Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2816

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
200.170.388/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Tijdelijke voogdij ex art. 1:253r en 253g BW. Nu verzoeker niet is opgekomen tegen een eerdere beslissing waarbij de gecertificeerde instelling tot voogdes is benoemd over de minderjarige, heeft deze beslissing bindende kracht in de onderhavige procedure. Hierop kan niet meer worden teruggekomen. Nu voorts voor partijen duidelijk is welke vestiging van Bureau Jeugdzorg als voogdes optreedt, merkt het hof de gecertificeerde instelling, de rechtsopvolgster van Bureau Jeugdzorg Rotterdam, aan als belanghebbende in de onderhavige procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 september 2015

Zaaknummer : 200.170.388/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-8196

Zaaknummer rechtbank : C/10/460919

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.F.P. Scheele te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te Rotterdam,

voorheen Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[pleegouders] ,

wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 26 mei 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 maart 2015 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 7 augustus 2015 een brief van 6 augustus 2015 met als bijlage een V-formulier van 5 augustus 2015 met bijlage;

van de zijde van de gecertificeerde instelling:

- op 25 augustus 2015 een faxbericht met bijlage.

De zaak is op 26 augustus 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw [X] en de heer [Y] namens de gecertificeerde instelling.

Tevens was aanwezig als toehoorder de heer [vader appellante] .

De raad en de pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 14 januari 2014 van de rechtbank Rotterdam.

Bij de beschikking van 14 januari 2014 heeft de rechtbank Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot voogdes over de na te noemen minderjarige benoemd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om de gecertificeerde instelling te ontslaan van de voogdij over de na te noemen minderjarige afgewezen en is bepaald dat de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht als volgt zal zijn:

de moeder zal in de gelegenheid worden gesteld om de na te noemen minderjarige onder begeleiding te ontmoeten waarbij plaats, tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten wordt bepaald door de voogdes, na overleg met de moeder en de pleegouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van en de omgang met de minderjarige:

[minderjarige] , geboren [in] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking:

  • -

    nietig te verklaren op basis van formele gronden, dan wel te vernietigen op basis van formele rechtsgronden verwijzend naar de toetsing aan de verkeerde wet alsmede dat “per dictum” de verkeerde gecertificeerde instelling is benoemd tot voogdes en deze dan ook nimmer heeft gefungeerd als voogdes;

  • -

    dan wel deze te vernietigen op de gegeven inhoudelijke grieven van de moeder waardoor de moeder wederom in het gezag komt middels ontslag van de voogdes;

  • -

    en tussen de minderjarige en de moeder de volgende voorlopige omgangsregeling vast te stellen zoals in eerste aanleg is verzocht:

o maand 1 na beschikking: 1x per 14 dagen 2 uur bij pleegouders of bij de gecertificeerde instelling begeleid;

o maand 2 na beschikking: 1x per 14 dagen 2 uur onbegeleide omgang, en

o maand 3 na beschikking: 1x per 14 dagen een weekend-dagdeel bij de moeder thuis van 10.00-17.00 uur,

dan wel zoals het hof in goede justitie juist acht.

3. De gecertificeerde instelling heeft zich hiertegen ter terechtzitting verweerd en aangevoerd dat het in het belang van de minderjarige is dat de “voogdijmaatregel bij de gecertificeerde instelling blijft liggen”.

Formele gronden

4. De moeder voert allereerst aan dat nu de rechtbank zich in de beschikking van 14 januari 2014 heeft gebaseerd op een onjuist wetsartikel, namelijk artikel 1:297 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in plaats van de artikelen 1:253r in verbinding met 1:253q BW, zij in de bestreden beschikking niet zonder een herstelbeschikking tot het oordeel had kunnen komen dat beide artikelen dezelfde strekking hebben. De gecertificeerde instelling is op basis van een verkeerd wetsartikel tot voogdes over de minderjarige benoemd. Dit brengt volgens de moeder mee dat de beschikking van 14 januari 2014 nietig dient te worden verklaard. Hierbij verwijst de moeder naar HR 26 mei 2015, nr. 11/01347, ECLI:NL:HR:2015:1343. Verder is ten onrechte Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot voogdes benoemd in plaats van Bureau Jeugdzorg Rotterdam zodat inmiddels de gecertificeerde instelling, voorheen Jeugdzorg Rotterdam, al meer dan anderhalf jaar onbevoegd de voogdij over de minderjarige uitoefent. Ook dit leidt er volgens de moeder toe dat de beschikking van 14 januari 2014 moet worden vernietigd, omdat Bureau Jeugdzorg Zuid Holland anderhalf jaar niets heeft gedaan als tijdelijke voogd.

5. De gecertificeerde instelling heeft ter terechtzitting de stellingen van de moeder betwist. Namens de gecertificeerde instelling wordt erop gewezen dat zij, voorheen Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, al sinds 2012 bij de onderhavige zaak betrokken is en dat nimmer een ander vestiging bemoeienis heeft gehad met deze zaak. De rechtbank heeft dan ook in haar andere beschikking van 14 januari 2014 een schrijffout gemaakt met de benoeming van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot voogdes.

6. Het hof stelt voorop dat het wettelijk kader zoals dit gold tot 1 januari 2015 nog van toepassing is, nu het inleidend verzoekschrift van de moeder is ingediend vóór die datum.

Het hof overweegt vervolgens dat de rechtbank haar beslissing van 14 januari 2014 op het verzoek van de raad (om Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam, te belasten met de voogdij over de minderjarige) heeft gebaseerd op artikel 1:297 lid 1 BW. Dit artikel ziet op de situatie dat tijdelijk een voorziening in het gezag moet worden getroffen doordat de voogd zijn taak niet naar behoren uitoefent of kan uitoefenen. In die (/de onderhavige) zaak was het echter een ouder, namelijk de moeder, die in de onmogelijkheid verkeerde het gezag uit te oefenen. Gelet hierop was op het verzoek van de raad dan ook artikel 1:253r in verbinding met 1:253q BW van toepassing. Het hof is echter van oordeel dat het vorenstaande niet de nietigheid van de desbetreffende beschikking met zich brengt. Vorenbedoelde uitspraak is immers inmiddels in kracht van gewijsde gegaan en heeft gezag van gewijsde gekregen. Dit brengt mee dat de benoeming van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot voogdes over de minderjarige, welke beslissing is vervat in de in kracht van gewijsde gegane beschikking van 14 januari 2014, in het onderhavige geding bindende kracht heeft. Ten overvloede merkt het hof daarbij op dat de rechtbank in de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat het toetsingskader van beide wetsartikelen dezelfde is. Uit de beschikking van 14 januari 2014 volgt dat de rechtbank heeft getoetst aan de criteria of sprake was van de situatie dat de ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeerden het gezag uit te oefenen dan wel het bestaan of de verblijfplaats van de ouders onbekend was.

7. Ter zake van de stelling dat de beschikking van 14 januari 2014 moet worden vernietigd omdat ten onrechte Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland als voogdes is benoemd in plaats van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, overweegt het hof het volgende. Destijds is in het inleidende verzoek door de raad verzocht Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam, te belasten met de voogdij over de minderjarige. In de op dat verzoek volgende beschikking van 14 januari 2014 heeft de rechtbank in de kop als belanghebbende, de stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, stadsregio Rotterdam, vermeld en heeft zij in het dictum Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot voogdes benoemd. Tot het moment van indiening van het onderhavige hoger beroep is voor alle partijen altijd duidelijk geweest dat de gecertificeerde instelling, voorheen Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam, als voogdes van de minderjarige optreedt. Immers, het is deze vestiging die vanaf 2012 bij het gezin van de moeder betrokken is geweest; er is nimmer een andere vestiging bij de zaak betrokken geweest. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de rechtbank abusievelijk een verkeerde naam heeft gebruikt voor de gecertificeerde instelling, het destijds bestaande en betrokken Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het hof de rechtsopvolgster van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, te weten de gecertificeerde instelling, als belanghebbende partij in de onderhavige procedure aanmerkt, zodat van vernietiging op die grond geen sprake kan zijn te meer nu deze niet ter beoordeling voorligt.

Gezag en omgang

8. In de visie van de moeder is een herstel in het gezag van de moeder in het belang van de minderjarige. Zij is wel degelijk duurzaam in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen. De rechtbank heeft in haar overwegingen teveel gewicht gegeven aan hoe het met de twee andere zonen van de moeder gaat, terwijl deze procedure om de minderjarige draait, aldus de moeder. Verder lijkt het alsof de rechtbank de zaak toetst aan de criteria voor een uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling in plaats van aan de wetsartikelen die over het ontslaan van een voogdes gaan. De moeder is - na een (ongeoorloofd) verblijf van 9 maanden (periode juli 2013 tot en met ongeveer maart 2014) in Brazilië met haar oudste twee zonen - inmiddels al lang terug in Nederland. Zij zorgt inmiddels ook weer zelf voor deze twee kinderen en er zijn geen contra-indicaties om de moeder ook weer in het gezag toe te laten over de minderjarige.

De moeder neemt ter terechtzitting met betrekking tot de omgang het standpunt in dat er inmiddels wel een omgangsregeling is maar dat die moet worden uitgebreid. Indien de moeder weer in het gezag over de minderjarige wordt gesteld, heeft zij ook meer wettelijke middelen tot haar beschikking om haar recht op omgang met de minderjarige af te dwingen.

9. De gecertificeerde instelling handhaaft ter terechtzitting haar standpunt dat het in het belang van de minderjarige is dat de voogdijmaatregel bij de gecertificeerde instelling blijft liggen en voert daartoe het volgende aan. De minderjarige is samen met haar twee broers in februari 2012 uit huis geplaatst wegens ernstige verwaarlozing, huiselijk geweld en vermoedens van seksueel misbruik bij de minderjarige door haar stiefvader. De minderjarige heeft in 2012 een batterijtje ingeslikt dat haar slokdarm zo ernstig heeft beschadigd dat zij niet meer kon eten en waarvoor zij in de jaren 2012 en 2013 twintig operaties heeft moeten ondergaan. Een samenwerkingsrelatie met de ouders aangaan bleek in die periode niet mogelijk. In juli 2013 verdwijnt de moeder met de stiefvader en de twee broers van de minderjarige; zij zijn vermoedelijk naar Brazilië vertrokken. Er bestonden zorgen dat de moeder ook de minderjarige zou meenemen, in verband met welk gevaar de minderjarige tijdelijk - voor een periode van vier maanden - in een ander pleeggezin is geplaatst. De moeder wordt op 10 februari 2014 - na acht maanden uit beeld van de gecertificeerde instelling te zijn geweest - in Rotterdam opgepakt en de twee broers van de minderjarige worden met spoed uit huis geplaatst in een crisis pleeggezin. Inmiddels verblijven de twee oudere broers van de minderjarige weer bij de moeder. De afgelopen periode is besloten de bezoekmomenten tussen de minderjarige en haar moeder weer op te starten. Inmiddels hebben vijf omgangscontacten plaatsgevonden die overwegend positief zijn verlopen. De gecertificeerde instelling wil deze bezoekmomenten in september gaan evalueren, eventueel uitbreiden en het verloop daarvan afwachten. Ook wil zij het verloop van de voor de minderjarige in verband met haar trauma’s geïndiceerde speltherapie afwachten, waarvan de intake fase inmiddels is afgerond. De minderjarige is gehecht binnen het pleeggezin waar zij met een tussenpoos van vier maanden, al drie jaar woont en waarvan zij heeft aangegeven daar te willen blijven. De minderjarige ontwikkelt zich positief en zij heeft behoefte aan duidelijkheid, die zij nu heeft. De gecertificeerde instelling zal zich ook gaan beraden of zij een verzoek zal indienen voor een verder strekkende maatregel.

10. Onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot het toepasselijk wettelijk kader is overwogen onder rechtsoverweging 6, is aan de orde het verzoek van de moeder om haar weer met het gezag te belasten, zoals bedoeld in artikel 1:253r lid 2 BW in verbinding met artikel 1:277 lid 1 BW. In dat kader zal het hof toetsen of het kind weer aan de ouder mag worden toevertrouwd.

11. Het hof overweegt als volgt. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarige een beschadigd meisje is dat onder meer getuige is geweest van huiselijk geweld en dat ernstig is verwaarloosd voordat zij (samen met haar twee oudere broers) in februari 2012 uit huis werd geplaatst. Tijdens de crisisplaatsing heeft de minderjarige op enig moment een batterijtje ingeslikt waardoor haar slokdarm is beschadigd en in verband waarmee zij in de jaren 2012 en 2013 twintig operaties heeft moeten ondergaan. De minderjarige verblijft - met een onderbreking van vier maanden waarin zij in een ander pleeggezin heeft verbleven wegens een dreigende ontvoering door de moeder - ruim drie jaar in de veilige, rustige en gestructureerde opvoedingsomgeving van haar pleeggezin. Zij ontwikkelt zich goed in dit pleeggezin. Verder overweegt het hof dat nadat de moeder de minderjarige geruime tijd niet heeft gezien, het afgelopen half jaar vijfmaal een omgangsmoment tussen de minderjarige, haar twee broers, de moeder en de stiefvader van telkens twee uur heeft plaatsgevonden. Hiervan heeft de gecertificeerde instelling ter zitting aangegeven deze op korte termijn te gaan evalueren, waarbij zij op dit moment voornemens is deze omgangsmomenten uit te breiden. Ook zal dan door de gecertificeerde instelling worden besloten of een verzoek tot een verder strekkende maatregel zal worden gedaan. Daar komt bij dat de minderjarige binnenkort zal starten met speltherapie in verband met de bij haar geconstateerde trauma’s. Gelet op de ingrijpende gevolgen van een beëindiging van de gezag beperkende maatregel, namelijk een (directe) toevertrouwing van de minderjarige aan de moeder, acht het hof het thans prematuur deze maatregel te beëindigen. Nu nog onduidelijk is hoe de minderjarige zal reageren op de speltherapie, hoe de huidige omgangscontacten zullen worden geëvalueerd en hoe een mogelijke uitbreiding van die contacten zal verlopen en waar het perspectief van de minderjarige ligt, acht het hof zich op dit moment onvoldoende voorgelicht. In afwachting van vorenstaande evaluatiemomenten van de gecertificeerde instelling en het standpunt van de gecertificeerde instelling in het kader van een eventueel verder strekkende maatregel, acht het hof het in het belang van de minderjarige dat zij zich op dit moment nog verder kan ontwikkelen in de veilige omgeving van haar pleeggezin; een wijziging van de huidige gezagssituatie op dit moment zal de ontwikkeling van de minderjarige ernstig verstoren. Dit alles brengt mee dat het hof de behandeling van de zaak pro forma zal aanhouden tot 18 december 2015. Naar het oordeel van het hof moet prioriteit worden gegeven aan een intensivering van de omgangsmomenten om te bezien wat het effect hiervan op de minderjarige is en het hof vertrouwt erop dat in december 2015 voor de gecertificeerde instelling bekend zal zijn wat het perspectief van de minderjarige is en daarover het hof bericht.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

houdt de behandeling aan tot zaterdag 18 december 2015 pro forma, ter fine als hiervoor onder rechtsoverweging 11 is vermeld;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgang aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Obbink-Reijngoud en Mulder, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 september 2015.