Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2833

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
22-005003-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft enkele dozen met valse merkkleding in voorraad gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005003-14

Parketnummer: 10-993008-10

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Soedan) op [geboortejaar] 1985,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 september 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij

op of omstreeks 17 september 2009 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht op had en/of

waren, waarop of op hun verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht op had, zij het dan ook met een geringe afwijking, was nagebootst,

te weten grote hoeveelheden en/of partijen, althans 18.389, in elk geval 1232 stuks, (valse en/of merkvervalste) kleding en/of schoenen en/of andere goederen welke (telkens) valselijk was/waren voorzien

van de/het woord- en/of beeldmerk(en) en/of van de nabootsing(en) van nagenoemde merk(en) en/of van een/de handelsna(a)m(en)

Adidas en/of Björn Borg en/of Burberry en/of Diesel en/of Dolce & Gabbana en/of Ed Hardy en/of G-Star en/of Gaastra en/of Gucci en/of La Martina en/of Lacoste en/of Nike en/of PME Legend en/of Polo Ralph Lauren en/of Puma en/of Replay en/of Tommy Hilfiger en/of Armani

en/of

welke handelsna(a)m(en) (telkens) van (een) ander(en) was/waren en/of op welk(e) merk(en) (telkens) (een) ander(en) recht had/hadden, te weten

Adidas AG en/of Björn-Borg Brands AB en/of Burberry Limited en/of Diesel S.p.A. en/of GADA S.r.l. en/of Hardy Way LLC en/of Facton Ltd. en/of X-One B.V. en/of Guccio Gucci Spa en/of Quilate Servicos LDA en/of Lacoste S.A. en/of Nike International Ltd en/of PMEC Joined Brands Ltd. en/of The Polo/Lauren Company L.P. en/of Puma AG Rudolf Dassler Sport en/of Fashion Box S.P.A. en/of Tommy Hilfiger Licensing LLC en/of G.A. Modefine S.A.,

in elk geval (telkens) (een) ander(en) dan hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s), heeft/hebben verkocht en/of te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in voorraad heeft/hebben gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij

op of omstreeks 17 september 2009 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had en/of

waren, waarop of op hun verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht op had, zij het dan ook met een geringe afwijking, was nagebootst ,

te weten grote hoeveelheden en/of partijen, althans 18.389, in elk geval 1232 stuks, (valse en/of merkvervalste) kleding en/of schoenen en/of andere goederen welke (telkens) valselijk was/waren voorzien

van de/het woord- en/of beeldmerk(en) en/of van de nabootsing(en) van nagenoemd merk (en) en/of van een/de handelsna(a)m(en)

Adidas en/of Björn Borg en/of Burberry en/of Diesel en/of Dolce & Gabbana en/of Ed Hardy en/of G-Star en/of Gaastra en/of Gucci en/of La Martina en/of Lacoste en/of Nike en/of PME Legend en/of Polo Ralph Lauren en/of Puma en/of Replay en/of Tommy Hilfiger en/of Armani

en/of

welke handelsna(a)m(en) (telkens) van (een) ander(en) was/waren en/of op welk (e) merk (en) (telkens) ( een ) ander (en) recht had /hadden , te weten

Adidas AG en/of Björn-Borg Brands AB en/of Burberry Limited en/of Diesel S.p.A. en/of GADA S.r.l. en/of Hardy Way LLC en/of Facton Ltd. en/of X-One B.V. en/of Guccio Gucci Spa en/of Quilate Servicos LDA en/of Lacoste S.A. en/of Nike International Ltd en/of PMEC Joined Brands Ltd. en/of The Polo/Lauren Company L.P. en/of Puma AG Rudolf Dassler Sport en/of Fashion Box S.P.A. en/of Tommy Hilfiger Licensing LLC en/of G.A. Modefine S.A.,

in elk geval (telkens) (een) ander(en) dan hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s), heeft/hebben verkocht en/of te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in voorraad heeft /hebben gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Opzet

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat hij een hoeveelheid ondergoed van het merk Björn Borg in voorraad had, die voor een aanzienlijk lagere prijs dan de gebruikelijke handelsprijs zou worden verkocht, ‘om arme mensen blij mee te maken’. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door aldus te handelen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze goederen valselijk van het merk Björn Borg waren voorzien, zodat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het in voorraad hebben van valse merkgoederen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van het merk waarop een ander recht heeft, in voorraad hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte heeft enkele dozen met valse merkkleding in voorraad gehad. Dit is een feit waarvoor een onvoorwaardelijk gevangenisstraf zou kunnen worden opgelegd, zoals gevorderd door de advocaat-generaal. In dit geval zal daarvan worden afgezien. Hierbij is in aanmerking genomen dat het bewezen feit zich ruim zes jaar geleden heeft voorgedaan en dat de verdachte niet eerder, en ook sedertdien niet meer, voor een dergelijk feit is veroordeeld. Bovendien zou het ondergaan van een gevangenisstraf het risico kunnen meebrengen dat de verdachte, die inmiddels full time werkt en aan wie per december aanstaande een vast dienstverband in het vooruitzicht is gesteld, zijn baan verliest. Het hof is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 337 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking,

mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. J.W. Klein Wolterink, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 oktober 2015.