Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2905

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
BK-15_00219
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:553, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00219

Uitspraak d.d. 14 oktober 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 januari 2015, nummer SGR 14/2016, betreffende de hierna onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.219 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 949.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag in de premie volksverzekeringen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 september 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de Rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de Rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

"1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2010 in Nederland.

2. Gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 was eiser werkzaam aan boord van het binnenvaartschip [Y] (het schip) dat eigendom is van [A] B.V. ( [A] ). Eiser stond dat jaar op de loonlijst van [B] ( [B] ) gevestigd te [C] (Luxemburg).

3. Het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 10 augustus 2007 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven. De Rijnvaartverklaring vermeldt [A] als eigenaar en [B] als exploitant van het schip. Op 24 juli 2009 is de Rijnvaartverklaring ingetrokken.

4. Het schip is in het in geschil zijnde jaar voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte.

5. Eiser heeft voor het jaar 2010 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.218. In de aangifte is voor het gehele jaar vrijstelling gevraagd voor premie volksverzekeringen.

6. Naar aanleiding van de uitkomsten van een boekenonderzoek bij [B] , heeft verweerder in 2011 een derdenonderzoek ingesteld bij [A] .

7. Met dagtekening 26 september 2013 is de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 opgelegd. Verweerder heeft het aangegeven inkomen in verband met het niet verlenen van aftrek ter voorkoming van dubbele belasting gecorrigeerd en een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.219 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 949. De verzochte vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen is niet verleend."

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

1. Leidt de ingevolge artikel 16 van de Verordening (EG) 883/2004 (hierna: Vo. 883/2004) gesloten Overeenkomst van 23 december 2010, die op 11 februari 2011 in werking is getreden en met ingang van 1 mei 2010 van toepassing is geworden, in het geval van belanghebbende tot een belastingheffing die in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP EVRM) dan wel het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel? Meer in het bijzonder is de vraag of de met terugwerkende kracht ingevoerde Overeenkomst van 23 december 2010 een ‘fair balance’ teweegbrengt tussen de betrokken belangen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze balans ontbreekt, zowel op het niveau van de wetgeving als in de omstandigheden van zijn concrete geval, omdat er sprake is van een individuele en buitensporige last. De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende.

2. Welke onderneming heeft te gelden als de onderneming waartoe het schip behoort in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag respectievelijk artikel 4, tweede lid, jo. artikel 1, letter c, van de Overeenkomst van 23 december 2010? Wordt het schip geëxploiteerd voor rekening en risico van [B] (standpunt belanghebbende) of van [A] (standpunt Inspecteur)?

4.2.

Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag in de premieheffing volksverzekeringen, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

5. De Rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen, waarbij de Rechtbank belanghebbende als eiser heeft aangeduid en de Inspecteur als verweerder.

Nationale wetgeving

12. Vast staat dat eiser in 2010 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (de Wet) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is eiser voor dat jaar aan te merken als Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

13. In afwijking van artikel 6 van de Wet wordt op grond van artikel 6a van de Wet als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

Periode 1 januari 2010-30 april 2010: Rijnvarendenverdrag

14. Vast staat dat eiser een werknemer is die behorend tot het varend personeel, zijn

beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt

gebruikt en is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene

Rijnvaartakte. Eiser is derhalve een Rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel

m, van het Verdrag Rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag), zodat de sociale

verzekeringsplicht op grond van dit verdrag moet worden beoordeeld.

15. Artikel 11, tweede lid van het Verdrag Rijnvarenden bepaalt dat op de Rijnvarende

van toepassing is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan

zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m, bedoelde schip,

aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort.

Periode 1 mei 2010-31 december 2010: Verordening (EG) nr. 883/2004

16. Op 1 mei 2010 is van kracht geworden Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (de Verordening). Artikel 13 van de Verordening luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“Artikel 13

1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
a. de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of
b. indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:
i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, (…)”

Op grond van artikel 16 bestaat de mogelijkheid voor lidstaten om, in afwijking van de in de Verordening opgenomen aanwijsregels, de sociale zekerheidswetgeving van een andere lidstaat aan te wijzen als toepasselijke wetgeving. Artikel 16 van de Verordening luidt als volgt:

“Artikel 16

1. Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 vaststellen.

2. Degene die recht heeft op een pensioen krachtens de wetgevingen van een of meer lidstaten en die in een andere lidstaat woont, kan op zijn verzoek worden vrijgesteld van de toepassing van de wetgeving van deze laatste lidstaat mits hij niet op grond van de verrichting van een werkzaamheid, al dan niet in loondienst, aan deze wetgeving is onderworpen.”

17. Op 11 februari 2011 hebben de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland een overeenkomst als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Verordening gesloten. Deze “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004” (hierna: Overeenkomst) bevat exclusieve aanwijsregels voor werknemers en zelfstandigen die op grond van de Overeenkomst als Rijnvarende kunnen worden aangemerkt.

18. De tekst van de Overeenkomst luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“(…)

- overwegende dat de toepasselijke wetgeving die van de Ondertekenende Staat
moet zijn waar de Rijnvarende voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit de
nauwste banden mee onderhoudt;

- overwegende dat de wetgeving van de Ondertekenende Staat waar de zetel of
het filiaal van de onderneming of vennootschap zich bevindt die het schip
daadwerkelijk exploiteert, beschouwd moet worden als de wetgeving waarmee
deze beroepsactiviteit het nauwst verbonden is, (…)


Artikel 1 Definities
Voor de toepassing van deze overeenkomst a) wordt onder het begrip ‘Rijnvarende’ een werknemer of zelfstandige verstaan, (…), die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, (…) c) wordt onder de uitdrukking ‘de onderneming waartoe het schip behoort’ de onderneming of vennootschap verstaan die het betrokken schip exploiteert, ongeacht of deze eigenaar van het schip is of niet. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, dan geldt voor toepassing van deze overeenkomst als exploitant van het schip de onderneming of vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is in het bijzonder voor het economische en commerciële management van het schip. Voor de vaststelling van de onderneming zijn de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens maatgevend.

(…)

Artikel 4 Toepasselijke wetgeving
(…)

2. Op de Rijnvarende is de wetgeving van toepassing van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c) bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.

(…)

Artikel 6 Inwerkingtreding

1. (…) De bepalingen van deze overeenkomst gelden met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010, de dag waarop [de Verordening] in werking trad. (…)”

Terugwerkende kracht van de Overeenkomst tot 1 mei 2010

19. Eiser stelt zich op het standpunt dat de inwerkingtreding van de Overeenkomst met terugwerkende kracht tot 1 mei 2010 in strijd is met het beginsel van fair balance en dat dit voor hem leidt tot een individuele en buitensporige last nu hij als gevolg daarvan wordt geconfronteerd met dubbele premieheffing. De rechtbank veronderstelt dat eiser hiermee heeft beoogd te stellen dat de inwerkingtreding met terugwerkende kracht, naast een inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel, een inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden vormt.

20. Bij toetsing aan artikel 1 van het EP dient de rechtbank, naar vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad, een grote mate van terughoudendheid te betrachten. Uitgangspunt is dat aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, in die zin dat diens oordeel moet worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. Verder dient in dit verband te worden opgemerkt dat terugwerkende kracht van fiscale wetgeving ten nadele van de belastingplichtige op zichzelf geen inbreuk vormt op artikel 1 van het EP. Van een inbreuk op deze bepaling is eerst sprake indien de wetgevende maatregel die in terugwerkende kracht voorziet, geen ‘fair balance’ teweegbrengt tussen de betrokken belangen, waaronder het belang van de belastingplichtige dat diens gerechtvaardigde verwachtingen worden gerespecteerd. Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een ‘fair balance’ speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd (vgl. HR 2 oktober 2009, nr. 07/10481, ECLI:NL:HR:2009:BI1892 en EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

21. Uit de considerans van de Overeenkomst, zoals hiervoor onder 17 [18; Hof] opgenomen, blijkt dat de partijen die de Overeenkomst hebben gesloten daarmee hebben beoogd om op Rijnvarenden de wetgeving van de staat waar de zetel of het filiaal van de onderneming of vennootschap zich bevindt die het schip daadwerkelijk exploiteert, van toepassing te doen zijn. Nu dit ook reeds het geval was onder het (oude) Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid van Rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag), is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een wijziging van eisers sociale zekerheidspositie. Hoewel in formeel opzicht sprake is van een wetswijziging, verandert er in materieel opzicht immers niets. Van een wijziging van toepasselijke wetgeving ten nadele van eiser is dan ook geen sprake zodat schending van artikel 1 van het EP niet aan de orde is. De vraag of sprake is van een ‘fair balance’ tussen de betrokken belangen behoeft daarmee geen beantwoording meer zodat evenmin behoeft te worden beoordeeld of sprake is van een individuele en buitensporige last. Nu van een wijziging van wetgeving ten nadele van eiser geen sprake is, faalt eisers beroep op het rechtszekerheidsbeginsel eveneens.

22. Nu vaststaat dat eiser een werknemer is die, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte, is eiser aan te merken als Rijnvarende in de zin van artikel 1, onder a, van de Overeenkomst, zodat de sociale verzekeringsplicht aan de hand van de Overeenkomst moet worden beoordeeld.

Stelplicht en bewijslast

23. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3016) geoordeeld dat een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat een belanghebbende die het standpunt inneemt dat hij op grond van het (tot 1 mei 2010 geldende) Rijnvarendenverdrag niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd daarvan de relevante feiten stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door verweerder de inspecteur ook aannemelijk maakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de stelplicht en bewijslast anders dienen te worden verdeeld indien een belanghebbende dit standpunt inneemt op grond van de met ingang van 1 mei 2010 in werking getreden Overeenkomst.

24. De hiervoor bedoelde verdeling van de stelplicht en de bewijslast brengt mee dat

eiser, gelet op artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag, en gelet op artikel 4, tweede lid, van de Overeenkomst, in samenhang gelezen met artikel 1, onder c, van de Overeenkomst, aannemelijk dient te maken dat het schip wordt geëxploiteerd door een onderneming die niet in Nederland is gevestigd.

25. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het schip wordt geëxploiteerd door [B] verwijst eiser naar de op 14 november 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring welke [B] als exploitant van het schip vermeldt. Nu deze Rijnvaartverklaring echter op 24 juni [juli; Hof] 2009 is ingetrokken en eisers verzoek om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen betrekking heeft op de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, komt daaraan geen betekenis toe. Dat [B] niet als exploitant van het schip kan worden aangemerkt, volgt naar het oordeel van de rechtbank voorts uit het feit dat het Luxemburgse scheepsregister, naar aanleiding van een uitspraak van 16 juni 2010 van het Luxemburgse Tribunal Administratif waarin is geoordeeld dat [B] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt, in oktober 2011 alle Certificaten d'exploitant ten name van [B] heeft ingetrokken. Verder heeft het Centre Commun de la Sécurité Sociale op 19 december 2011 de Sociale Verzekeringsbank (SVB) geïnformeerd dat [B] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt, omdat [B] zich uitsluitend met het uitlenen van personeel heeft beziggehouden en de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het commerciële en economische management niet bij [B] ligt maar uitsluitend bij de eigenaar van het schip. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het schip niet voor rekening en risico van [B] werd geëxploiteerd.

26. Eiser heeft overigens onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, om de conclusie te rechtvaardigen dat het schip door een niet in Nederland gevestigde onderneming werd geëxploiteerd. Zijn stelling dat uit de door verweerder overgelegde de jaarrekening van [A] over 2010 niet valt af te leiden dat het schip door [A] werd geëxploiteerd, miskent eiser dat de hiervoor onder 23 en 24 opgenomen verdeling van de stelplicht en de bewijslast meebrengt dat het eiser is die aannemelijk dient te maken dat het schip in 2010 door een niet in Nederland gevestigde onderneming werd geëxploiteerd. In dat bewijs is eiser, zoals hiervoor reeds overwogen, niet geslaagd.

27. Eiser heeft ten slotte nog aangevoerd hij in Luxemburg sociaal verzekerd is en daar ook premies betaalt. De rechtbank overweegt dat loyale uitvoering van het EU-verdrag inhoudt dat de lidstaten alle maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het EG-verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en dat zij geen maatregelen treffen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-verdrag in gevaar kunnen brengen. Deze loyaliteit houdt niet in dat een door de autoriteiten van een lidstaat genomen besluit door de andere lidstaat steeds moet worden gevolgd, ook als dit besluit, op grond van wat de lidstaten onderling zijn overeengekomen, als onjuist moet worden aangemerkt. Nu eiser, zoals hiervoor onder 26 is geoordeeld, onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving valt, is hij door de Luxemburgse autoriteiten ten onrechte aangemerkt als verzekerde in Luxemburg en heeft hij aldaar ten onrechte premies betaald.

Om de dubbele premieheffing ongedaan te maken, dient eiser zich te wenden tot de Luxemburgse autoriteiten. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.

28. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

Vraag 1: is sprake van strijd met artikel 1 EP EVRM?

6.1.

Met ingang van 1 mei 2010 is Verordening (EG) 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71) ingetrokken en vervangen door Vo. 883/2004. Artikel 13, eerste lid, Vo. 883/2004 geeft regels voor personen die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst plegen te verrichten, en luidt in het onderhavige jaar als volgt:

"1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij op dit grondgebied een

substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht of indien hij werkzaam is bij

verschillende ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten, of

b) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij voornamelijk werkzaam is zich bevindt, indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont.”

6.2.

Vo. 883/2004 bevat geen bepaling meer zoals artikel 7, tweede lid, letter a, Vo. 1408/71, op grond waarvan de toewijzingsregels van het Rijnvarendenverdrag voorgingen op die van de verordening. Blijkens artikel 8 gaat Vo. 883/2004, behoudens een niet van toepassing zijnde uitzondering, voor op alle andere verdragen inzake sociale zekerheid. De inwerkingtreding van Vo. 883/2004 heeft derhalve tot gevolg dat het Rijnvarendenverdrag (behoudens overgangsrecht) niet meer van toepassing is op binnen de EU woonachtige rijnvarenden.

6.3.

Artikel 16 Vo. 883/2004 bepaalt:

"1. Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 vaststellen.

(…)"

6.4.

De vijf bij het Rijnvarendenverdrag aangesloten staten die tevens lid zijn van de EU, te weten Nederland, Duitsland, Frankrijk, België en Luxemburg, hebben ingevolge het in r.o. 6.3 geciteerde artikel 16, eerste lid, Vo. 883/2004 een overeenkomst gesloten op grond waarvan de ingevolge het Rijnvarendenverdrag toepasselijke wetgeving ten aanzien van rijnvarenden materieel gezien voortgezet wordt. Deze overeenkomst is op 23 december 2010 gesloten in Straatsburg en is in werking getreden op 11 februari 2011 (Stcrt. van 25 februari 2011 en 7 maart 2011, nr. 3397; hierna: de Overeenkomst). De Overeenkomst geldt ingevolge het daarin opgenomen artikel 6, eerste lid, met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010.

6.5.

De considerans van de Overeenkomst vermeldt:

”De voor deze overeenkomst bevoegde autoriteiten zijn,

- krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) nr. 883/2004;

- in het licht van de lange traditie en het bijzondere karakter van de Rijnvaart;

- rekening houdend met het gezamenlijk verzoek van alle sociale partners - vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en zelfstandigen - dat de op hetzelfde schip als Rijnvarenden te werk gestelde personen onderworpen zouden moeten zijn aan dezelfde wetgeving;

- overwegende dat de toepasselijke wetgeving die van de Ondertekenende Staat moet zijn waar de Rijnvarende voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit de nauwste banden mee onderhoudt;

- overwegende dat de wetgeving van de Ondertekenende Staat waar de zetel of het filiaal van de onderneming of vennootschap zich bevindt die het schip daadwerkelijk exploiteert, beschouwd moet worden als de wetgeving waarmee deze beroepsactiviteit het nauwst verbonden is,

de volgende bepalingen overeengekomen:

(…)”

6.6.

Artikel 1 van de Overeenkomst bevat de volgende definities:

”Voor de toepassing van deze overeenkomst

a) wordt onder het begrip 'Rijnvarende' een werknemer of zelfstandige verstaan, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften;

b) (…);

c) wordt onder de uitdrukking 'de onderneming waartoe het schip behoort' de onderneming of vennootschap verstaan die het betrokken schip exploiteert, ongeacht of deze eigenaar van het schip is of niet. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, dan geldt voor de toepassing van deze overeenkomst als exploitant van het schip de onderneming of vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is in het bijzonder voor het economische en commerciële management van het schip. Voor de vaststelling van de onderneming zijn de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens maatgevend.”

6.7.

Artikel 4 van de Overeenkomst bevat de toewijzingsregels, die kennelijk zijn ontleend aan artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en Besluit nr. 7 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden van 26 juni 2007:

” 1. Op de Rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Ondertekenende Staat van toepassing.

2. Op de Rijnvarende is de wetgeving van toepassing van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c. bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.

(…)."

6.8.

De Overeenkomst bewerkstelligt dat de regels zoals die op grond van het Rijnvarendenverdrag golden met betrekking tot rijnvarenden, materieel gezien worden voortgezet. Als gevolg van de terugwerkende kracht van de Overeenkomst geldt deze voortzetting vanaf de datum waarop Vo. 883/2004 van toepassing is geworden. Dat brengt, zoals de Rechtbank heeft overwogen, mee dat de Overeenkomst materieel gezien geen wijziging teweeg heeft gebracht in belanghebbendes sociale zekerheidspositie zoals die was in de periode tot 1 mei 2010, waarin het Rijnvarendenverdrag van toepassing was.

6.9.

De omstandigheid dat per 1 mei 2010 Vo. 883/2004 van toepassing is geworden, laat echter de mogelijkheid open dat onder Vo. 883/2004 als toepasselijke socialezekerheidswetgeving de wetgeving van een andere staat wordt aangewezen dan onder de Overeenkomst. Het is dus mogelijk dat belanghebbendes socialezekerheidspositie als gevolg van de terugwerkende kracht van de Overeenkomst, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is gewijzigd ten opzichte van diens positie onder Vo. 883/2004. Belanghebbende betoogt – in dat kader ervan uitgaande dat de Overeenkomst de Nederlandse wetgeving van toepassing verklaart – dat onder Vo. 883/2004 de wetgeving van Luxemburg op hem van toepassing is, nu zijn werkgever is gevestigd in Luxemburg.

6.10.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, Vo. 883/2004 kan de wetgeving van de staat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij de betrokkene voornamelijk werkzaam is zich bevindt, uitsluitend van toepassing zijn indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de staat waar hij woont. Indien de werkzaamheden voor een substantieel deel, dat wil zeggen voor ten minste 25 percent, plaatsvinden in de woonstaat, is de betrokkene uitsluitend in deze staat verzekerd.

6.11.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 oktober 2014, nr. 14/01601, BNB 2014/264, ECLI:NL:HR:2014:3016, geoordeeld dat een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat als een belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van het (tot 1 mei 2010 geldende) Rijnvarendenverdrag niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd, hij daarvan de relevante feiten moet stellen en, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk moet maken. Naar het oordeel van het Hof moet de bewijslast ook op deze wijze worden verdeeld als een belanghebbende een vergelijkbaar standpunt inneemt onder de Overeenkomst. Deze bewijslastverdeling heeft evenzeer te gelden als een belanghebbende betoogt niet in Nederland verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen op grond van de met ingang van 1 mei 2010 in werking getreden Vo. 883/2004 omdat hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verricht.

6.12.

Belanghebbende heeft geen enkel bewijs aangedragen ter onderbouwing van zijn door de Inspecteur betwiste stelling dat hij in het onderhavige jaar geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat hij meer dan 75 percent van zijn arbeidstijd buiten Nederland heeft gewerkt. Er kan dan ook naar 's Hofs oordeel niet van worden uitgegaan dat belanghebbende geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Daarvan uitgaande, heeft belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt dat zijn socialezekerheidspositie als gevolg van de terugwerkende kracht van de Overeenkomst te zijnen nadele is gewijzigd ten opzichte van zijn positie onder Vo. 883/2004. Daarmee ontvalt de grond aan belanghebbendes stelling dat hij door de invoering met terugwerkende kracht van de Overeenkomst wordt geschaad in zijn door artikel 1 EP EVRM dan wel het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel gewaarborgde belangen.

Vraag 2: tot welke onderneming behoort het schip?

6.13.

Vaststaat dat belanghebbende een werknemer is die, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt. Eveneens staat vast dat het schip in 2010 was voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Belanghebbende moet dan ook worden beschouwd als een rijnvarende in de zin van artikel 11, tweede lid, van het (tot 1 mei 2010 geldende) Rijnvarendenverdrag en artikel 1, letter a, van de Overeenkomst, zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van het Rijnvarendenverdrag respectievelijk de Overeenkomst moet worden beoordeeld.

6.14.

Artikel 4, tweede lid, van de Overeenkomst bepaalt dat op de rijnvarende van toepassing is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, letter c, bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Als onderneming waartoe het schip behoort, heeft ingevolge artikel 1, letter c, van de Overeenkomst te gelden de onderneming die het schip exploiteert. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist wordt door artikel 1, letter a, van de Overeenkomst. Hetzelfde heeft te gelden onder het tot 1 mei 2010 van toepassing zijnde Rijnvarendenverdrag (artikel 11, tweede lid, juncto artikel 1, letter m).

6.15.

Zoals is overwogen in r.o. 6.11, brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast mee dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat hij op grond van het Rijnvarendenverdrag dan wel de Overeenkomst niet in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort, in het buitenland is gevestigd. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat het schip wordt geëxploiteerd door [B] , ten bewijze waarvan hij heeft verwezen naar de op 10 augustus 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring, waarop [B] als eigenaar van het schip staat vermeld.

6.16.

Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat aan de Rijnvaartverklaring geen belang kan worden gehecht, daar deze reeds op 24 juli 2009 is ingetrokken. Ook de door de Rechtbank genoemde omstandigheden dat: i) het Luxemburgse scheepsregister in oktober 2011 alle Certificaten d’exploitant ten name van [B] heeft ingetrokken naar aanleiding van een uitspraak van 16 juni 2010 van het Luxemburgse Tribunal Administratif waarin is geoordeeld dat [B] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt; en ii) het Centre Commun de la Sécurité Sociale op 19 december 2011 de Sociale Verzekeringsbank heeft geïnformeerd dat [B] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt omdat [B] zich uitsluitend met het uitlenen van personeel heeft beziggehouden en de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het commerciële en economische management niet bij [B] maar uitsluitend bij de eigenaar van het schip ligt, leiden tot het oordeel dat het schip niet door [B] werd geëxploiteerd.

6.17.

Aangezien belanghebbende overigens geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat het schip desalniettemin door [B] werd geëxploiteerd, heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat hij op grond van het Rijnvarendenverdrag respectievelijk de Overeenkomst niet in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort, in het buitenland is gevestigd.

6.18.

Belanghebbende heeft gesteld dat de intrekking van de Rijnvaartverklaring hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij daarvan niet op de hoogte was en daarom op de Rijnvaartverklaring mocht vertrouwen. De Rijnvaartverklaring is aan boord van het schip gebleven en de feitelijke en juridische situatie is na 24 juli 2009 niet gewijzigd, aldus belanghebbende. Het Hof is van oordeel dat in elk geval de juridische situatie per 24 juli 2009 wel is gewijzigd; daarvóór werd gevaren met een geldige Rijnvaartverklaring, daarna is gevaren met een ongeldige Rijnvaartverklaring. Het had op de weg van [B] gelegen de Rijnvaartverklaring van boord te halen en terug te zenden aan de Inspectie van Verkeer en Waterstaat, zoals in de beschikking van de intrekking ook is vermeld. Ongeacht het antwoord op de vraag wie belanghebbende had moeten informeren over de intrekking van de Rijnvaartverklaring en de consequenties daarvan, kan de eventuele onbekendheid van belanghebbende met de intrekking van de Rijnvaartverklaring niet tot gevolg hebben dat belanghebbende daarom zou zijn vrijgesteld van de premieplicht voor de volksverzekeringen.

6.19.

Ook de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de Luxemburgse autoriteiten belanghebbende mogelijkerwijs als aldaar verzekerd hebben beschouwd, kan niet afdoen aan de vaststelling dat het binnenvaartschip niet door [B] werd geëxploiteerd, en in het verlengde daarvan evenmin aan de uit het Rijnvarendenverdrag respectievelijk de Overeenkomst voortvloeiende premieplicht in Nederland. Indien van belanghebbende ook door Luxemburg premies sociale verzekeringen zijn geheven, is dat ten onrechte geschied en dient belanghebbende zich tot de Luxemburgse autoriteiten te wenden om die heffing ongedaan te maken. Indien belanghebbende in 2010 kinderbijslag uit Luxemburg heeft ontvangen, is zulks eveneens ten onrechte geschied, en zal belanghebbende deze wellicht dienen terug te betalen. Ook dat kan echter niet afdoen aan het oordeel dat belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

Slotsom

6.20.

Gelet op al het vorenoverwogene moet het hoger beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. F.G.F. Peters, J.J.J. Engel en J.E.H.M. Pinckaers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Peters ondertekend door mr. Engel. De beslissing is op 14 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.