Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2770

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
Bk-14_01398
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:9666, Overig
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1415
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikking terecht heeft gegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2183
NTFR 2015/3188 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01398

Uitspraak d.d. 16 september 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2014, nummer SGR 13/9066 betreffende na te melden beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 5 september 2013 voor het jaar 2009 aan belanghebbende een informatiebeschikking gegeven als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2013 heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de informatiebeschikking vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar alsmede de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van € 1.217 aan proceskosten en € 44 aan griffierecht.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015 te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Het onderhavige hoger beroep is gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van belanghebbende, BK-14/01678 en BK-14/01679, betreffende de aan belanghebbende gegeven informatiebeschikkingen voor de jaren 2003 tot en met 2007 en het jaar 2008 en met het hoger beroep van de erven [Y] , BK-14/01681 en BK-14/01682 betreffende informatiebeschikkingen voor de jaren 2001 tot en met 2008 en voor het jaar 2009. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in deze zaken wordt geacht te zijn overgelegd en aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het ter zitting verhandelde is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

“1. Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux). Het betreft de volgende renseignementen:

a. de bij brief van 27 oktober 2000 door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekte gegevens (renseignementen A). De renseignementen A vermelden onder meer een rekening met nummer [A] met een saldo op 31 januari 1994 van (in totaal) BEF 20.659.109 (één termijndeposito van BEF 20.662.137 (€ 508.693) en een zichtrekening van BEF - 3.028) ten name van [B] . Voorts staat in de kop van de renseignementen A “pers. phys.” vermeld;

b. de – in aanvulling op de renseignementen A – bij brief van 21 februari 2003 door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens betreffende zogenoemde “ […] ”-coderekeningen bij de KB Lux (renseignementen B). Op de renseignementen B staat onder meer, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"TRANSACTION INTPSI CLE DE RECHERCHE [A] 21/06/1993

(…)

INTITULE [B] (…)

TRANSACTION INTTTU CLE DE RECHERCHE [A] 21/06/1993

(…)

TITULAIRE------------------------

INTITULE [B]

NOMBRE DE TIT. 01

NO TITULAIRE 01 POUVOIR TIT. TIT. PART ENTIERE NUMERO PERSONNE […]

NOM MONSIEUR [Y]

PRENOMS [Y]

ADRESSE DOMICILE

(…) [C] (…)

(…) [Z]

(…) 040 PAYS-BAS

NO TELEPHONE […]

NATIONALITE 040 PAYS-BAS DATE DE NAISSANCE […]

PROFESSION 41 E. PRIVEE DIRECTION

(…) OUVERTURE: 10-05-90 MODIFICATION: 10-05-90.”.

2. Verweerder heeft de (overleden) echtgenoot van eiseres, [Y] (de echtgenoot), geboren op [in] 1935 en overleden [in] 2012, als houder van de onder 1.a. genoemde rekening geïdentificeerd en hem hierover voor het eerst in december 2003 aangeschreven. De echtgenoot heeft steeds ontkend een rekening bij de KB Lux te hebben gehad.

3. De echtgenoot was tot zijn overlijden directeur en enig aandeelhouder in [D] B.V. (de vennootschap). Eiseres is sinds het overlijden van de echtgenoot directeur en enig aandeelhouder in de vennootschap. De vennootschap en de echtgenoot stonden op 10 mei 1990 op hetzelfde adres, [C] te [Z] , ingeschreven. Op de renseignementen B, zoals hiervoor onder 1.b. is opgenomen, staat het telefoonnummer van de vennootschap vermeld.

4. Eiseres heeft in haar aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2009 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een KB Lux rekening.

5. Bij brief van 4 april 2013 heeft verweerder eiseres verzocht om alle gegevens betreffende de KB Lux rekening van haar overleden echtgenoot met nummer [A] te overleggen. Nadat een reactie van de zijde van eiseres was uitgebleven, heeft verweerder bij brief van 25 juni 2013 eiseres verzocht om de op de formulieren “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en) en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” gestelde vragen te beantwoorden en daarbij de gevraagde afschriften over de periode 31 december 2000 tot en met 31 december 2010 te verstrekken. In die formulieren wordt van eiseres gevraagd om aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen zij rekeninghouder is geweest en daarbij gegevens te verstrekken over de data van opening en opheffing van de rekeningen, de data van stortingen en/of overmakingen, de wijze van opnamen en/of overboekingen, de hoogte van de stortingen, overmakingen, opnamen en overboekingen, de herkomst van de stortingen en/of overmakingen en het bestedingsdoel van de opnamen of overboekingen.

6. Bij brief van 7 augustus 2013 heeft de gemachtigde aangegeven dat eiseres over de onderhavige jaren, waarover verweerder informatie wenst, geen buitenlandse bankrekening heeft aangehouden. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld, waarbij hij, onder verwijzing naar de vragenbrieven van 4 april 2013 en 25 juni 2013, heeft verzocht om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. ”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikking terecht heeft gegeven, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2.

De Inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt – zakelijk weergegeven – aangevoerd:

Gelet op de door de Inspecteur overgelegde gegevens komt er maar één natuurlijk persoon in aanmerking als rekeninghouder en dat is de echtgenoot van belanghebbende. In de door de Inspecteur overgelegde gegevens kan geen enkele aanwijzing worden gevonden voor de veronderstelling dat de rekening aan de besloten vennootschap zou toebehoren. Bovendien blijkt het rekeninghouderschap ook nog eens uit de afdrukken van de microfiches waarop [B] voorkomt: in de kop van de microfiches komt in de laatste regel de omschrijving “pers. phys." (1293 met de toevoeging clients) voor, dat wil zeggen “personnes physiques” oftewel "natuurlijke personen". De daaronder opgenomen rekeningen behoren dus toe aan natuurlijke personen en niet aan rechtspersonen. Zou de rechthebbende achter [B] een rechtspersoon zijn, dan zou de rekening voorkomen onder het kopje ”clients. pers. mor.", dat wil zeggen personnes morales oftewel rechtspersonen.

4.3.

Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd:

De Inspecteur had de informatiebeschikking niet mogen nemen. Het betreft in dit geval een coderekening. Dat is niet hetzelfde als identificatie aan de hand van de gegevens van een rekening op naam. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat de vennootschap rekeninghouder is (geweest) van de rekening en de echtgenoot en belanghebbende middels hun aandeelhouderschap over het geld van de vennootschap hebben kunnen beschikken, nog niet meebrengt dat zij als (mede-) rechthebbenden van die rekening dienen te worden aangemerkt en dat belanghebbende de aan haar gestelde vragen onjuist zou hebben beantwoord: voor eerdere belastingjaren heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof waarin de echtgenoot van belanghebbende op vergelijkbare gronden in het gelijk is gesteld, in stand gelaten (Hoge Raad 12 april 2013, 12/01607, ECLI:NL:HR:2013:BZ:6816). Daarmee is onherroepelijk vast komen te staan dat de identificatie van de echtgenoot van belanghebbende niet adequaat is geweest. De Inspecteur heeft in hoger beroep geen andere en/of geen nieuwe gegevens aangevoerd of overgelegd.

Het is algemeen bekend dat KB-Lux geen informatie verstrekt. Doordat bij sommigen een reactie van de bank uitbleef, heeft een aantal de bank persoonlijk bezocht voor een verklaring dat hij/zij geen rekening heeft, dan wel dat de rekening is opgeheven. De bank verricht geen onderzoek wanneer de belanghebbenden langer dan 10 jaar geleden cliënt waren en wanneer zij cliënten zijn geweest en de rekening is opgeheven. De bank geeft in het geheel geen verklaring in verband met het in Luxemburg geldende bankgeheim.

4.4.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2.

Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid:

“9. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen navorderingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

10. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor de beoordeling of de vastgestelde informatiebeschikking rechtmatig is, van belang is of eiseres, met hetgeen zij aan informatie heeft verstrekt, heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Awr. Verweerder neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op verweerder de last rust om dit aannemelijk te maken.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat haar brief van 7 augustus 2013 betrekking heeft op het jaar 2009. Aldus heeft eiseres met haar brief van 7 augustus 2013 de vragenbrief van verweerder van 25 juni 2013 voor het jaar 2009 beantwoord en heeft zij informatie voor dat jaar verstrekt. Met betrekking tot de juistheid en volledigheid van de door eiseres verstrekte informatie overweegt de rechtbank als volgt. Hetgeen verweerder op dit punt heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de conclusie dat eiseres met haar in de brief van 7 augustus 2013 gegeven antwoord onjuiste dan wel onvolledige informatie aan verweerder heeft verstrekt. Bovendien heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage in haar uitspraak van 3 februari 2012, nr. BK-04/02528, ECLI:NL:GHSGR:2012:626, betreffende een KB Lux procedure van de echtgenoot, geoordeeld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een adequate identificatie en dat niet is uitgesloten dat de onder 1.a. genoemde KB Lux rekening aan de vennootschap is verbonden. De Hoge Raad heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie bij arrest van 12 april 2013, nr. 12/01607, ECLI:NL:HR:2013:BZ6816, met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om van het eerdere oordeel van het gerechtshof af te wijken, nu uit het door verweerder in deze procedure ingebrachte proces-verbaal van ambtshandeling van 25 maart 2013, waarin is opgenomen dat de echtgenoot op 10 mei 1990 op het adres [C] te [Z] stond ingeschreven, geen nieuwe feiten en gegevens naar voren zijn gekomen die niet reeds in voormelde procedure van de echtgenoot bij het gerechtshof bekend waren. Daarnaast brengt ook de stelling van verweerder, dat in het geval de vennootschap rekeninghouder is (geweest) van de onder 1.a. genoemde rekening de echtgenoot en eiseres middels hun aandeelhouderschap over het geld van de vennootschap hebben kunnen beschikken, nog niet mee dat de echtgenoot en eiseres als (mede-)rechthebbenden van die rekening dienen te worden aangemerkt en dat eiseres de aan haar gestelde vragen van verweerder onjuist heeft beantwoord.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is van schending van de informatieverplichting dus geen sprake. De informatiebeschikking is dan ook ten onrechte ten aanzien van eiseres vastgesteld, zodat het beroep gegrond dient te worden verklaard.

Proceskosten

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het gaat erom of de in de beschikking gevraagde informatie over het verloop van de rekening [A] bij KB Lux van belang kan zijn voor de inkomstenbelastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend.

7.1.1.

Aan hetgeen de Inspecteur in hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd, in het bijzonder het afschrift van een renseignement waarop onder meer een Nederlandse coderekening met vermelding van de naam van een natuurlijk persoon voorkomt, in samenhang met hetgeen hij dienaangaande in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd, in het bijzonder ten aanzien van de overige op de microfiches voorkomende gegevens, acht het Hof aannemelijk dat de echtgenoot van belanghebbende over de KB Lux-bankrekening [A] heeft beschikt. Hieraan doet de beslissing van het Hof van 3 februari 2012 op het hoger beroep van de echtgenoot betreffende de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente voor de jaren 1991 en 1992 niet af, omdat het Hof in die zaken niet beschikte over de aanvullende informatie, die in de onderhavige procedure is verstrekt met betrekking tot de duiding van de op de renseignementen voorkomende gegevens, namelijk de omstandigheid dat “Nombre de tit:01” duidt op één achterliggende rekeninghouder, bezien in samenhang met de vermelding van ”pouvoir tit. tit. part. entiere” waarmee de volledige bevoegdheid van een particulier om over de rekening te beschikken wordt bedoeld, terwijl de aanduiding “pers. phys.”, die op het renseignement is vermeld, een afkorting is van het Franse equivalent van natuurlijke persoon, in tegenstelling tot de aanduiding “pers. mor”, die een afkorting is van het Franse equivalent van rechtspersoon, welke laatste aanduiding niet voorkomt op het renseignement. De omstandigheid dat het oordeel omtrent de onvolledigheid van de identificatie in de procedures tegen de aanslagen 1991 en 1992 na het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, 12/01607, ECLI:NL:HR:2013: BZ:6816 onherroepelijk is komen vast te staan, staat er niet aan in de weg dat voor een later jaar een (hernieuwde) beoordeling van de in die procedure aangevoerde feiten en omstandigheden plaatsvindt.

7.1.2.

Hetgeen belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd, in het bijzonder de “statement of liquidities date 25/03/97 [E] [D] B.V.”, eenzelfde soort “statement” per 31/05/1995 en per 3/11/95 alsmede een “extrait du compte du 09/05/90 no:2”, alle betrekking hebbend op rekeningnummer [E] ten name van [D] B.V., brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De gegevens die over deze rekening zijn overgelegd sluiten niet uit dat de echtgenoot van belanghebbende rekeninghouder kan zijn geweest van de rekening [A] .

7.2.

De hoogte van het saldo van de rekening per 31 januari 1994 alsmede de omstandigheid dat sprake is van een termijndeposito doen aannemelijk zijn dat de echtgenoot van belanghebbende een belegging voor de lange termijn aanhield of heeft aangehouden zodat niet is uitgesloten dat hij in de jaren 2003 tot en met 2009 waarvoor de informatie wordt gevraagd nog steeds beschikte over een deel van het saldo van dat vermogen.

7.3.

De Inspecteur kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2003 tot en met 2009 van belang kon zijn, omdat die informatie helderheid zou kunnen geven over de vraag of de echtgenoot van belanghebbende in die jaren over niet door hem aangegeven vermogen beschikte (vergelijk HR 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Dit vermogen wordt belanghebbende als echtgenote toegerekend met toepassing van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001

7.4.

Anders dan belanghebbende stelt, is voor de beantwoording van de vraag of de Inspecteur bij belanghebbende informatie mocht opvragen niet bepalend of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de echtgenoot een rekening bij KB Lux had in het jaar waarover de informatie is gevraagd en ook niet de omstandigheid dat het saldo op de rekening in de loop van de jaren kan zijn afgenomen. Ten overvloede zij nog overwogen dat belanghebbende geen bewijs heeft bijgebracht van haar stelling dat zij zich niet tot de KB Lux zou kunnen wenden en in de onmogelijkheid verkeert om informatie te verschaffen.

7.5.

Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47 van de Awr terecht om informatie over het verloop van de rekening [A] bij de KB Lux heeft gevraagd.

7.6.

Het vorenoverwogene voert het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven.

Proceskosten

Het Hof acht, nu het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- bevestigt de uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, voorzitter, G.J. van Leijenhorst en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 16 september 2015 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Engel ondertekend door mr. Van Leijenhorst.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.