Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2924

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
22-001304-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 180, 266, 267 en 300 Sr. Veroordeling ter zake van 1. mishandeling, 2. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, en

3. wederspannigheid tot gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de mishandeling: Verwerping van verweren noodweer en (extensief) noodweerexces.

Ten aanzien van de belediging: verwerping van verweren ontbreken van opzet op belediging van de verbalisanten, en dat sprake is van de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in die zin dat de behartiging van de openbare belangen werd bekritiseerd, en meer subsidiair dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de veroordeling van de verdachte niet verenigbaar is met artikel 10 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001304-14

Parketnummer: 09-043056-14 en 09-048672-14

Datum uitspraak: 29 september 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 maart 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum]

adres: [. . ]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van
12 mei 2015 en 15 september 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-043056-14 onder 1 tot en met 3 (dagvaarding I) ten laste gelegde en het hem bij dagvaarding met parketnummer 09-048672-14 (dagvaarding II) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken met aftrek van voorarrest waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I:

1
hij op of omstreeks 23 februari 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend een persoon (te weten A), (meermalen) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/of tegen/op het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2
hij op of omstreeks 23 februari 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten
B en/of C (beiden hoofdagent van Politie Haaglanden), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Kankerjood! Jullie zijn een stel kankerjoden! Kankermongool! Vieze kankerhomo!” en/of “Hou je bek! Kankerblondje”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3
hij op of omstreeks 23 februari 2014 te 's-Gravenhage, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten C (hoofdagent van Politie Haaglanden), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, een kopstoot in/tegen/op het gezicht, in elk tegen/op het hoofd heeft gegeven, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Dagvaarding II (gevoegd):

hij op of omstreeks 2 maart 2014 te 's-Gravenhage, toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den), teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden en/of door één althans meermalen richting en/of tegen de/het licha(a)m(en) van die opsporingsambtena(a)r(en) te slaan en/of schoppen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding I onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent dat – mede gelet op de verklaring van de getuige C zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep – niet gesproken kan worden van het geven van een kopstoot door de verdachte, zodat vrijspraak daarvan dient te volgen.

Verweren van de verdediging

Nietigheid dagvaarding I feit 1

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep
– overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – samengevat betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde nietig dient te worden verklaard. Uit het dossier volgt dat er sprake is van twee geweldsincidenten. Uit de tenlastelegging volgt echter niet op welk incident het tenlastegelegde slaat, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft de bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde mishandeling bestaan uit twee geweldsincidenten. Naar het oordeel van het hof maakt de onderbreking (gedurende circa anderhalve minuut) van die incidenten niet dat de mishandeling niet als één feitencomplex kan worden aangemerkt. Voorts is uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat het de verdachte volkomen duidelijk is geweest waarvan hij werd verdacht en op welke gronden de vervolging heeft berust. Derhalve voldoet de tenlastelegging naar ’s hofs oordeel aan wettelijke vereisten zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Belediging dagvaarding I feit 2

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de door de verdachte geuite woorden niet dienen te worden geacht te zijn gebezigd om de bewuste verbalisanten persoonlijk in hun eer of goede naam aan te tasten, maar dat die woorden waren gericht tegen de politie in het algemeen. De verdachte heeft derhalve geen opzet gehad de persoon van de verbalisanten te beledigen, aldus de raadsman. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat er sprake is van de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in die zin dat de behartiging van de openbare belangen werd bekritiseerd en meer subsidiair dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de veroordeling van de verdachte niet verenigbaar is met artikel 10 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken in het dossier is naar het oordeel van het hof gebleken dat de door de verdachte gebruikte bewoordingen wel degelijk waren gericht tegen de persoon van de verbalisanten B en C. Daarbij overweegt het hof dat het bekritiseren van het functioneren van het handelen van verbalisanten – als de uitingen van de verdachte al zo zouden kunnen worden opgevat - niet uitsluit dat zij daarbij ook persoonlijk worden beledigd. Hieruit vloeit tevens voort dat de verdachte geen beroep toekomt op de door de raadsman aangevoerde strafuitsluitingsgrond nu het hof heeft vastgesteld dat de beledigingen niet ertoe hebben gestrekt uitsluitend een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen.

Ten aanzien van het door de raadsman meer subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof dat iedere burger het recht op vrijheid van meningsuiting toekomt. Dat recht is echter niet onbegrensd en kan – gezien artikel 10, tweede lid, EVRM – onder meer worden begrensd ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met de door hem gebruikte bewoordingen telkens die grens overschreden.

In aansluiting op het voorgaande en passend bij het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof dat de uitroep “fuck de koning” anders te kwalificeren is dan “fuck Willem-Alexander” en op gelijke wijze onder meer “Hou je bek! Kankerblondje" – tegen de onmiskenbaar blonde agent B (die zelf heeft aangegeven vaker als ‘blondje’ te worden aangeduid) anders te kwalificeren is dan (woorden als) “de politie moet zwijgen!”

Het hof verwerpt de door de raadsman gevoerde verweren.

Onrechtmatige aanhouding dagvaarding II

De raadsman heeft aangevoerd dat de aanhouding van de verdachte vanwege het redelijkerwijs ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, onrechtmatig moet worden geacht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat de verdachte is aangehouden ter zake van openbare dronkenschap, omdat hij kennelijk onder invloed was van alcohol en de orde op de Laan verstoorde. Naar het oordeel van het hof bieden de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de aanhouding van de verdachte niet rechtmatig is geweest. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 en 2 en het hem bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Dagvaarding I:

1
hij op of omstreeks 23 februari 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend een persoon (te weten A), (meermalen) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/of tegen/op het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2
hij op of omstreeks 23 februari 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten
B en/of C (beiden hoofdagent van Politie Haaglanden), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Kankerjood! Jullie zijn een stel kankerjoden! Kankermongool! Vieze kankerhomo!” en/of “Hou je bek! Kankerblondje”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Dagvaarding II (gevoegd):

hij op of omstreeks 2 maart 2014 te 's-Gravenhage, toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den), teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden en/of door één althans meermalen richting en/of tegen de/het licha(a)m(en) van die opsporingsambtena(a)r(en) te slaan en/of schoppen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Het bij dagvaarding I onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het bij dagvaarding II bewezen verklaarde levert op:

Wederspannigheid.

Strafbaarheid van het bij dagvaarding I onder 1 bewezen en strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig de overgelegde pleitnota aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde heeft gehandeld uit noodweer danwel (extensief) noodweerexces als bedoel in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft – zakelijk weergegeven - ten aanzien van het eerste incident gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van de aangever, waardoor de verdachte zich genoodzaakt zag zich te verdediging door slaande en schoppende bewegingen te maken in de richting van aangever en dus uit noodweer heeft gehandeld.

Ten aanzien van het tweede incident (de voortzetting van de mishandeling in het peeskamertje) kan volgens de raadsman worden gesproken van (extensief) noodweerexces nu de verdachte daar heeft gehandeld wegens een hevige gemoedstoestand waar hij door de eerdere wederrechtelijke aanranding en noodweersituatie in is komen te verkeren.

De verdachte dient dan ook van het eerste incident te worden vrijgesproken en ter zake van het tweede incident te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde camerabeelden is het volgende te zien. Een aantal mannen

verwijdert zich uit de ingang van het pand aan de Doubletstraat die op de voornoemde beelden is te zien. Kennelijk heeft aangever A (de beheerder van het pand) duidelijk aangegeven dat zij daar weg moeten gaan. Verdachte blijft achter. Vervolgens is te zien dat de aangever de verdachte tracht te verwijderen uit de gang door hem weg te duwen. Dat de verdachte bij de nek is gegrepen zoals de raadsman heeft gesteld, is niet zichtbaar op de beelden. Wel neemt het hof waar dat het er stevig aan toe gaat: de verdachte – die op zichzelf gehouden is zich te verwijderen, nu de aangever, beheerder van het pand, de aanwezigen in het gangetje van het pand heeft weggestuurd - is niet slechts met enige aandrang naar buiten geleid, maar ruw beetgegrepen bij de schouders en op stevige wijze omgedraaid. Dit is zodanig disproportioneel dat er sprake is van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte; op zichzelf mag deze zich dus verweren tegen aangever. De reactie van de verdachte is echter disproportioneel: hij haalt heel snel meermalen vol uit naar het gezicht van aangever. Vervolgens loopt hij weg, maar circa anderhalve minuut keert hij terug om de aangever – die intussen een peeskamertje in is gelopen en met een zakdoek zijn linkeroog en neus dept – nog eens flink te raken. Naar eigen zeggen was er verdachte boos, en dat blijkt ook uit de beelden, gelet op de kracht en snelheid waarmee hij slaat. Dan wordt de verdachte door aangever naar de grond gewerkt, en vervolgens door de politie meegenomen. Dat aangever is mishandeld door verdachte, en dat dat niet in noodweer was, staat vast.

Ook van een noodweerexces is naar het oordeel van het hof geen sprake. Hiervoor is nog van belang, dat slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte veel had gedronken (bij de politie gaf hij op dat hij tien biertjes had gedronken en een aantal bacardi’s) en daardoor waarschijnlijk wel enigszins ontremd was, dat hij niet weg wilde (gelet op het feit dat hij niet reageerde op het aangeven van A zich uit de ingang te verwijderen) en dat hij – waarschijnlijk - boos was. Bij de politie wist de verdachte zich niets te herinneren, en zijn verklaringen van latere datum zijn – zoals hij zelf heeft gezegd - duidelijk ingekleurd door de beelden die hij heeft gezien. Daar hecht het hof derhalve weinig waarde aan. Dat er sprake is van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is derhalve niet aannemelijk geworden.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde en ter zake van het hem bij dagvaarding II ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken met aftrek van voorarrest waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van A door hem meermalen in het gezicht te slaan nadat voornoemde A hem had verzocht weg te gaan van de ingang van het pand. Vervolgens is de verdachte – nadat hij het pand reeds had verlaten – teruggekomen om die A nogmaals aan te vallen. Door zijn handelen heeft de verdachte het slachtoffer nodeloos pijn en letsel bezorgd. Voorts heeft de verdachte op de bewezenverklaarde wijze twee opsporingsambtenaren beledigd. Zodoende heeft hij die opsporingsambtenaren in hun eer en goede naam aangerand en ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag. Ambtenaren met een publieke taak moeten - in het belang van de openbare orde - kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen vanuit het publiek. Tot slot heeft de verdachte zich – net een week na het eerdere incident in de Doubletstraat - schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich met geweld tegen diverse opsporingsambtenaren te verzetten, terwijl hem was verzocht zich te verwijderen. Ook dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend. De verdachte dient bevelen van de politie op te volgen en zich niet telkens tegen de autoriteiten te verzetten, zodat opsporingsambtenaren ongehinderd door gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, belediging van een ambtenaar en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding C

In het onderhavige strafproces heeft C zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 400,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, tot een bedrag van € 250,00 met niet-ontvankelijkverklaring van het overige.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijkverklaring van het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 180, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 en 2 en het bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bij dagvaarding I onder 1 en 2 en het bij dagvaarding II bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
13 (dertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Verklaart de benadeelde partij C in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga,
mr. J.W. van Rijkom en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. I. Kluiter.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 september 2015.

Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.