Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2771

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
BK-14_01678 BK-14_01679
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:15637, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1417
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikkingen terecht heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2181
NTFR 2015/3204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/01678 en BK-14/01679

Uitspraak d.d. 16 september 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank van 13 november 2014, nummers SGR 13/9345 en SGR 14/421 betreffende na te melden beschikkingen.

Beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 21 augustus 2013 voor de jaren 2003 tot en met 2007 en op 16 oktober 2013 voor het jaar 2008 aan belanghebbende informatiebeschikkingen gegeven als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 23 oktober 2013 en 10 december 2013 heeft de Inspecteur de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop de uitspraak is verzonden, alsnog aan de Inspecteur de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie te verstrekken.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 122 voor de behandeling van de zaken BK-14/01678 en BK-14/01679. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015 te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Het onderhavige hoger beroep is gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van belanghebbende, BK-14/01398, betreffende de aan belanghebbende gegeven informatiebeschikking voor het jaar 2009 en met het hoger beroep van de erven [Y] , BK-14/01681 en BK-14/01682 betreffende informatiebeschikkingen voor de jaren 2001 tot en met 2008 en 2009. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in deze zaken wordt geacht te zijn overgelegd en aangevoerd in de onderhavige zaken. Van het ter zitting verhandelde is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

“1. Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux). Het betreft de volgende renseignementen:

a. de bij brief van 27 oktober 2000 door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekte gegevens (renseignementen A). De renseignementen A vermelden onder meer een rekening met nummer [A] met een saldo op 31 januari 1994 van (in totaal) BEF 20.659.109 (één termijndeposito van BEF 20.662.137 (€ 508.693) en een zichtrekening van BEF - 3.028) ten name van [B] . Voorts staat in de kop van de renseignementen A “pers. phys.” vermeld;

b. de – in aanvulling op de renseignementen A – bij brief van 21 februari 2003 door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens betreffende zogenoemde

“ […] ”-coderekeningen bij de KB Lux (renseignementen B). Op de renseignementen B staat onder meer, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"TRANSACTION INTPSI CLE DE RECHERCHE [A] 21/06/1993

(…)

INTITULE [B] (…)

TRANSACTION INTTTU CLE DE RECHERCHE [A] 21/06/1993

(…)

TITULAIRE------------------------

INTITULE [B]

NOMBRE DE TIT. 01

NO TITULAIRE 01 POUVOIR TIT. TIT. PART ENTIERE NUMERO PERSONNE […]

NOM MONSIEUR [Y]

PRENOMS [Y]

ADRESSE DOMICILE

(…) [C] (…)

(…) [Z]

(…) 040 PAYS-BAS

NO TELEPHONE […]

NATIONALITE 040 PAYS-BAS DATE DE NAISSANCE […]

PROFESSION 41 E. PRIVEE DIRECTION

(…) OUVERTURE: 10-05-90 MODIFICATION: 10-05-90.”.

2. Verweerder heeft de (overleden) echtgenoot van eiseres, [Y] (de echtgenoot), geboren [in] 1935 en overleden [in] 2012, als houder van de onder 1.a. genoemde rekening geïdentificeerd en hem hierover voor het eerst in december 2003 aangeschreven. De echtgenoot heeft steeds ontkend een rekening bij de KB Lux te hebben gehad.

3. De echtgenoot was tot zijn overlijden directeur en enig aandeelhouder in [D] B.V. (de vennootschap). Eiseres is sinds het overlijden van de echtgenoot directeur en enig aandeelhouder in de vennootschap. De vennootschap en de echtgenoot stonden op 10 mei 1990 op hetzelfde adres, [C] te [Z] , ingeschreven. Op de renseignementen B, zoals hiervoor onder 1.b. is opgenomen, staat het telefoonnummer van de vennootschap vermeld.

4. Eiseres en de echtgenoot hebben in hun aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 tot en met 2008 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een KB Lux rekening. Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2003 tot en met 2008 aanslagen opgelegd, waarbij voor de jaren 2003 tot en met 2007 correcties zijn aangebracht in verband met de hiervoor onder 1.a. genoemde rekening. Eiseres heeft tegen de aanslagen over de jaren 2003 tot en met 2007 bezwaar gemaakt. Op deze bezwaren is nog geen uitspraak gedaan.

5. Bij brief van 13 juni 2013 heeft verweerder – in verband met een nog op te leggen navorderingsaanslag over het jaar 2008 – eiseres om nadere gegevens betreffende de KB Lux rekening met nummer [A] voor het jaar 2008 verzocht. Daarbij is aan eiseres gevraagd of zij in 2008 rekeninghouder was van voormelde rekening. Voorts is aan haar verzocht om de saldigegevens op 1 januari en 31 december 2008 dan wel de gegevens waar het eerder op de KB Lux rekening gestalde vermogen in het jaar 2008 is aangehouden en de gegevens over de besteding van dat vermogen te verstrekken.

6. Bij brief van 16 juli 2013 heeft verweerder – in verband met de opgelegde aanslagen voor de jaren 2003 tot en met 2007 – eiseres verzocht om nadere gegevens betreffende de KB Lux rekening van de echtgenoot met nummer [A] te verstrekken, waaronder de bankafschriften van de saldigegevens per 31 december 2000 tot en met 31 december 2010 alsmede de hoogte en het bestedingsdoel van de opnamen dan wel overboekingen van die rekening. Bij brief van 7 augustus 2013 heeft eiseres aangegeven dat zij geen buitenlandse bankrekening in die jaren heeft aangehouden.

7. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikkingen terecht heeft gegeven, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd:

De Inspecteur had de informatiebeschikkingen niet mogen nemen. Het betreft in dit geval een coderekening. Dat is niet hetzelfde als identificatie aan de hand van de gegevens van een rekening op naam. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met haar eerdere uitspraak van 24 juli 2014, SGR 13/9066 waarin is geoordeeld dat de omstandigheid dat de vennootschap rekeninghouder is (geweest) van de rekening en de echtgenoot en belanghebbende middels hun aandeelhouderschap over het geld van de vennootschap hebben kunnen beschikken, nog niet meebrengt dat de zij als (mede-) rechthebbenden van die rekening dienen te worden aangemerkt en dat belanghebbende de aan haar gestelde vragen onjuist zou hebben beantwoord: Voor eerdere belastingjaren heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof waarin de echtgenoot van belanghebbende op vergelijkbare gronden in het gelijk is gesteld, in stand gelaten (Hoge Raad 12 april 2013, 12/01607, ECLI:NL:HR:2013:BZ:6816). Daarmee is onherroepelijk vast komen te staan dat de identificatie van de echtgenoot van belanghebbende niet adequaat is geweest. De Inspecteur heeft in hoger beroep geen andere en/of geen nieuwe gegevens aangevoerd of overgelegd.

De rechtbank heeft geen rekening gehouden met het tijdsverloop dat is verstreken vanaf de datum van het renseignement en de jaren waarover thans informatie wordt opgevraagd. Elk belastingjaar staat op zich en de rechtbank moet dus voor elk jaar feiten vaststellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende rekeninghouder is in dat jaar. De kracht van het bewijs van het renseignement neemt af voor de latere belastingjaren. Het is algemeen bekend dat het niet vanzelfsprekend is dat rekeninghouders voor een langere periode een rekening aanhouden. De rechtbank had moeten meewegen dat bewijs leveren van iets wat niet bestaat voor belanghebbende heel lastig is en dat belanghebbende daardoor in bewijsnood verkeert.

Het is algemeen bekend dat KB-Lux geen informatie verstrekt. Doordat bij sommigen een reactie van de bank uitbleef, heeft een aantal de bank persoonlijk bezocht voor een verklaring dat hij/zij geen rekening heeft, dan wel dat de rekening is opgeheven. De bank verricht geen onderzoek wanneer de belanghebbenden langer dan 10 jaar geleden cliënt waren en wanneer zij cliënten zijn geweest en de rekening is opgeheven. De bank geeft in het geheel geen verklaring in verband met het in Luxemburg geldende bankgeheim.

4.3.

De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de beschikkingen.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid:

“10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met hetgeen hij heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, aannemelijk gemaakt dat de echtgenoot terecht als rekeninghouder van de onder 1.a. genoemde KB Lux rekening is geïdentificeerd. Verweerder heeft, anders dan in de eerdere KB Lux procedure van de echtgenoot bij het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHSGR:2012:626) en de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ:6816) en de eerdere procedure van eiseres bij de rechtbank Den Haag die zag op een andere informatiebeschikking (ECLI:NL:RBDHA:2014:9666), een nadere toelichting gegeven over de in de renseignementen A en B gebruikte afkortingen. Naar verweerder heeft gesteld, en de rechtbank aannemelijk acht, ziet de in de renseignementen B opgenomen tekst “Nombre de tit: 01” op één achterliggende rekeninghouder, en duidt de tekst “pouvoir tit. tit. part entiere” op volledige particuliere bevoegdheid. Uit de toelichting in het verweerschrift en bijlagen 1 en 2 van het verweerschrift komt voorts naar voren dat in de renseignementen van de KB Lux onderscheid wordt gemaakt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. Dit onderscheid valt op te maken uit de kop van de renseignementen, waarin de tekst “pers. phys.” (een afkorting voor personnes physiques, oftewel natuurlijke personen) dan wel de tekst “pers. mor.” (een afkorting voor personnes morales, oftewel rechtspersonen) staat vermeld. Gelet op het vorenstaande, het feit dat in de kop van de renseignementen A de tekst “pers. phys.” staat vermeld en een en ander in onderlinge samenhang bezien met de overige in de renseignementen A en B vermelde gegevens en de nadere toelichting van verweerder daarop, is de rechtbank van oordeel dat, anders dan het gerechtshof en de rechtbank in de eerdere procedures hebben geoordeeld, uitsluitend de echtgenoot als rekeninghouder van de onder 1.a. genoemde KB Lux rekening kan worden aangemerkt. Eiseres heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Uit de tekst “betrokken personen” op bladzijde 2 van de renseignementen B (bijlage 3 van het verweerschrift) kan, anders dan eiseres ter zitting heeft gesteld, niet worden afgeleid dat andere (rechts-)personen tot die rekening gerechtigd zijn (geweest).

11 De rechtbank acht het voorts, gelet op de hoogte van het aanzienlijke saldo van de KB Lux rekening op 31 januari 1994 en de wijze waarop dat saldo is belegd, aannemelijk dat de echtgenoot een belegging voor de lange termijn heeft aangehouden, zodat niet uitgesloten is dat hij in de jaren 2003 tot en met 2008 nog steeds over (een deel van) dat saldo heeft kunnen beschikken. Nu de echtgenoot op grond van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 gehouden was om aan eiseres voor de jaren 2003 tot en met 2008 inzicht te geven in zijn vermogenspositie en verder verzwegen vermogensbestanddelen op grond van vorengenoemd artikel aan beide echtgenoten voor de helft worden toegerekend, kon verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiseres voor de jaren 2003 tot en met 2008 van belang kon zijn, omdat die informatie opheldering zou kunnen geven over de vraag of eiseres in die jaren over niet door haar aangegeven vermogen beschikte (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). De omstandigheid dat de renseignementen A saldigegevens uit het jaar 1994 bevatten, kan aan voormeld oordeel niet afdoen, aangezien voor de bevoegdheid van verweerder tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47, eerste lid, van de Awr niet vereist is dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de echtgenoot een KB Lux rekening heeft gehad in de jaren waarover informatie wordt opgevraagd; een redelijk vermoeden daartoe is voldoende (vgl. Hoge Raad 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1016).

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres uit de context van de brieven van 13 juni en 16 juli 2013 moeten begrijpen dat de daarin gestelde vragen de onder 1 genoemde KB Lux rekening van de echtgenoot betroffen. Zij heeft met de in haar brief van 7 augustus 2013 gegeven reactie niet alle door verweerder voor de jaren 2003 tot en met 2008 gestelde vragen betreffende het vermogen van die rekening beantwoord. Gelet op het vorenstaande heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aan haar informatieverplichting voldaan en zijn de informatiebeschikkingen dan ook terecht gegeven. De omstandigheid dat de informatiebeschikking van 16 oktober 2013 betrekking heeft op een nog op te leggen navorderingsaanslag over het jaar 2008 kan aan voormeld oordeel niet afdoen, aangezien verweerder in de aanslagfase van de, naar hij heeft gesteld en de rechtbank aannemelijk acht, na 1 juli 2011 opgelegde, aanslag over het jaar 2008 geen vragen heeft gesteld omtrent de onder 1.a. genoemde KB Lux rekening. Ook de omstandigheid dat verweerder de informatiebeschikking van 21 augustus 2013 voor de jaren 2003 tot en met 2007 in de bezwaarfase van de aanslagen voor die jaren heeft gegeven, brengt niet mee dat deze informatiebeschikking moet worden vernietigd. Anders dan eiseres ter zitting heeft gesteld, staat het verweerder vrij om in een geval als het onderhavige, waarin de aanslagen, naar tussen partijen niet in geschil is, vóór 1 juli 2011 zijn opgelegd, een informatiebeschikking in de bezwaarfase tegen die aanslagen vast te stellen. Immers, verweerder kon in de aanslagfase van deze aanslagen, gelet op de vóór 1 juli 2011 geldende wetgeving, nog geen informatiebeschikking vaststellen. Daarnaast kan met de invoering van artikel 52a van de Awr per 1 juli 2011, gelet ook op het doel en strekking van dat artikel (het verbeteren van rechtsbescherming van belastingplichtigen), niet zijn beoogd dat het vaststellen van een informatiebeschikking in de bezwaarfase in vorengenoemde situaties is uitgesloten.

Slotsom

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het gaat erom of de in de beschikkingen gevraagde informatie over het verloop van de rekening [A] bij KB Lux van belang kan zijn voor de inkomstenbelastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend.

7.1.1.

Aan hetgeen de Inspecteur in hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd, in het bijzonder het afschrift van een renseignement waarop onder meer een Nederlandse coderekening met vermelding van de naam van een natuurlijk persoon voorkomt, in samenhang met hetgeen hij dienaangaande in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd, in het bijzonder ten aanzien van de overige op de microfiches voorkomende gegevens, acht het Hof aannemelijk dat de echtgenoot van belanghebbende over de KB Lux-bankrekening [A] heeft beschikt. Hieraan doet de beslissing van het Hof van 3 februari 2012 op het hoger beroep van de echtgenoot betreffende de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente voor de jaren 1991 en 1992 niet af, omdat het Hof in die zaken niet beschikte over de aanvullende informatie, die in de onderhavige procedure is verstrekt met betrekking tot de duiding van de op de renseignementen voorkomende gegevens, namelijk de omstandigheid dat “Nombre de tit:01” duidt op één achterliggende rekeninghouder, bezien in samenhang met de vermelding van ”pouvoir tit. tit. part. entiere” waarmee de volledige bevoegdheid van een particulier om over de rekening te beschikken wordt bedoeld, terwijl de aanduiding “pers. phys.”, die op het renseignement is vermeld, een afkorting is van het Franse equivalent van natuurlijke persoon, in tegenstelling tot de aanduiding “pers. mor”, die een afkorting is van het Franse equivalent van rechtspersoon, welke laatste aanduiding niet voorkomt op het renseignement. De omstandigheid dat het oordeel omtrent de onvolledigheid van de identificatie in de procedures tegen de aanslagen 1991 en 1992 na het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, 12/01607, ECLI:NL:HR:2013: BZ:6816 onherroepelijk is komen vast te staan, staat er niet aan in de weg dat voor een later jaar een (hernieuwde) beoordeling van de in die procedure aangevoerde feiten en omstandigheden plaatsvindt.

7.1.2.

Hetgeen belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd, in het bijzonder de “statement of liquidities date 25/03/97 [E] [D] B.V.”, eenzelfde soort “statement” per 31/05/1995 en per 3/11/95 alsmede een “extrait du compte du 09/05/90 no:2”, alle betrekking hebbend op rekeningnummer [E] ten name van [D] B.V., brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De gegevens die over deze rekening zijn overgelegd sluiten niet uit dat de echtgenoot van belanghebbende rekeninghouder kan zijn geweest van de rekening [A] .

7.2.

De hoogte van het saldo van de rekening per 31 januari 1994 alsmede de omstandig-heid dat sprake is van een termijndeposito doen aannemelijk zijn dat de echtgenoot van be-langhebbende een belegging voor de lange termijn aanhield of heeft aangehouden zodat niet is uitgesloten dat hij in de jaren 2003 tot en met 2009 waarvoor de informatie wordt ge-vraagd nog steeds beschikte over een deel van het saldo van dat vermogen.

7.3.

De Inspecteur kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde in-formatie voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2003 tot en met 2009 van belang kon zijn, omdat die informatie helderheid zou kunnen geven over de vraag of de echtgenoot van belanghebbende in die jaren over niet door hem aangegeven vermogen beschikte (vergelijk HR 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Dit vermogen wordt belanghebbende als echtgenote toegerekend met toepassing van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001

7.4.

Anders dan belanghebbende stelt, is voor de beantwoording van de vraag of de

Inspecteur bij belanghebbende informatie mocht opvragen niet bepalend of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de echtgenoot een rekening bij KB Lux had in het jaar waar-over de informatie is gevraagd en ook niet de omstandigheid dat het saldo op de rekening in de loop van de jaren kan zijn afgenomen. Ten overvloede zij nog overwogen dat belanghebbende geen bewijs heeft bijgebracht van haar stelling dat zij zich niet tot de KB Lux zou kunnen wenden en in de onmogelijkheid verkeert om informatie te verschaffen.

7.5.

Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47 van de Awr terecht om informatie over het verloop van de rekening [A] bij de KB Lux heeft gevraagd.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, voorzitter, G.J. van Leijenhorst en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 16 september 2015 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. engel ondertekend door mr. Van Leijenhorst.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.