Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2762

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
200.164.831/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet griffierecht. Wijziging eis in hoger beroep; verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.164.831/01

beschikking van 19 mei 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te Nijmegen,

opposant,

advocaat: mr J. de Graaf te Nijmegen,

tegen

de griffier van het Gerechtshof te Den Haag,

geopposeerde,

hierna te noemen: de griffier,

Het geding

Bij het op 15 januari 2015 ter griffie van het hof ingekomen faxbericht is opposante in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van griffierecht ten bedrage van € 1.601,--. De griffier heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat opposant bij brief van 17 februari 2015 was aangeschreven voor de opgave van verhinderdata in verband met de te plannen mondelinge behandelingen heeft mr. J. de Graaf bij faxbericht van 26 februari 2015 aan het hof kenbaar gemaakt dat opposant af ziet van het recht op een mondelinge behandeling en de voorkeur geeft aan een spoedige beslissing in de zaak. De mondelinge behandeling heeft mitsdien niet plaatsgevonden.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan.

1.2

Bij dagvaarding van 2 december 2014 heeft opposant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 10 september 2014 van de rechtbank Den Haag gewezen tussen opposante als eiseres en Unify B.V. (hierna: Unify), voorheen Siemens Enterprise Communications B.V. (hierna: Siemens), als gedaagde. Op de rolzitting van 6 januari 2015 is de zaak aangebracht. De zaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.164.831/01.

1.3

Volgens het petitum van de dagvaarding in hoger beroep vordert opposant vernietiging van voornoemd vonnis van de rechtbank Den Haag, en opnieuw rechtdoende, zakelijk weergegeven:

- de op 17 mei 2011 tussen hem en Unify gesloten vaststellingsovereenkomst te ontbinden wegens een aan Unify toe te rekenen tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst;

- Unify te veroordelen tot betaling aan opposant van de door opposant geleden schade die het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming van Unify, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

- de vorderingen van Unify af te wijzen.

1.4

Voor deze zaak is een griffierecht van € 1.601,- in rekening gebracht.

2. Opposant verzoekt om herziening van het griffierecht. Hij voert aan dat ofschoon in eerste aanleg het financiële belang inderdaad meer dan € 100.000,-- beliep, in hoger beroep bewust gekozen is een verklaring voor recht te vragen teneinde te voorkomen dat hij zich bij een eventueel verlies van de zaak geconfronteerd ziet met een hoge proceskostenveroordeling. Het gaat daarom anders dan in eerste aanleg om een vordering van onbepaalde waarde. Nu opposant een natuurlijk persoon is, dient het griffierecht op € 308,-- te worden gesteld, aldus opposant.

3. De griffier heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1

Het hof kan opposant in zijn standpunt niet volgen.

4.2

Vooropgesteld wordt dat bij de berekening van het griffierecht in een bij dagvaarding aanhangig gemaakte hoger beroepszaak volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel moet worden aangeknoopt bij (het bedrag van) de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het hoger beroep zich richt, had te beslissen. Daarbij biedt de wet geen ruimte voor een andere dan de formele uitleg van de vordering en mag de griffier bij de bepaling van het griffierecht niet door de vordering heen kijken (o.a. HR 27 september 2002, NJ 2002, 533). Dit is anders indien het hoger beroep zich beperkt tot een deel van de oorspronkelijke vordering (HR 8 februari 2005, NJ 2005, 227).

Hoewel de bedoelde jurisprudentie dateert uit de periode waarin de Wet tarieven in burgerlijke zaken nog van toepassing was, zijn er geen aanwijzingen dat binnen de huidige wettelijke regeling, de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), een ander uitgangspunt dient te worden gehanteerd.

4.3

Blijkens het bestreden vonnis diende de rechtbank (in conventie) te beslissen over (i) een vordering tot ontbinding van de op 17 mei 2011 tussen opposant en Siemens gesloten overeenkomst wegens wanprestatie van de zijde van Siemens, dan wel tot verklaring voor recht dat het handelen van Siemens te kwalificeren is als onrechtmatige daad, (ii) een vordering tot schadevergoeding (geleden verlies) van € 403.132,-- in hoofdsom en (iii) een vordering tot vergoeding van omzetschade, nader op te maken bij staat, alles met nevenvorderingen. Het gaat dus om twee vorderingen van onbepaalde waarde en één geldvordering. Indien sprake is van meer vorderingen, dienen deze vorderingen bij elkaar te worden opgeteld en wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van het totale beloop of de totale waarde van de gecumuleerde vorderingen (memorie van toelichting op artikel 10 Wgbz, TK 2008-2009, 31 758, nr 3, p. 11). Nu voor geldvorderingen tot
€ 12.500,-- hetzelfde griffierecht is verschuldigd als voor vorderingen van onbepaalde waarde, volgt hieruit dat bij een combinatie van (een) geldvordering(en) en (een) vordering(en) van onbepaalde waarde, steeds kan worden aangeknoopt bij het (totale) beloop geldvordering(en), in dit geval € 403.132,--. Dit is niet anders in het onderhavige geval waarin opposant – naar hij zelf stelt om de proceskosten te drukken – de geldvordering in hoger beroep heeft gewijzigd in een vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat, nu hij daarmee klaarblijkelijk niet heeft beoogd het hoger beroep te beperken tot een deel van de oorspronkelijke vordering. Daarbij merkt het hof op dat indien in de hoofdzaak geoordeeld zou worden dat Siemens aansprakelijk is jegens opposant, het hof in het licht van hetgeen over de schade (in eerste aanleg) reeds is gesteld in staat is de schade te begroten overeenkomstig artikel 6:97 BW. Dit strookt ook met de strekking van artikel 14 lid 1 Wgbz, waarin is bepaald dat indien de eis strekt tot veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat maar de rechter in het vonnis of het arrest overeenkomstig artikel 6:97 BW de schade heeft begroot, alsnog het griffierecht wordt geheven dat partijen verschuldigd zouden zijn geweest indien de eis in de dagvaarding had gestrekt tot betaling van een bepaalde geldsom ten belope van de begrote schade. Voor de vaststelling van het verschuldigde griffierecht in hoger beroep is de griffier dan ook terecht uitgegaan van een geldbedrag van € 403.132,--.

4.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van opposante tegen de beslissing van de griffier ongegrond is.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Verduyn, I.M. Davids, en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2015 in aanwezigheid van de griffier.