Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2956

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
200.177.172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag op woonvertrekken voor een boorplatform. Zaaksvorming in de zin van artikel 5:16 BW. Opdrachtgever doet in dit geval voor zichzelf vormen. Dat het materiaal mogelijk eigendom was van de opdrachtnemer is dan niet relevant.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 16
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2016/22 met annotatie van mr. drs. T.E. Booms
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.177.172/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/483484/KG ZA 15-935

Arrest in kort geding van 27 oktober 2015

inzake

1 IEMANTS N.V.,

gevestigd te Arendonk, België,

2. EIFFAGE CONSTRUCTION METALIQUE SAS,

gevestigd te Colombes Cedex, Frankrijk,

appellanten,

hierna te noemen: Iemants c.s. (enkelvoud),

advocaat: mr. R.J. Kwaak te Nijmegen,

tegen

CKT MARINE SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: CKT,

advocaat: mr. J.T. Verheij te Rotterdam.

1 Het geding

1.1.

Bij exploot van 22 september 2015 is Iemants c.s. in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 18 september 2015.

1.2.

Bij memorie van grieven met producties heeft Iemants c.s. vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft CKT de grieven bestreden.

1.3.

Vervolgens hebben partijen op 16 oktober 2015 de zaak doen bepleiten, Eiffage c.s door mr. Kwaak en mr. J.H.S. Kloots en CKT door mr. Verheij en mr. P.J.B. Heemskerk, aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1.

Het hof zal bij de beoordeling van de zaak uitgaan van de volgende feiten.

2.2.

CKT richt zich onder andere op industriële constructieopdrachten en houdt zich in dat kader onder meer bezig met het bouwen van offshore-accommodaties en -faciliteiten.

2.3.

Iemants is een Belgisch staalconstructiebedrijf dat de engineering, productie, levering en montage van staalconstructies verzorgt. Eiffage is een Frans staalconstructiebedrijf.

2.4.

CKT en Iemants c.s. zijn een overeenkomst aangegaan met betrekking tot het zogenaamde Aasta Hansteen-project. Dit project is gericht op het ontginnen van het Aasta Hansteen-gasveld ten westen van Noorwegen en de bouw en installatie van de daarvoor benodigde infrastructuur, waaronder een gasproductieplatform (hierna: ‘het platform’).

2.5.

Opdrachtgever van het Aasta Hansteen-project is het Noorse Statoil. Het Zuid-Koreaanse Hyundai Heavy Industries (hierna: ‘HHI’) is de hoofdaannemer.

2.6.

Ten behoeve van de bouw van het zogeheten ‘living quarter with helideck’ (hierna: ‘de woonvertrekken’) dat op het platform geplaatst zal worden heeft HHI CKT als onderaannemer ingeschakeld. Naar aanleiding daarvan is tussen HHI (als opdrachtgever) en CKT (als opdrachtnemer) op 28 februari 2013 een onderaannemingsovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan CKT verantwoordelijk is voor de bouw van de woonvertrekken.

2.7.

Vervolgens heeft CKT op haar beurt een deel van de werkzaamheden aan de woonvertrekken aan Iemants c.s. uitbesteed. Naar aanleiding daarvan hebben CKT (als opdrachtgever) en Iemants c.s. (als opdrachtnemer) op 18 april 2013 een onderaannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Iemants c.s. gehouden is (onderdelen van de) staalstructuur ten behoeve van de woonvertrekken, alsmede bepaalde bouwtechnische diensten en documenten aan CKT te leveren.

2.8.

Onderdeel van de tussen CKT en Iemants c.s. gesloten onderaannemings-overeenkomst zijn de NTK 07-voorwaarden.

2.9.

Naar aanleiding van een tussen partijen gerezen meerwerkdiscussie heeft Iemants c.s. in Noorwegen een arbitrale procedure aangebracht.

2.10.

Iemants c.s. heeft bij verzoekschrift van 9 april 2015 de voorzieningenrechter te Rotterdam verzocht om te mogen overgaan tot het doen leggen van conservatoir beslag ten laste van CKT op de woonvertrekken.

2.11.

Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam verlof verleend, waarbij - voor zover in dit kader van belang - het volgende is bepaald:

(…) beslag te leggen ter zake van de begrote vordering op de hiervoor nader aangeduide roerende zaak die zich bevindt in de haven van Rotterdam, haven van Rotterdam / Schiedam op de terreinen van Mammoet aan de Karel Doormanweg 47 /Haven 580 voor zover bedoelde zaken eigendom zijn van Gerekwestreerde en vatbaar zijn voor beslag; (…)

2.12.

Vervolgens is op 16 april 2015 door Iemants c.s. ten laste van CKT conservatoir beslag gelegd op:

een living quarter van zeven verdiepingen (in aanbouw), bestemd voor het Aasta Hansteem Platform, inclusief toebehoren, waaronder 108 slaapvertrekken, ventilatiesystemen, bekabeling, watertoevoer en -afvoer, vriescellen, compressoren.

Hierbij heeft de deurwaarder het Havenbedrijf verzocht de betrokken instanties, waaronder de Dienst Zeehaven, van het beslag en de gevolgen daarvan op de hoogte te stellen, waarmee het beslagen object gesignaleerd staat en de haven niet mag verlaten dan na toestemming van de deurwaarder of opheffing van het beslag.

3 Het geschil

3.1.

CKT heeft in eerste aanleg gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. Iemants c.s. beveelt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis:

( i) het beslag op te heffen; en

(ii) CKT schriftelijk te machtigen om namens Iemants c.s. de deurwaarder die het beslag heeft gelegd te instrueren het Havenbedrijf (Port of Rotterdam) en de betrokken instanties, waaronder de Dienst Zeehaven, van de opheffing van het beslag en het feit dat de woonvertrekken de haven mogen verlaten op de hoogte te stellen, althans Iemants c.s. te bevelen de deurwaarder die het beslag heeft gelegd, zelf overeenkomstig te instrueren,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat Iemants c.s. in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 1.500.000,00;

2. Iemants c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan CKT van de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

CKT heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij geen eigenaar is van de woonvertrekken en dat de woonvertrekken zodoende niet vatbaar waren voor het beslag, waarbij komt dat Iemants c.s. geen verlof is verleend tot het doen leggen van beslag op zaken die geen eigendom zijn van CKT.

3.3.

Iemants c.s. heeft verweer gevoerd.

3.4.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen grotendeels toegewezen omdat naar zijn voorlopig oordeel Statoil krachtens artikel 5:16 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) door zaaksvorming eigenaar van de woonvertrekken is geworden.

3.5

Iemants c.s. heeft tegen deze beslissing appel ingesteld. Zij vordert in hoger beroep - samengevat - dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de vordering van CKT alsnog afwijst, met veroordeling van CKT in de proceskosten in beide instanties.

4 Beoordeling van het hoger beroep

inleiding

4.1.

Niet in geschil is dat de vraag wie eigenaar is van de woonvertrekken moet worden beoordeeld op basis van het Nederlandse goederenrecht omdat de woonvertrekken zich op Nederlands grondgebied bevinden (artikel 10:127 BW).

4.2.

Evenmin in geschil is dat de woonvertrekken waarop beslag is gelegd moeten worden aangemerkt als een ‘nieuwe zaak’ in de zin van artikel 5:16 BW.

4.3.

Het hof stelt voorop dat de vraag wie de eigenaar is van de woonvertrekken in dit geval moet worden beantwoord aan de hand van de in artikel 5:16 BW opgenomen regels van eigendomsverkrijging door zaaksvorming. In dit verband is van belang wie de woonvertrekken ‘voor zichzelf’ heeft gevormd of doen vormen in de zin van artikel 5:16 lid 2 BW. Tevens kan van belang zijn wie de eigenaar was van de materialen waaruit de woonvertrekken zijn gevormd. Partijen strijden over het antwoord op de vraag wie de woonvertrekken ‘voor zichzelf’ heeft gevormd of doen vormen en wie eigenaar was van de gebruikte materialen. Die vragen zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld.

een ander dan CKT heeft de woonvertrekken voor zichzelf doen vormen

4.4.

Vast staat dat HHI aan CKT opdracht heeft gegeven om de woonvertrekken ten behoeve van het platform te maken en dat HHI daartoe op haar beurt van Statoil de opdracht had gekregen. De vraag of iemand die in opdracht van een ander een zaak vormt die zaak niettemin voor zichzelf vormt, danwel dat de opdrachtgever die zaak voor zichzelf doet vormen in de zin van artikel 5:16 lid 2 BW, hangt af van hetgeen in het licht van de daarop betrekking hebbende verkeersopvattingen uit de rechtsverhouding tussen partijen (in casu HHI en CKT) voortvloeit. Bij een industriële fabricage zal het daarbij aankomen op de vraag wie beslissende invloed had op de wijze van productie en de definitieve vorm van het product en wie in het kader van die rechtsverhouding het risico droeg ter zake van verliezen wegens tegenvallende bruikbaarheid, verhandelbaarheid of winstgevendheid van het product. In dat verband is onder meer relevant of iemand werkt volgens gedetailleerde beschrijvingen van een ander en voor wie het eindproduct bruikbaar is (HR 5 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9190, Breda/Antonius).

4.5.

Toetsend aan de hiervoor genoemde maatstaf moet worden geoordeeld dat CKT de woonvertrekken niet voor zichzelf heeft gevormd, maar dat Statoil of HHI de woonvertrekken voor zichzelf heeft doen vormen in de zin van artikel 5:16 lid 2 BW. In eerste aanleg heeft Iemants c.s. ook zelf geconcludeerd dat CKT de woonvertrekken niet voor zichzelf, maar voor Statoil heeft gevormd (pleitnota eerste aanleg onder 43). Het hof begrijpt dat Iemants c.s. in hoger beroep het tegenovergestelde betoogt. Dat betoog kan om de volgende redenen niet slagen.

4.6.

Ten eerste bevat de aannemingsovereenkomst tussen CKT en HHI een bepaling inhoudende dat niet CKT, maar HHI al gaandeweg het productieproces de eigenaar van de woonvertrekken (in wording) zou worden. CKT heeft in dit verband verwezen naar de in die overeenkomst van toepassing verklaarde NTK 07 voorwaarden, waarvan artikel 22.1 voor zover hier relevant, als volgt luidt: ‘Title to the Deliverables shall pass to Company progressively as the Work is being performed […].’ Niet in geschil is dat in het kader van de overeenkomst tussen CKT en HHI het begrip ‘Deliverables’ duidt op de woonvertrekken en het begrip ‘Company’ op HHI. Volgens CKT geldt een vergelijkbare bepaling in de relatie tussen Statoil en HHI. Het voorgaande is een belangrijke aanwijzing dat de rechtsverhouding tussen HHI en CKT zodanig was dat CKT de woonvertrekken niet voor zichzelf vormde. CKT stelt als contractspartij bovendien zélf – Iemants c.s. was bij deze overeenkomst niet betrokken – dat de overeenkomst met HHI deze inhoud had en dat zij niet ‘voor zichzelf’ vormde. Deze stelling/uitleg van de contractspartij CKT vormt eveneens een belangrijke aanwijzing.

4.7.

Ten tweede staat vast dat de woonvertrekken niet bruikbaar zijn voor CKT. CKT heeft onbestreden aangevoerd dat de woonvertrekken specifiek zijn ontworpen voor toepassing op het te bouwen platform van Statoil en dat de woonvertrekken mede daarom uitsluitend bruikbaar zijn voor Statoil.

4.8.

Ten derde moet voorshands worden aangenomen dat niet CKT, maar Statoil een beslissende invloed heeft gehad op de wijze van productie en de definitieve vorm van de woonvertrekken. CKT stelt uitdrukkelijk dat dit het geval is en heeft ter toelichting daarvan aangevoerd dat zij op grond van haar overeenkomst met HHI verplicht was

i) de woonvertrekken te realiseren op basis van gedetailleerde specificaties en vereisten van Statoil, en

ii) de resultaten van engineeringwerkzaamheden ter goedkeuring voor te leggen aan Statoil.

Ter onderbouwing daarvan heeft CKT verklaringen overgelegd van Statoil en HHI die uitdrukkelijk bevestigen dat Statoil een ‘decisive influence’ had op het ontwerp en de bouw van de living quarters (producties 17 en 18 van CKT). Daarbij verwijzen zij naar gedetailleerde specificaties en vereisten die als bijlage E bij de overeenkomsten tussen Statoil en HHI, HHI en CKT, en CKT en Iemants c.s. zijn gevoegd.

4.9.

Ten vierde moet worden aangenomen dat niet CKT, maar Statoil het risico draagt van verliezen wegens tegenvallende bruikbaarheid van de woonvertrekken. CKT hoefde slechts een commercieel verantwoorde prijs voor haar werkzaamheden te bedingen. Het enige risico dat zij vervolgens loopt, is dat zij het werk niet juist uitvoert. In eerste aanleg heeft Iemants c.s. zelf ook betoogd dat onder die omstandigheden ‘uiteraard’ Statoil de partij is die het risico draagt (pleitnota eerste aanleg onder 46).

voldoende duidelijkheid over de contractuele relatie HHI - CKT

4.10.

Het verweer van Iemants c.s. dat geen argumenten kunnen worden ontleend aan de contractuele relatie tussen HHI en CKT omdat daarover onvoldoende bekend is, kan niet slagen. Ten eerste heeft CKT bij de memorie van antwoord de aannemingsovereenkomst tussen CKT en HHI overgelegd (productie 19 van CKT). De NTK 07 voorwaarden, die in de overeenkomst van toepassing worden verklaard, maken onderdeel uit van die productie. Ten tweede heeft CKT een verklaring overgelegd waarin een vertegenwoordiger van HHI uitdrukkelijk bevestigt dat artikel 22.1 van de NTK 07 van toepassing is in de rechtsverhouding tussen CKT en HHI, dat in die rechtsverhouding geen bedingen zijn overeengekomen die afwijken van dat artikel en dat Statoil een beslissende invloed heeft op het ontwerp en bouw van de woonvertrekken (productie 18 van CKT).

4.11.

De stellingen van Iemants c.s. dat CKT de verklaring van HHI heeft ‘voorgekauwd’ en dat HHI een belang heeft bij de uitkomst van deze procedure, zijn voorshands onvoldoende om de door CKT gestelde inhoud van haar contractuele relatie met HHI in twijfel te trekken. Het hof heeft namelijk geen inhoudelijke reden om aan te nemen dat HHI niet achter de inhoud van haar verklaring staat of dat die verklaring onjuist is. Iemants c.s. heeft dergelijke redenen ook niet aangevoerd en ruimte voor nadere bewijslevering is er niet in dit kort geding. Daar komt bij dat de inhoud van de verklaring van HHI wordt ondersteund door de overige producties, namelijk wat betreft de gelding van de NTK 07 door artikel 3 sub B van de overgelegde (onder)aannemingsovereenkomst (productie 19 van CKT) en wat betreft de invloed van Statoil op de vormgeving door de verklaring van Statoil (productie 17 van CKT).

4.12.

Het betoog van Iemants c.s. dat CKT geen inzage heeft gegeven in bijlage C bij de aannemingsovereenkomst tussen HHI en CKT, kan worden gepasseerd. Uitgaande van de juistheid van de verklaring van HHI, moet worden aangenomen dat in bijlage C in ieder geval geen afspraken zijn opgenomen die afwijken van artikel 22.1 NTK 07 of die kunnen afdoen aan de beslissende invloed van Statoil op het ontwerp en de bouw van de woonvertrekken.

contractuele relatie Statoil – HHI niet relevant

4.13.

Het betoog van Iemants c.s. dat niet kan worden vastgesteld of Statoil het platform voor zichzelf doet vormen omdat CKT geen volledig inzicht heeft gegeven in contractuele verhouding tussen Statoil en HHI, kan worden gepasseerd. Voor toewijzing van de vordering van CKT volstaat het om vast te stellen dat Statoil of HHI eigenaar van de woonvertrekken is. Wie van die twee de eigenaar is, doet er in deze procedure niet toe. In beide gevallen is CKT geen eigenaar van de woonvertrekken en kan het beslag dus geen doel treffen. Een volledig inzicht in de contractuele relatie tussen Statoil en HHI is daarom niet vereist.

bijlage D

4.14.

Bij pleidooi heeft Iemants c.s. voor het eerst een beroep gedaan op bepalingen uit bijlage D bij de (onder)aannemingsovereenkomst tussen CKT en HHI om te betogen dat CKT een beslissende invloed had op de productie en vorm van de woonvertrekken en het risico draagt van een tegenvallende bruikbaarheid daarvan. CKT heeft terecht aangevoerd dat het beroep van Iemants c.s. op deze bepalingen moet stranden op de in artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) besloten liggende twee-conclusies-regel.

4.15.

De twee-conclusies-regel brengt mee dat van een appellant in beginsel mag worden verlangd dat hij in zijn memorie van grieven niet alleen al zijn bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank aanvoert, maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in appel mede wenst te beroepen (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, r.o. 4.2.3.). Deze ‘in beginsel strakke regel’ beoogt een concentratie van het debat en een spoedige afdoening van het geschil en wordt mede gerechtvaardigd door het feit dat het debat in hoger beroep voortbouwt op hetgeen in eerste aanleg is geschied.

4.16.

Niet in geschil is dat het beroep van Iemants c.s. op de bepalingen uit bijlage D een nieuwe stelling vormt. Dat heeft Iemants c.s. bij pleidooi met zoveel woorden erkend. Iemants c.s. betoogt echter dat het beroep op die bijlage in het verlengde ligt van haar vierde grief. Dat betoog kan geen doel treffen. Met haar vierde grief heeft Iemants c.s. weliswaar bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Statoil de partij is die voor zichzelf doet vormen, maar daaraan heeft Iemants c.s. in haar memorie uitsluitend ten grondslag gelegd dat de rechtsverhouding tussen Statoil en HHI niet volledig bekend was. Argumenten ontleend aan de rechtsverhouding tussen HHI en CKT, zoals het beroep op bijlage D bij de overeenkomst tussen HHI en CKT, liggen niet in het verlengde van dat betoog. Op grond daarvan, en mede gelet op het feit dat bijlage D geen onderdeel uitmaakt van de processtukken, hoefde CKT (en het hof) zich redelijkerwijs niet voor te bereiden op een discussie over die bijlage bij pleidooi.

4.17.

Als Iemants c.s. heeft bedoeld te betogen dat zij haar beroep op bijlage D niet eerder naar voren heeft kunnen brengen omdat CKT de overeenkomst tussen HHI en CKT pas bij de memorie van antwoord heeft overgelegd, kan dat niet leiden tot een andere uitkomst. Aangenomen moet worden dat Iemants c.s. al bij het aangaan van haar overeenkomst met CKT op de hoogte was van het feit dat bijlage D onderdeel uitmaakte van de overeenkomst tussen HHI en CKT. In de overeenkomst tussen CKT en Iemants c.s. is namelijk overeengekomen dat de contractuele verplichtingen van CKT ten opzichte HHI één-op-één (back-to-back) worden overgenomen in de relatie tussen CKT en Iemants c.s. (artikel 8 sub B van de als productie 1 door CKT overgelegde overeenkomst tussen CKT en Iemants c.s.). Om die reden maakten het contract tussen HHI en CKT en het contract tussen CKT en Iemants c.s. gebruik van dezelfde bijlagen, waaronder de betreffende bijlage D, en heeft Iemants c.s. vóór het aangaan van de overeenkomst inzage gekregen in het contract tussen CKT en HHI. De toepasselijkheid van bijlage D in beide relaties heeft Iemants c.s. uitdrukkelijk erkend (voetnoot 2 bij paragraaf 26 van de pleitnota in hoger beroep). De bekendheid van Iemants c.s. met de rest van de overeenkomst tussen HHI en CKT blijkt genoegzaam uit artikel 8 sub B van de overeenkomst tussen CKT en Iemants c.s. waarin staat (de tekst tussen haken is een toevoeging van het hof): ‘Subcontractor [Iemants c.s.] agrees that it has examined and fully acquainted itself with the provisions of the Contract [de overeenkomst tussen HHI en CKT]’. Gelet op een en ander moet worden aangenomen dat Iemants c.s. wel in staat was het beroep op bijlage D al bij de memorie van grieven naar voren te brengen.

4.18.

Ten overvloede overweegt het hof dat als het beroep op bijlage D wel zou worden toegestaan, dat niet zou leiden tot een andere uitkomst. Uit de bepaling volgt - samengevat - dat CKT verplicht was ‘to complete the Living Quarters design’ en in het bijzonder om in de woonvertrekken aangebrachte ‘systems’ te ontwerpen met oog voor de veiligheid, de exploitatie en het onderhoud van de woonvertrekken. Daaruit kan naar voorlopig oordeel niet worden afgeleid dat CKT een beslissende invloed heeft gehad op de productie en vorm van de woonvertrekken. De bepalingen zijn namelijk goed verenigbaar met de stelling van CKT dat CKT (en haar onderaannemer Iemants c.s.) weliswaar bepaalde engineeringwerkzaamheden moest uitvoeren, maar dat die werkzaamheden moesten worden verricht binnen het kader van gedetailleerde specificaties en vereisten van Statoil en dat Statoil de resultaten van de engineeringwerkzaamheden moest goedkeuren.

4.19.

De door Iemants c.s. aangehaalde bepalingen van bijlage D zijn ook niet onverenigbaar met de stelling van CKT dat Statoil het risico draagt voor een tegenvallende bruikbaarheid van de woonvertrekken. Uit de bepalingen volgt dat CKT het risico draagt voor de correcte uitvoering van bepaalde engineeringwerkzaamheden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan echter niet worden aangenomen dat die werkzaamheden bepalender zijn voor de bruikbaarheid van de woonvertrekken dan de gedetailleerde specificaties en eisen die Statoil heeft gesteld. Daarom kan op basis van hetgeen Iemants c.s. heeft aangevoerd niet worden geconcludeerd dat het risico van een tegenvallende bruikbaarheid van de woonvertrekken in belangrijke mate bij CKT is gelegd.

eigendom materialen niet relevant

4.20.

Ervan uitgaande dat Statoil of HHI de woonvertrekken voor zichzelf heeft doen vormen, kan in het midden blijven wie de eigenaar was van de materialen waaruit de woonvertrekken zijn gevormd. Als Statoil of HHI eigenaar van de materialen was, zoals CKT stelt, is Statoil of HHI krachtens artikel 5:16 lid 1 BW eigenaar geworden van de woonvertrekken. Als CKT eigenaar van de materialen was, zoals Iemants c.s. stelt, is Statoil of HHI krachtens artikel 5:16 lid 2 BW eigenaar geworden. Artikel 5:16 lid 2 BW stelt wat betreft de eigendom van de materialen namelijk alleen de eis dat de materialen niet toebehoren aan de persoon die de nieuwe zaak voor zichzelf vormt of doet vormen. Dat de eigendom van de materialen (mogelijk) rustte bij de (onder)aannemer (i.c. CKT) van de persoon die de nieuwe zaak voor zichzelf doet vormen (i.c. Statoil of HHI), staat, anders dan Iemants c.s. meent, dus niet in de weg aan toepassing van artikel 5:16 lid 2 BW. Dat zal hierna worden toegelicht.

4.21.

Voorop staat dat de tekst van artikel 5:16 lid 2 BW duidelijk maakt dat de bepaling betrekking heeft op de situatie dat ‘iemand voor zichzelf een zaak vormt of doet vormen uit of mede uit een of meer hem niet toebehorende zaken’. ‘Hem’ verwijst in dit verband terug naar ‘iemand die voor zichzelf een zaak vormt of doet vormen’ (hierna: ‘de opdrachtgever’, i.c. Statoil of HHI) en niet mede naar de persoon die de nieuwe zaak voor die opdrachtgever maakt (hierna: ‘de opdrachtnemer’, i.c. CKT).

4.22.

Ook de ratio van artikel 5:16 lid 2 BW pleit voor toepassing van de in die bepaling opgenomen regel in de situatie dat de materialen toebehoren aan de opdrachtnemer. Uit de Toelichting Meijers blijkt dat de regel, die in het wetsontwerp van Meijers nog de hoofdregel voor zaaksvorming was, wordt gerechtvaardigd door het feit dat de nieuwe zaak een aanzienlijk deel van zijn waarde ontleent aan de vormgeving (T.M. bij artikel 5:16 BW, Parl. Gesch. Boek 5, p. 109). Toewijzing van de eigendom van de nieuwe zaak aan de persoon die voor zichzelf vormt of doet vormen moet blijkens de toelichting alleen achterwege blijven als de vormgeving ‘secundair’ is, dat wil zeggen als de kosten van de vorming dit wegens hun geringe omvang niet rechtvaardigen. De rechtvaardiging van de regel is dus gebaseerd op de waarde van de vormgeving en is niet afhankelijk van de vraag of de materialen eigendom zijn van de opdrachtnemer of een derde.

4.23.

Daarnaast blijkt uit de toelichting bij de Nota van Wijziging dat het toewijzen van de eigendom aan de persoon die voor zichzelf vormt of doet vormen de voorkeur verdient omdat een ander stelsel, met name in geval de onderdelen of stoffen van verschillende leveranciers afkomstig zijn, tot grote complicaties zou leiden (N.v.W. bij artikel 5:16 BW, Parl. Gesch. Boek 5, p. 111). Ook die achtergrond pleit voor toepassing van artikel 5:16 lid 2 in de situatie dat de materialen (gedeeltelijk) toebehoren aan de opdrachtnemer. Als de materialen bijvoorbeeld eigendom zouden zijn van verschillende opdrachtnemers, zou het niet-toewijzen van de eigendom van de nieuwe zaak aan de opdrachtgever tot de complicaties leiden die de wetgever heeft willen voorkomen. Die situatie doet zich weliswaar niet voor in deze zaak, maar is wel een ongerijmde consequentie van de door Iemants c.s. voorgestane uitleg.

4.24.

Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat de in paragraaf 4.22 gegeven uitleg van de ratio van artikel 5:16 lid 2 BW niet op gespannen voet staat met het oordeel van de Hoge Raad dat ‘voor de vraag wie door zaaksvorming eigenaar wordt in beginsel de geringe waarde van de gebezigde materialen in verhouding tot die van de gebezigde arbeid niet van belang is’ (HR 5 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9190, Breda/Antonius, r.o. 3.3). Zoals uit de tekst en context van die overweging blijkt, heeft de Hoge Raad daarmee bedoeld dat de verhouding tussen de waarde van het materiaal en de arbeid niet relevant is voor de beantwoording van de vraag wie voor zichzelf vormt of doet vormen. Een opdrachtnemer kan dus ook arbeid met een hoge toegevoegde waarde verrichten bij het vormen van een zaak voor zijn opdrachtgever in plaats van voor zichzelf. De Hoge Raad laat zich niet uit over de rechtvaardiging van de regel om de eigendom toe te wijzen aan de partij die voor zichzelf vormt of doet vormen en ook niet over de vraag of die rechtvaardiging van toepassing is in de situatie dat de materialen eigendom zijn van de opdrachtnemer. De Hoge Raad laat juist uitdrukkelijk in het midden wat zou gelden in het geval de producten zouden zijn vervaardigd uit door de opdrachtnemer zelf ingekocht materiaal, omdat die situatie zich niet voordeed in die zaak.

materialen deels eigendom Bayards

4.25.

Ten overvloede wijst het hof erop dat ook als voor de toepassing van artikel 5:16 lid 2 BW wel de eis zou gelden dat de materialen ten minste gedeeltelijk toebehoren aan een ander dan opdrachtgever en opdrachtnemer, Iemants c.s. zélf bij pleidooi naar voren heeft gebracht dat een deel van het materiaal waaruit CKT de woonvertrekken heeft gevormd, te weten het helikopterplatform, eigendom was van onderaannemer Bayards. In deze visie zou CKT dus evenmin eigenaar zijn geworden.

conclusie

4.26.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat Statoil of HHI, en niet CKT, eigenaar is geworden van de woonvertrekken. De voorzieningenrechter heeft dus terecht de vorderingen van CKT grotendeels toegewezen, wat er ook zij van de gronden waarop hij dat heeft gedaan. De grieven die Iemants c.s. naar voren heeft gebracht tegen die gronden kunnen dus niet leiden tot vernietiging. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd.

4.27.

Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal Iemants c.s. worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Tot die kosten behoren de nog te maken nakosten, waarvoor de onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft. Ingevolge artikel 237, derde lid, Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

5 Beslissing

Het hof

5.1.

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2015;

5.2.

veroordeelt Iemants c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van CKT begroot op € 711,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat;

5.3.

bepaalt dat Iemants c.s. de proceskosten binnen veertien dagen na betekening van dit arrest moet voldoen, bij gebreke waarvan Iemants c.s. daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit arrest;

5.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. P.H. Blok, mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville en mr. H.J.M. Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.