Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2903

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
14/01502
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:7928, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:694, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of van belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag afvalstoffenheffing is geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2306
Belastingblad 2015/501
V-N 2015/63.1.4
NTFR 2015/3266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01502

Uitspraak d.d. 15 september 2015

in het geding tussen:

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

en

de directeur gemeentebelastingen van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de Rechtbank) van 30 september 2014, nummer ROT 13/6907, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Rotterdam opgelegd ten bedrage van € 339,90.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2013 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 april 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Met toestemming van partijen is een nadere mondelinge behandeling achterwege gebleven.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar feitelijk gebruiker van de woning aan de [Y] te [Z] . Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar wekelijks huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aangeboden.

3.2.

In de gemeente Rotterdam werd groente-, fruit- en tuinafval (gft-afval) in het onderhavige jaar niet afzonderlijk ingezameld zoals is voorgeschreven in artikel 10.21 Wet milieubeheer (zie ook artikel 3 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009).

Verordening en tarieventabel

4.1.

De raad van de gemeente Rotterdam heeft in zijn openbare vergaderingen van 8 en 13 november 2012 de Verordening afvalstoffenheffing 2013 (hierna: Verordening) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

4.2.

De Verordening luidt, voor zover hier van belang:

“Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

  1. Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 3 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en tarieven

  1. De belasting bedraagt per perceel, per kalenderjaar: € 339,90.

  2. In afwijking van het eerste lid:

a. (…)

b. bedraagt de belasting, indien de huishoudelijke afvalstoffen afkomstig zijn van zelfstandige wooneenheden in verzorgingstehuizen, per perceel, per kalenderjaar € 118,20;

c. bedraagt de belasting, indien de huishoudelijke afvalstoffen afkomstig zijn van onzelfstandige wooneenheden, zoals een perceel dat gebruikt wordt voor kamerverhuur of voor huisvesting van studenten, of een verzorgingstehuis voor bejaarden, voor een perceel waarop meerdere personen verblijven, per kalenderjaar:

- voor een perceel waarop 1 tot en met 5 personen verblijven: het tarief genoemd in het eerste lid;

- voor een perceel waarop 6 tot en met 10 personen verblijven: € 1.041,10;

- voor een perceel waarop 11 tot en met 15 personen verblijven: € 1.627,30;

- voor een perceel waarop meer dan 15 personen verblijven: € 1.627,30 vermeerderd met € 125,00 voor elke extra persoon boven de 15 personen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In hoger beroep is in geschil of van belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag afvalstoffenheffing is geheven.

5.2.1.

Belanghebbende betoogt primair dat zij geen afvalstoffenheffing verschuldigd is. Zij voert daartoe aan dat de gemeente niet voldoet aan haar inzamelverplichting als bedoeld in artikel 10.21 Wet milieubeheer omdat belanghebbende niet de mogelijkheid wordt geboden om het huishoudelijk afval gescheiden aan de bieden. De Verordening is daardoor onverbindend. Voorts voert belanghebbende aan dat de Verordening onverbindend is doordat de opbrengstlimiet is overschreden. Tevens voert belanghebbende aan dat de Verordening ten aanzien van het tarief onverbindend is omdat het tariefsysteem van de Verordening willekeurig en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat een éénpersoonshuishouden even zwaar wordt belast als een meerpersoonshuishouden.

5.2.2.

Subsidiair betoogt belanghebbende, naar het Hof begrijpt, dat zij een lager bedrag aan afvalstoffenheffing verschuldigd is. Zij voert daartoe aan dat [Y] geen perceel is. Aangezien de Verordening geen definitie kent van het begrip perceel moet aansluiting worden gezocht bij de definitie die wordt gehanteerd in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Kadasterwet. Dit betekent dat het pand [Y1] , [Y] en [Y2] in zijn geheel als een perceel aangemerkt moet worden ten aanzien waarvan één aanslag opgelegd kan worden, zodat iedere gebruiker van het perceel (waaronder belanghebbende) eenderde gedeelte van de aanslag verschuldigd is.

5.3.

De Heffingsambtenaar heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

5.4.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag.

6.2.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

7. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

"1. In de uitspraak op bezwaar geeft [de Heffingsambtenaar] aan dat er op verzoek van [belanghebbende] op 27 mei 2013 een hoorzitting heeft plaatsgevonden. [De Heffingsambtenaar] gaat in het bestreden besluit onder meer in op het begrip perceel, artikel 10.21 Wet milieubeheer, het kostendekkende van de afvalstoffenheffing en het gelijkheidsbeginsel.

2. [ Belanghebbende] betoogt dat zij geen of een lager bedrag aan afvalstoffenheffing verschuldigd is. Naar het oordeel van de rechtbank faalt dit betoog. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.1

De beroepsgrond, dat [Y] geen perceel is omdat de Verordening geen definitie kent van het begrip perceel en er daarom aansluiting gezocht dient te worden bij definitie die wordt gehanteerd in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Kadasterwet, faalt.

Aan de afvalstoffenheffing kunnen op grond van artikel 15.33 Wet milieubeheer worden onderworpen degenen die feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting geldt tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD0984) wordt een gedeelte van een onroerende zaak dat naar indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding en waar geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan aangemerkt als een perceel in de zin van de Verordening. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de woning van [belanghebbende] past binnen de definitie en dus kan worden aangemerkt als perceel in de zin van de Verordening.

2.2

De beroepsgrond, dat [de Heffingsambtenaar] niet voldoet aan zijn inzamelverplichting als bedoeld in artikel 10.21 van de Wet milieubeheer omdat [belanghebbende] niet de mogelijkheid wordt geboden om het huishoudelijk afval gescheiden aan de bieden, faalt.

In artikel 10.26 van de Wet milieubeheer is bepaald dat de gemeenteraad, in afwijking van artikel 10.21 van voormelde wet, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenheffing kan bepalen dat:

a. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel;

b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat;

c. in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld;

d. daarbij aangegeven bestanddelen van het groente-, fruit- en tuinafval afzonderlijk worden ingezameld;

e. groente-, fruit- en tuinafval met andere daarbij aangegeven bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk van het overige huishoudelijk afval wordt ingezameld.

In artikel 3 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 is een opsomming gegeven van de categorieën huishoudelijke afvalstoffen die naast het reguliere huishoudelijk afval afzonderlijk worden ingezameld. Het groente-, fruit- en tuinafval is niet als afzonderlijke categorie onder dit artikel opgenomen. Hieruit volgt dat de gemeenteraad, in afwijking van artikel 10.21 van de Wet milieubeheer en gebruik makend van de afwijkingsmogelijkheid die wordt geboden in artikel 10.26 van de wet, heeft mogen bepalen dat het groente- fruit- en tuinafval vooralsnog met het reguliere huishoudelijk afval wordt ingezameld. [De Heffingsambtenaar] voldoet hiermee aan de uit artikel 10.21 voortvloeiende inzamelverplichting van huishoudelijke afvalstoffen.

2.3

De beroepsgrond, dat de opbrengstlimiet van de afvalstoffenheffing wordt overschreden en de Verordening daarom onverbindend dient te worden verklaard, faalt.
Uit een bijlage bij het door [belanghebbende] op 2 november 2013 ingediende beroepschrift (gedingstuk A8 ‘Minder geld weggooien’ Aanpak voor een lagere afvalstoffenheffing – bladzijde 4) volgt dat [belanghebbende] genoegzaam bekend is met de door [de Heffingsambtenaar] geraamde opbrengsten en kosten van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het is, nu bij [belanghebbende] het inzicht in de ramingen bestaat, aan [belanghebbende] om met argumenten te stellen waarom naar haar oordeel ten aanzien van de posten ‘kwijtschelding’ en ‘veegkosten’ in de raming redelijke twijfel bestaat of er sprake is van een ‘last ter zake’ (o.a. ECLI:NL:HR:2014:777). Hierin is [belanghebbende] niet geslaagd, ook niet na kennisname van de nadere toelichting van [de Heffingsambtenaar] ter zitting. [Belanghebbende] volhardt in de enkele stelling dat de posten ‘kwijtschelding’ en ‘veegkosten’ niet mogen worden aangemerkt als last ter zake. De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de opbrengstlimiet van de afvalstoffenheffing niet wordt overschreden. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de rechtbank reeds eerder heeft geoordeeld dat de posten ‘kwijtschelding’ en ‘veegkosten’ als last ter zake kunnen worden aangemerkt (ECLI:NL:RBROT:2014:1823).

2.4

De beroepsgrond, dat het tariefsysteem van de Verordening in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat een éénpersoonshuishouden net zo zwaar wordt belast als een meerpersoonshuishouden van vijf personen en dat daarom de Verordening ten aanzien van het tarief onverbindend dient te worden verklaard, faalt.

De rechtbank is van oordeel dat in artikel 229 van de Gemeentewet geen voorschriften met betrekking tot het tarief van de afvalstoffenheffing zijn gegeven. Een beroep op het tarief of op tariefdifferentiatie kan belanghebbende dan ook niet baten, behoudens ingeval de tariefstelling in de verordening tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leidt die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. Uit de Verordening volgt de belasting per perceel, per kalenderjaar, voor het jaar 2013 is vastgesteld op € 339,90. Slechts in die gevallen dat er sprake is van onzelfstandige wooneenheden, zoals een perceel dat gebruikt wordt voor kamerverhuur of voor huisvesting van studenten, of een verzorgingstehuis voor bejaarden worden aangepaste tarieven gehanteerd. Van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld is daarom naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het beroep van [belanghebbende] op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

Verordening onverbindend: inzamelplicht

8.1.

Belanghebbende betoogt dat ten onrechte afvalstoffenheffing is geheven omdat de gemeente niet voldoet aan haar inzamelplicht als bedoeld in artikel 10.21 Wet milieubeheer doordat belanghebbende niet de mogelijkheid wordt geboden om gft-afval gescheiden aan te bieden. Het beroep faalt. Ingevolge artikel 3 van de Verordening wordt afvalstoffenheffing geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Nu niet in geschil is dat ten aanzien van het perceel van belanghebbende een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen bestaat en de gemeente deze verplichting ook nakomt door wekelijks huishoudelijke afvalstoffen bij het perceel van belanghebbende in te zamelen, is de aanslag terecht opgelegd. De omstandigheid dat de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam) de haar bij artikel 10.21, lid 2, Wet milieubeheer gestelde verplichting om gft-afval afzonderlijk in te zamelen, niet nakomt staat, anders dan waarvan de Rechtbank uitgaat, niet ter beoordeling van de belastingrechter en staat derhalve niet aan de heffing in de weg.

Verordening onverbindend: overschrijding opbrengstlimiet

8.2.

Belanghebbende betoogt dat de Verordening onverbindend is omdat de geraamde opbrengsten van de afvalstoffenheffing de geraamde kosten ter zake overschrijden. De Heffingsambtenaar bestrijdt dit.

8.2.1.

Bij de beoordeling van het betoog van belanghebbende moet het volgende worden vooropgesteld.

8.2.2.

Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 15.33 Wet milieubeheer kan elke gemeente ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk recht of beperkt recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 voor de gemeente een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

8.2.3.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014, nr. 13/02954, ECLI:NL:HR:2014:1193, BNB 2014/142 volgt dat, hoewel artikel 15.33 Wet milieubeheer artikel 229b van de Gemeentewet niet van overeenkomstige toepassing verklaart op de afvalstoffenheffing, aangenomen moet worden dat “de kosten” in artikel 15.33, lid 1, geen wezenlijk andere betekenis heeft dan “de geraamde lasten ter zake” in artikel 229b van de Gemeentewet en dat de jurisprudentie over het laatstgenoemde wetsartikel evenzeer geldt voor de opbrengstlimiet die in de woorden “ter bestrijding van de kosten” van artikel 15.33, lid 1, Wet milieubeheer besloten ligt.

8.2.4.

Gelet op onder meer de arresten van de Hoge Raad van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, BNB 2009/159 en van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777, BNB 2014/148 heeft met betrekking tot de stelplicht en de bewijslast in zaken waarin de belanghebbende zich beroept op limietoverschrijding het volgende te gelden.

8.2.5.

Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde “lasten ter zake” hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de belanghebbende in de regel geen toegang heeft tot de gegevens die hij nodig heeft om voldoende gemotiveerd feiten te stellen die meebrengen dat de opbrengstlimiet is overschreden. Dit laat echter onverlet dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op de belanghebbende rust.

8.2.6.

In die gevallen waarin de belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de hiervoor bedoelde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De zinsnede in onderdeel 3.2.3 van het arrest van 24 april 2009 ‘teneinde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen’, houdt derhalve niet in dat de heffingsambtenaar moet bewijzen dat die twijfel ongegrond is.

8.2.7.

De vaststelling van tarieven als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet berust op een raming, welke raming moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op de geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij die vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. Zo mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake heeft geraamd.

8.2.8.

Tot de ‘lasten ter zake’ behoren niet alleen posten die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten maar ook behoren daartoe aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat die indirecte kosten meer dan zijdelings met die diensten moeten samenhangen. De desbetreffende kostenposten kunnen slechts dan niet (geheel of ten dele) als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. o.m. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, ECLI:NL:HR:BL0990, BNB 2010/234).

8.2.9.

In het kader van de toetsing van de opbrengstlimiet is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, nr. 25542, ECLI:NL:HR1989:ZC4027, BNB 1989/242).

8.2.10.

Belanghebbende stelt dat sprake is van overschrijding van de opbrengstlimiet doordat de post ‘kwijtschelding’ niet mag worden aangemerkt als ‘last ter zake’ als bedoeld in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet. De Heffingsambtenaar bestrijdt dit.

8.2.11.

Uit de door de Heffingsambtenaar in het geding gebrachte begroting van de afvalstoffenheffing particulieren voor het jaar 2013 (bijlage bij brief van 24 april 2015), die door belanghebbende op zich niet is bestreden, blijkt dat de begrote opbrengst van de afvalstoffenheffing (afgerond) € 95.000.000 (€ 94.492.200 = 278.000 huishoudens x € 339,90) bedraagt, waarbij geen rekening gehouden is met de post ‘kwijtschelding’. In het geval wel rekening wordt gehouden met het feit dat door de kwijtscheldingen minder afvalstoffenheffing wordt geïnd (44.000 x € 339,90 = € 14.955.600 (afgerond € 15.000.000), bedraagt de begrote opbrengst (afgerond) € 80.000.000. Het totaal van de begrote lasten (inclusief de kwijtscheldingen ad afgerond € 15.000.000) bedraagt € 113.400.000.

Op basis van de in het geding gebrachte begroting bedraagt de kostendekkendheid minder dan 100 percent.

Indien de post kwijtscheldingen wordt geëlimineerd uit het overzicht van de begrote lasten, zoals belanghebbende voorstaat, bedragen de begrote lasten (€ 113.400.000 minus de kwijtscheldingen ad € 15.000.000 =) € 98.400.000. In dat geval leidt kwijtschelding tot een lagere begrote opbrengst van de afvalstoffenheffing ad (afgerond) € 80.000.000, in welk geval de kostendekkendheid minder dan 100 percent bedraagt. Van overschrijding van de opbrengstlimiet is derhalve geen sprake.

Verordening onverbindend: willekeur en schending gelijkheidsbeginsel

8.3.

Belanghebbende betoogt dat de onderhavige aanslag willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel is opgelegd omdat belanghebbende als eenpersoonshuishouden voor eenzelfde bedrag wordt aangeslagen als meerpersoonshuishoudens.

8.3.1.

Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 15.33 Wet milieubeheer kan afvalstoffenheffing worden geheven ongeacht het feit of huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling worden aangeboden. Dit brengt mee dat deze bepaling geen tariefdifferentiatie eist naar de mate waarin daadwerkelijk afvalstoffen ter inzameling worden aangeboden en derhalve ook geen naar de hoeveelheid ter inzameling aangeboden afvalstoffen.

8.3.2.

De keuze voor een systeem van afvalstoffenheffing is voorbehouden aan de gemeenteraad. Voor zover geen sprake is van een onredelijke of willekeurige heffing is het Hof niet bevoegd om te oordelen over het door de gemeenteraad gekozen systeem van afvalstoffenheffing. Van een onredelijke of willekeurige heffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het instellen van een heffing als bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer niet op het oog kan hebben gehad, is geen sprake. De Heffingsambtenaar heeft, door belanghebbende onbetwist, aangevoerd dat de voor de gemeente aan het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen verbonden kosten voor een groot deel uit vaste kosten bestaan die niet worden beïnvloed door de grootte van het huishouden (vgl. Hoge Raad 20 oktober 1993, nr. 29.183, ECLI:NL:HR:1993:ZC5488, BNB 1993/347).

8.3.3.

Dat de aanslag in strijd met het gelijkheidsbeginsel aan belanghebbende is opgelegd, is evenmin gebleken. Vaststaat dat het van belanghebbende geheven bedrag van de afvalstoffenheffing in overeenstemming met de Verordening is. Een belanghebbende die een eenpersoonshuishouden voert is niet gelijk te stellen aan een belanghebbende die een meerpersoonshuishouden voert, en verder heeft belanghebbende niet aangegeven dat hij anders dan andere eenpersoonshuishoudens is behandeld.

Perceel

8.4.1.

Subsidiair betoogt belanghebbende, naar het Hof begrijpt, dat de aanslag te hoog is vastgesteld omdat haar woning ( [Y] ) geen perceel is. Aangezien de Verordening geen definitie van het begrip perceel kent, moet aldus belanghebbende aansluiting gezocht worden bij de definitie die wordt gehanteerd in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Kadasterwet. Dit betekent volgens belanghebbende dat de onroerende zaak [Y1] , [Y] en [Y2] in zijn geheel als een perceel aangemerkt moet worden terzake waarvan één aanslag opgelegd kan worden en dat iedere gebruiker van het perceel (waaronder belanghebbende) 1/3e gedeelte van de aanslag verschuldigd is.

8.4.2.

Ingevolge artikel 15.33 Wet milieubeheer kunnen aan de afvalstoffenheffing worden onderworpen degenen die feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting geldt tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. De Rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat een gedeelte van een onroerende zaak dat naar indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding en waar geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan aangemerkt wordt als een perceel in de zin van de Verordening (Hoge Raad 17 oktober 2008, nr. 43.964, ECLI:NL:HR:2008:BD0984, BNB 2008/301). Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de woning van belanghebbende kan worden aangemerkt als perceel in voormelde zin. De aanslag is derhalve tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd.

Conclusie

8.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep ongegrond. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 15 september 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.