Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2962

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
22-000438-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan twee inbraken, huisvredebreuk en wederspannigheid; dat laatste door zich met geweld tegen een opsporingsambtenaar te verzetten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000438-15

Parketnummers: 09-819599-14, 09-842418-14 en 09-837287-14

Datum uitspraak: 29 september 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 september 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-819599-14 onder 1, 2 en 3 (gevoegd ter berechting 09-842418-14) ten laste gelegde en van het bij dagvaarding met parketnummer 09-837287-14 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen met parketnummers 09-819599-14 en 09-837287-14. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden. Het ten laste gelegde houdt in dat:

1:


hij op of omstreeks 13 augustus 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (kleding)winkel (Seasons in Style) heeft weggenomen (in totaal) (ongeveer) vijftig euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of (winkelbedrijf) Seasons in Style, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door door een (stoep)tegel, althans een soortgelijk voorwerp door een ruit van de (voor)deur te gooien;

2:

hij op of omstreeks 21 oktober 2014 te 's-Gravenhage toen de aldaar dienstdoende [benadeelde partij 2] (hoofdagent van politie Eenheid Den Haag) en/of [benadeelde partij 3] (hoofdagent van politie Eenheid Den Haag) verdachte - buiten heterdaad - op verdenking van het overtreden van artikel 310/311 Wetboek van strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten (een) politiebureau (Hoefkade), zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig (met kracht) in (een) andere richting(en) dan die waarin die ambtenaren verdachte trachten te begeleiden en/of (met kracht) tegen/op het (rechter) (scheen)been van die [benadeelde partij 3] te schoppen/trappen en/of (met kracht) een (achterwaartse) kopstoot in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd van die [benadeelde partij 3] te geven, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [benadeelde partij 3] enig lichamelijk letsel (zwelling aan de binnenzijde van de wang en/of lip en/of een blauwe plek op/bij de lip) bekwam;

3:

hij op of omstreeks 03 augustus 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij 4], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s) wederrechtelijk is binnengedrongen;

4:


hij op of omstreeks 01 juli 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand (horecabedrijf [x], gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5] en/of horecabedrijf [x], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met een steen, althans met een soortgelijk hard en/of stevig voorwerp, een ruit van dat voornoemde (bedrijfs)pand ingegooid en/of ingeslagen en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) door de (aldus) ontstane opening dat (bedrijfs)pand binnengeklommen/binnengegaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op of omstreeks 13 augustus 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (kleding)winkel (Seasons in Style) heeft weggenomen (in totaal) (ongeveer) vijftig euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of (winkelbedrijf) Seasons in Style, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door een (stoep)tegel, althans een soortgelijk voorwerp door een ruit van de (voor)deur te gooien;

2:


hij op of omstreeks 21 oktober 2014 te 's-Gravenhage toen de aldaar dienstdoende [benadeelde partij 2] (hoofdagent van politie Eenheid Den Haag) en/of [benadeelde partij 3] (hoofdagent van politie Eenheid Den Haag) verdachte - buiten heterdaad - op verdenking van het overtreden van artikel 310/311 Wetboek van strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten (een) politiebureau (Hoefkade), zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig (met kracht) in (een) andere richting(en) dan die waarin die ambtenaaren verdachte trachten te begeleiden en/of (met kracht) tegen/op het (rechter) (scheen)been van die [benadeelde partij 3] te schoppen/trappen en/of (met kracht) een (achterwaartse) kopstoot in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd van die [benadeelde partij 3] te geven, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [benadeelde partij 3] enig lichamelijk letsel (zwelling aan de binnenzijde van de wang en/of lip en/of een blauwe plek op/bij de lip) bekwam;

3:


hij op of omstreeks 03 augustus 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij 4], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s) wederrechtelijk is binnengedrongen;

4:


hij op of omstreeks 01 juli 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand (horecabedrijf [x], gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5] en/of horecabedrijf [x], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met een steen, althans met een soortgelijk hard en/of stevig voorwerp, een ruit van dat voornoemde (bedrijfs)pand ingegooid en/of ingeslagen en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) door de (aldus) ontstane opening dat (bedrijfs)pand binnengeklommen/binnengegaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep -op gronden als vermeld in de overgelegde pleitnotities- op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Inbraak Seasons in Style

De aangever, [benadeelde partij 1], heeft verklaard dat er in de nacht van 12 op 13 augustus 2014 is ingebroken in de kledingwinkel Seasons in Style, gevestigd aan de [adres] te Den Haag. Hij heeft voorts verklaard dat er ongeveer € 50,- aan wisselgeld gestolen is.

Tijdens een sporenonderzoek werd er op de zijkant van de kassa een bloedspoor aangetroffen. Na vergelijkend onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) leverde het bloedspoor een match op met de verdachte.

De verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in die winkel een rode jas voor zijn vriendin heeft gekocht en dat hij bij die gelegenheid een wondje aan zijn hand had en dat er bij het afrekenen bloed op de kassa is achter gebleven.

Het hof acht deze verklaring van de verdachte echter onaannemelijk en weegt daarbij mee dat de verdachte deze verklaring pas voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, terwijl hij eerder bij de politie heeft verklaard de winkel niet te kennen en zich te beroepen op zijn zwijgrecht.

Verder is deze verklaring op geen enkele wijze verifier-baar, nu de verdachte niet heeft verklaard op welke datum hij in de winkel is geweest en hij daarnaast niet over een bonnetje van de aankoop beschikt. Hierdoor kan een eventuele bankafschrijving niet worden opgevraagd en kan de aanwezigheid van verdachte op een eerdere datum ook niet op andere wijze worden bevestigd.

Tot slot overweegt het hof nog dat de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft gezegd dat hij met contant geld heeft betaald en niet heeft kunnen aangegeven hoe een bloedveeg van de verdachte op de kassa kan zijn terechtgekomen, nu het een feit van algemene bekendheid is dat bij een dergelijke betalingshandeling de kassa door de ‘klant’ niet behoeft te worden aangeraakt.

Het hof acht op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 13 augustus 2014 een stoeptegel door de ruit van de voordeur van Seasons in Style heeft gegooid en vervolgens € 50,- uit de kassa heeft weggenomen.

Wederspannigheid

Op 21 oktober 2014 heeft verbalisant [benadeelde partij 3] verklaard dat de verdachte, op het moment dat [benadeelde partij 3] en een andere verbalisant verdachte wilden aanhouden, met zijn voet een trap richting de scheenbeen van [benadeelde partij 3] gaf, waarna [benadeelde partij 3] direct een harde trap tegen zijn rechterscheenbeen voelde. Toen [benadeelde partij 3] en zijn collega [benadeeld partij 6] de verdachte in het surveillancevoertuig wilden plaatsen, zagen zij dat de verdachte een kopstoot naar achter gaf richting het gezicht van [benadeelde partij 3]. [benadeelde partij 3] voelde dat verdachte hem raakte en hij voelde direct een hevige pijn op zijn lip.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij zich verzet heeft bij zijn aanhouding omdat hij niet het respect kreeg, dat hij moest krijgen en “het kan dan gebeuren dat mijn hoofd naar achteren gaat”.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij bang was dat hij met zijn hoofd tegen de deurlijst aan zou komen en dat hij daarom zijn hoofd in een reflex naar achteren heeft bewogen.

De stelling van de raadsman dat er geen sprake is van opzet op de wederspannigheid, acht het hof niet aannemelijk geworden. Gelet op de toedracht zoals ‘naar waarheid en geweten’ opgenomen in het process-verbaal van aanhouding, verzette de verdachte zich welbewust.

Het hof acht de beschrijving door de verbalisanten van de gang van zaken betrouwbaar. Hierbij weegt hij mee dat verbalisanten het op de kopstoot volgende onprofessionele gedrag van [benadeelde partij 3] (het in het gezicht slaan van de geboeide verdachte) ook hebben opgenomen in het proces-verbaal. Hieruit leidt het hof af dat verbalisanten de feiten niet hebben willen verdraaien.

Het hof acht op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van verbalisant [benadeelde partij 3].

Huisvredebreuk

[benadeelde partij 4] heeft op 3 augustus 2014 aangifte gedaan van een overval op zijn woning, gelegen aan de [adres] te Den Haag. De aangever heeft verklaard dat hij een man en een vrouw zag staan, dat de man hem de woning induwde en dat hij via facebook erachter was gekomen dat de vrouw [medeverdachte] heette en de man [verdachte]. Bij de politie heeft de aangever een foto van de verdachte gezien en heeft hij de verdachte herkend als de man die zijn woning is binnengedrongen.

De overbuurvrouw van aangever, mevrouw [getuige], heeft verklaard dat zij op 3 augustus 2014 een man en een vrouw voor de woning met nummer [x] zag rondhangen. Toen zij een knal hoorde, zag zij dat haar overbuurman schreeuwend uit de woning kwam en riep ‘opkankeren’. Vervolgens zag zij dat de man en de vrouw de man (het hof begrijpt: de aangever) de woning induwden en vervolgens daar binnendrongen. Daarna zag zij de man (het hof begrijpt: de verdachte) weer de woning uitkomen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de man tegen [medeverdachte] en de verdachte had verteld dat hij drugs voor hen zou kopen en dat de man de deur van de woning niet open deed toen [medeverdachte] en verdachte terugkwamen. Hierop is de verdachte kwaad geworden en begon hard tegen het raam van de woning te trappen. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat zij zag dat de man de deur van zijn woning openende en dat verdachte de man hardhandig de gang induwde en de woning inliep.

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij samen met [medeverdachte] (medeverdachte bij [aangever], aangever, was geweest, dat [aangever] drugs voor hen zou kopen en dat [medeverdachte] en hij buiten moesten wachten. Vervolgens deed [aangever] de deur niet open. Verdachte heeft verklaard dat hij opgefokt was. Hij heeft [aangever] naar binnen geduwd, toen [aangever] de deur opende, omdat [medeverdachte] en hij hun spullen wilden pakken.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte alleen de woning in is gegaan om de stok van aangever af te pakken om zodoende het gevaar af te wenden en voorts om de goederen uit de woning te halen, en dat de verdachte derhalve geen opzet had om in die woning te zijn.

Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het verdachte duidelijk was dat de aangever niet wilde dat verdachte de woning in zou gaan. Desondanks is hij de woning binnengegaan, waarbij hij de aangever heeft weggeduwd. Uit deze handelwijze blijkt de opzet tot het wederrechtelijk binnendringen van de woning. Dat verdachte dan wel medeverdachte [medeverdachte] nog spullen in de woning van [aangever] hadden liggen, doet daar niets aan af en rechtvaardigt het binnendringen evenmin.

Het hof is overigens van oordeel dat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] die gericht was op het wederrechteljk binnendringen van de woning van [aangever]. Het hof zal daarom de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Het hof acht op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wederrechtelijk de woning van [aangever] is binnengedrongen.

Inbraak café [x]

Op 1 juli 2014 heeft [benadeelde partij 5], eigenaar van café [x] gelegen aan de [adres] te Den Haag, aangifte gedaan van inbraak in voornoemd café, waarbij uit de kassa € 250,- is weggenomen en er een redelijk klein bedrag aan muntgeld uit de gokkasten is meegenomen.

Tijdens het sporenonderzoek werd er op een glaslat en op een zogeheten geldhopper bloed aangetroffen.

Na vergelijkend onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) leverde het bloedspoor een match op met de verdachte.

Verbalisant [verbalisant] heeft camerabeelden van de aangever uitgekeken. Op de beelden is te zien dat een man, man 2, een steen pakt en samen met een andere man, man 1, naar de voordeur van café [x] loopt. Vervolgens pakt man 1 de steen en gooit deze tegen de voordeur van café [x]. Beide mannen kijken vervolgens bij de deur. Even later klimt man 1 via de voordeur naar binnen. Man 1 rent onmiddellijk naar de achterzijde van het café waar de kassa staat. Als man 1 weer naar het voorste gedeelte van het café loopt heeft hij een plastic tas in zijn handen. Vervolgens gaat hij naar de gokkast, opent deze en stopt goederen in de plastic tas. Daarna rent man 1 naar de achterzijde van het café. Man 2 rent op dat moment ook weg. Man 2 heeft in de tijd dat man 1 in het café was, constant voor het café gestaan.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij alarm hoorde toen hij langs het café liep, dat hij zag dat er een gat in de ruit van de voordeur zat en dat hij vervolgens naar binnen is gegaan. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij daar niemand gezien heeft, dat hij binnen geld wilde pakken dat op de grond lag, maar dat hij daar het moment niet voor kreeg.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat de verdachte in het café is geweest toen de inbraak al was gepleegd.

Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van de verdachte onaannemelijk. Daarbij betrekt het hof dat de verklaring van de verdachte eerst ter zitting

is gegeven en dat niet aannemelijk is dat, indien op de beelden te zien zou zijn dat kort nadat de inbrekers zijn vertrokken nog een ander binnen zou zijn geweest, dit niet zou zijn gerelateerd door de verbalisant die de camerabeelden heeft uitgekeken. Ook buurman Herrie, die de inbrekers heeft gezien, en overeenkomstig de beelden een inbreker over een schutting heeft zien vluchten en kort na het incident is gaan kijken bij de voordeur van het café, maakt geen melding van een andere persoon die in café [x] zou zijn geweest.

Het hof acht op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan de inbraak in het café [x].

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het hof mocht komen tot een bewezenverklaring, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de rest van de camerabeelden te laten bekijken en daarvan proces-verbaal op te laten stellen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat de noodzaak daartoe ontbreekt, nu alle relevante camerabeelden zich in het dossier bevinden en voorts de buurman, de heer Herrie, niet heeft verklaard dat hij iemand anders uit de winkel zag komen.

Het hof wijst het verzoek af.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander op 1 juli 2014 met een steen een ruit van café [x] heeft ingegooid en dat verdachte café [x] is binnengegaan en geld heeft weggenomen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Wat betreft de onderbouwing van het verweer verwijst het hof –kortheidshalve- naar hetgeen daaromtrent in de overgelegde pleitnotities is verwoord, te weten dat niet uitgesloten kan worden dat de aangever met een stok stond te zwaaien, waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terecht-zitting in hoger beroep is niet komen vast te staan dat de aangever met een stok stond te zwaaien – zoals door de raadsman betoogd - toen hij naar buiten kwam zodat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en derhalve geen sprake is van een noodweersituatie als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Het hardhandig naar binnen duwen van de aangever in diens woning kan derhalve evenmin worden gezien als een noodzakelijke verdediging daartegen.

Het beroep op noodweer dient dan ook te worden verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

Het in de zaak onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde levert op:

1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

3 in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 350,-, met oplegging van een schade-vergoedingsmaatregel.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan twee inbraken, huisvredebreuk en wederspannigheid; dat laatste door zich met geweld tegen een opsporingsambtenaar te verzetten. Dit zijn vervelende feiten. Met name bij de inbraken in een café en een kledingwinkel heeft de verdachte voor de betrokkenen financiële schade en overlast veroorzaakt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht van de behandeling van de zaak voor een periode van negen maanden aan te houden, zodat de verdachte in die periode kan laten zien dat hij zijn leven daadwerkelijk heeft gebeterd.

Het hof wijst het verzoek af, nu de noodzaak daartoe ontbreekt.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en onder de bijzondere voorwaarde als hierna vermeld, een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 350,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 350,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte gemotiveerd betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 150,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 150,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 63, 138, 181 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (drie) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatie-plicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de [benadeelde partij 3]lijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde partij 3], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. Th.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 september 2015.

Mr. Th.P.L. Bot is buiten staat dit arrest te ondertekenen.