) op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering brengen.

Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve geschat op (€ 10.500 - € 3.241,60 - € 1.624,25 =) € 5.634,15.

Betalingsverplichting

Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 5.634,15.

Het hof zal de veroordeelde tevens de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 5.634,15 (vijfduizend zeshonderdvierendertig euro en vijftien cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.634,15 (vijfduizend zeshonderdvierendertig euro en vijftien cent).

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. H.A. van Brummen, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 september 2015.

Mr. H.A. van Brummen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.