Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2965

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
22-000009-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer tijdens een woordenwisseling over een vermeende diefstal van een geldbedrag met een mes in de borst te steken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000009-14

Parketnummer: 09-842361-13

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 december 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1970,

thans gedetineerd in de PI Rijnmond - Noordsingel De Ent ZBB te Hoogvliet Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 september 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder de in het vonnis omschreven algemene en bijzondere voorwaarden. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Den Haag ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde partij] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in de borst, althans het lichaam, van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [benadeelde partij], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Den Haag aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een geperforeerde long en/of een geperforeerd hart), althans een of meer steekwond(en) in het hart en/of een long en/of het bovenlichaam), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn borst te steken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verzoek tot het horen van een getuige

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht [getuige] als getuige te horen.

Ter adstructie heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd.

[getuige] is de bewoonster van de woning aan de [adres] te Den Haag, alwaar de aangever stelt dat de verdachte € 70,00 van hem zou hebben gestolen, enige tijd voor het incident op 19 juni 2013. De aangever heeft verklaard dat hij de verdachte enige maanden daarvoor is tegengekomen, dat hij met hem in meerbedoelde woning een bolletje heeft gerookt en dat hij, aangever, nadien € 70,00 kwijt was, welk geld de verdachte volgens de aangever van hem zou hebben gestolen uit zijn jas.

De verdachte stelt zich echter op het standpunt dat hij de aangever voor 19 juni 2013 nooit eerder heeft ontmoet.

De raadsvrouw acht het noodzakelijk dat mevrouw [getuige] wordt gehoord als getuige, bij welke gelegenheid de verdediging haar onder andere nader wenst te bevragen omtrent die bewuste avond waarover de aangever heeft verklaard, nu dit direct ziet op de aanleiding van het incident. Bovendien kan de getuige de verklaring van de verdachte ondersteunen, namelijk dat hij de aangever niet bij haar thuis heeft ontmoet, hetgeen van invloed is op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever.

Het hof wijst dit verzoek af.

Naar het oordeel van het hof wordt de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad, omdat de punten waarover de getuige volgens de verdediging kan verklaren, in redelijkheid immers niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

De enkele omstandigheid dat [getuige] steun zou kunnen bieden aan de stelling van de verdachte dat hij - anders dan de aangever heeft verklaard - op genoemde dag niet met de aangever in de woning van [getuige] is geweest doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever omtrent het ten laste gelegde, latere steekincident.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Den Haag ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde partij] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp éen/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in de borst, althans het lichaam, van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [benadeelde partij], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities bepleit dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging tot doodslag. Daartoe heeft de raadsvrouw, kort gezegd, aangevoerd dat - hoewel in de visie van de verdediging het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangever [benadeelde partij] [hierna ook: [benadeelde partij]] oplevert - de verdachte deze aanmerkelijk te achten kans op het overlijden van de aangever niet bewust heeft aanvaard. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er niets bekend is over de kracht waarmee de verdachte met het door hem gehanteerd mes heeft gestoken, dat de verdachte maar één keer heeft gestoken en dat het gehanteerde mes een klein formaat mes betreft.

Het hof overweegt op grond van de bewijsmiddelen als volgt.

Uit de medische gegevens blijkt dat [benadeelde partij] ten tijde van de ziekenhuisopname op 19 juni 2013 een steekwond onder zijn linkertepel had, met in relatie daarmee een longletsel en beschadiging van het hartzakje alsmede van de wand van de linkerhartkamer, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was.

Dit betreft acuut levensbedreigend letsel dat zonder medische behandeling tot het overlijden van de aangever zou hebben geleid.

Door de reviserend radioloog werd een wondkanaal van circa 3,5 cm lengte waargenomen, dat verliep van links naar rechts; vanaf een weke delen defect tussen 4e en 5e rib circa 44 mm ten opzichte van de tepel naar het hartzakje. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het veroorzakend steekwapen een lengte had van tenminste circa 3,5 cm.

Naar het oordeel van het hof levert de handelwijze van verdachte - het steken in de borst onder de linkertepel met een mes dat een lengte had van tenminste circa 3,5 cm - naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat daarbij één of meer vitale organen worden geraakt dan wel dat ernstig bloedverlies zal volgen en dat het slachtoffer ten gevolge van die verwondingen overlijdt. De verdachte heeft die aanmerkelijke kans door te handelen als voormeld willens en wetens aanvaard.

Dat de verdachte met kracht heeft gestoken acht het hof bewezen op grond van de verklaring van de aangever, inhoudende dat hij zag dat de verdachte hem een stomp op zijn linkerborst gaf, waarna hij ineens voelde dat zijn borst warm werd en hij bloed zag, alsmede op grond van het bij aangever geconstateerde letsel, zoals hiervoor weergegeven.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [benadeelde partij] niet opzettelijk heeft gestoken met het door hem gehanteerde mes, maar dat [benadeelde partij] met zijn linkerborst in het mes dat hij, verdachte, in één van zijn tot vuisten gebalde handen vasthield - die hij in een enigszins ineengedoken houding uit zelfverdediging voor zijn hoofd hield – is terechtgekomen nadat hij, [benadeelde partij], uit balans was geraakt door het maken van een vuistslagbeweging in zijn, verdachte’s, richting.

Gelet op de verklaring van [benadeelde partij] en het bij [benadeelde partij] geconstateerde letsel, in het bijzonder de plaats en de diepte van de steekwond, is het hof van oordeel dat de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen en mitsdien niet aannemelijk is geworden.

Het hof acht de verklaring van [benadeelde partij] dat hij zag dat de verdachte hem een stomp op zijn linkerborst gaf, waarna hij ineens voelde dat zijn borst warm werd en hij bloed zag, betrouwbaar. Daarbij overweegt het hof dat de aangever consistent heeft verklaard en dat die verklaring past bij het geconstateerde letsel.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden volgens art. 41, eerste lid, Sr. in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het procesdossier, in het bijzonder de door de aangever afgelegde verklaring, gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Tijdens een woordenwisseling over een beweerdelijke door de verdachte pleegde diefstal van een aan de aangever toebehorend geldbedrag heeft de verdachte de aangever opzettelijk met een mes in zijn linkerborst gestoken, terwijl deze dicht voor hem stond.

Voor de verklaring van de verdachte omtrent de toedracht van het ten laste gelegde die erop neerkomt dat hij heeft gehandeld uit noodweer tegen de aangever die volgens de verdachte zeer agressief was en hem meermalen met zijn vuisten sloeg en bedreigde, biedt het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen enkele steun. Bij de verdachte is geen enkel letsel geconstateerd dat steun kan bieden aan zijn verklaring dat hij door de aangever zou zijn geslagen.

De verklaring van de aangever wordt daarentegen ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Derhalve acht het hof de door de verdediging aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke gang van zaken niet aannemelijk geworden.

Nu naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces evenmin.

Het hof verwerpt het verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de strafbaarheid van de verdachte ter zake uitsluit. Het bewezen verklaarde is strafbaar en de verdachte is strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden bij de reclassering zo frequent als GGZ Reclassering Palier zulks noodzakelijk acht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer tijdens een woordenwisseling over een vermeende diefstal van een geldbedrag met een mes in de borst te steken.

Dit is een zeer ernstig feit, dat potentieel dodelijk letsel bij het slachtoffer heeft veroorzaakt en gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt. Dat het slachtoffer het op hem uitgeoefende geweld heeft overleefd is geenszins aan de verdachte te danken, doch aan adequaat medisch ingrijpen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2015, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapporten, waaronder het rapport van GGZ Reclassering Palier van 4 maart 2015, opgemaakt en ondertekend door S. Tissen, reclasseringswerker, onder supervisie van C. Smalt, leidinggevende.

Dit rapport houdt onder meer in dat er bij de verdachte inmiddels sprake lijkt te zijn van een attitude-verandering. De verdachte toont meer inzicht in zijn eigen problemen, mede dankzij de reeds opgestarte behandeling bij De Waag, voor onder meer drugs- en alcoholgebruik. Voorts heeft de verdachte tegenover de reclassering te kennen gegeven dat hij zich realiseert dat hij zonder begeleiding en behandeling zelf niet in staat is om een maatschappelijk geaccepteerd bestaan op te bouwen.

Zijn behandelaar bij De Waag is positief over zijn ontwikkeling en inzet. Het continueren van deze behandeling is een belangrijk onderdeel binnen verdachte’s maatschappelijke re-integratie en dient derhalve tijdens de faseringsfasen gecontinueerd te worden, aldus de rapporteur.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij gemotiveerd is om de ingezette behandeling bij De Waag voort te zetten en dat hij hulp van de reclassering zal aanvaarden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zal het hof de bijzondere voorwaarden verbinden dat de verdachte zich gedurende proeftijd zal melden bij de reclassering zo frequent als GGZ Reclassering Palier zulks noodzakelijk acht, alsmede dat de reeds aangevangen behandeling van de verdachte bij de Forensische Polikliniek De Waag zal worden voortgezet.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde.

De vordering bevat de volgende posten:

Smartengeld € 7.500,00

Spiroflor zalf 9,95

Verplicht eigen risico 350,00

Parkeerkosten 9,80

Reiskosten 11,20

Kleding 179,90

€ 8.060,85

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot aan dit bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaategel.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering voor zover deze betrekking heeft op immateriële schade dient te worden afgewezen.

Voor zover de vordering betrekking heeft op geleden materiële schade, is deze niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade, een bedrag van € 560,85, is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden toegewezen.

Het hof is daarnaast van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.560,85 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich zal melden bij GGZ Reclassering Palier, Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN Den Haag, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling zulks noodzakelijk acht en

2. de reeds aangevangen behandeling van de verdachte bij de Forensische Polikliniek De Waag gedurende de proeftijd zal worden voortgezet, teneinde zich te laten behandelen voor de bij hem gesignaleerde (verslavings-)problematiek.

Geeft aan deze reclasseringsinstellingen opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.560,85 (vijfduizend vijfhonderdzestig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 560,85 (vijfhonderdzestig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde partij], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.560,85 (vijfduizend vijfhonderdzestig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 560,85 (vijfhonderdzestig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C. Langeler,

mr. S. van Dissel en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 oktober 2015.

Mr. I.P.A. van Engelen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.