Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2746

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
22-000020-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 WVW. Grove verkeersfout. Rijden met hoge snelheid binnen de bebouwde kom. Verdachte, beroepschauffeur, heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor een verkeersongeval is veroorzaakt en een ander is gedood. Gelet o.a. op de LOVS-oriëntatiepunten, rechtspraak en persoonlijke omstandigheden van de verdachte veroordeelt het hof verdachte – anders dan de rechtbank – tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een rijontzegging voor de duur van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000020-15

Parketnummer: 09-818551-14

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1994,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 september 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te Leiden opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet als bestuurder rijdende over de weg (Kanaalweg)

- gereden met een snelheid van (ongeveer) 105 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of

- onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, tengevolge waarvan hij voornoemde [slachtoffer] heeft aangereden, waardoor voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaalweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 105 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, tengevolge waarvan hij voornoemde [slachtoffer] heeft aangereden, waardoor die [slachtoffer] werd gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de Kanaalweg te rijden met een snelheid van ongeveer 105 km/u, in elk geval een veel hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan);

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te Leiden als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende op de weg, Kanaalweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 105 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse,

Ten gevolge waarvan hij in botsing of aanrijding is gekomen met [slachtoffer], als gevolg waarvan genoemde [slachtoffer] werd gedood.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds is ingevorderd of ingehouden is geweest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en het subsidiair ten laste gelegde voor zover dit betreft de bestanddelen 'roekeloos' en ‘zeer’ (onvoorzichtig en/of onoplettend). Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsvrouw primair bepleit dat aan de verdachte een taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden opgelegd. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - gelijk aan de duur van het voorarrest - en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de tenlastelegging

Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de primair ten laste gelegde doodslag, nu niet uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte de bedoeling had om het slachtoffer te doden dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn rijgedrag tot een dodelijk verkeersslachtoffer zou leiden. De verdachte zal derhalve van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Dat het vastgestelde rijgedrag van de verdachte dient te worden aangemerkt als roekeloos, zoals (mede) subsidiair is ten laste gelegd, is evenmin gebleken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt roekeloosheid, zijnde de zwaarste aan opzet grenzende schuldvorm, slechts in uitzonderlijke gevallen aangenomen. Er dient dan komen vast te staan dat door een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen waarvan de verdachte zich bewust was, althans had moeten zijn. Nu hiervan uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, zal de verdachte van dit onderdeel van het subsidiair ten laste gelegde eveneens worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde (zeer, althans aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag van de verdachte, overweegt het hof als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of een verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:HR:2005:AO5822, NJ 2005, 252). Beslissende betekenis komt toe aan de omstandigheden waaronder de gedragingen zich hebben voltrokken.

Toegepast op de onderhavige zaak stelt het hof op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Op 15 juni 2014, iets na 23.00 uur, heeft binnen de bebouwde kom, op de Kanaalweg te Leiden, ter hoogte van een oversteekplaats voor fietsers en voetgangers, een aanrijding plaatsgevonden tussen de personenauto waarin de verdachte als bestuurder reed en een fietsster (hierna ook: het slachtoffer). De verdachte kwam uit de richting van het Lammenschansplein en reed in de richting van de Hoge Rijndijk. De kruising is voorzien van verkeerslichten. Kort voor deze kruising wordt de Kanaalweg tevens gekruist door een bewaakte spoorwegovergang, eveneens voorzien van verkeerslichten. Het slachtoffer stak met haar fiets door rood de oversteekplaats over op het moment dat de verdachte met groen licht en hoge snelheid kwam aanrijden. De verdachte kon het voertuig niet tijdig tot stilstand brengen en kwam met de voorzijde van het voertuig in botsing met de rechterzijde van de fiets van het slachtoffer. Ten gevolge van de verwondingen die het slachtoffer door de aanrijding heeft opgelopen is zij enige tijd later overleden (proces-verbaal uitgebreid d.d. 4 augustus 2014 met registratienummer 2014076890).

De verdachte heeft zowel tegenover de politie (proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 juni 2014 met nummer PL1600-2014076890-22; dossierpagina’s 35 tot en met 41) als tegenover de rechter-commissaris (d.d. 18 juni 2014) verklaard dat hij dacht niet harder dan 55 à 60 kilometer per uur te hebben gereden. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij daaraan toegevoegd dat hij de uitkomst van het technisch onderzoek niet betwist, maar dat hij voor zijn gevoel niet harder heeft gereden dan 60 à 70 km/uur. Nu de snelheid waarmee de verdachte op het moment van de aanrijding reed echter blijkens de uitgebreide ongevallenanalyse d.d. 4 augustus 2014 tenminste 103,82 km/uur bedroeg, gaat het hof daarvan uit bij de beoordeling van deze zaak.

Voorts staat vast dat ter plaatse maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan. Deze maximumsnelheid was met een verkeersbord aangegeven. Ten tijde van de aanrijding was voorts sprake van invallende duisternis (proces-verbaal uitgebreid d.d. 4 augustus 2014 met registratienummer 2014076890).

Van de genoemde oversteekplaats werd gebruik gemaakt door ongelijkwaardige – kwetsbare – verkeersdeelnemers. Voor weggebruikers die vanaf het Lammenschansplein via de Kanaalweg de oversteekplaats naderen, zoals de verdachte, was voor de spoorwegovergang links naast het verkeerslicht een waarschuwingsbord "fiets en bromfietsers” geplaatst (proces-verbaal uitgebreid d.d. 4 augustus 2014 met registratienummer 2014076890).

Naar het oordeel van het hof vroegen deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, om aanpassing van de snelheid aan de verkeerssituatie ter plaatse. De verdachte, die bekend was met de situatie ter plaatse, heeft ter terechtzitting in eerste aanleg desgevraagd verklaard dat hij ter plaatse geldende snelheid van 50 km/u redelijk vond en dat je die snelheid (het hof begrijpt: de door hem beweerdelijk gereden snelheid van 60 of 70 km/u) vanwege de situatie ter plaatse niet kunt rijden. Zelfs indien wordt uitgegaan van de beweerdelijk door hem gereden snelheid dan nog wist de verdachte dat hij veel te hard reed. Daarbij komt dat de verdachte beroepschauffeur was en bovendien in opleiding tot rijinstructeur was en derhalve als geen ander op de hoogte was, althans had dienen te zijn van de gevaarzettingen op de weg.

Het hof overweegt voorts dat in het verkeer medeweggebruikers op elkaar moeten kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld, maar bij het bepalen van de vraag of de verdachte hierbij, zoals is ten laste gelegd, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld, zoals vereist bij toepassing van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, dient het hof tevens de bijzondere omstandigheden van de zaak bij zijn beoordeling te betrekken.

De verdachte heeft de op hem rustende zorgplicht in het verkeer geschonden, reeds nu uit de uitgebreide ongevallenanalyse van 4 augustus 2014 is komen vast te staan dat de snelheid van de personenauto van de verdachte op het moment van de aanrijding minst genomen 103,82 km/u bedroeg. Aldus heeft de verdachte de snelheid die ter plaatse was toegestaan zodanig fors overschreden dat hij niet meer kon anticiperen op verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers, waaronder het slachtoffer. Bovendien mag in algemene zin van een bestuurder van een personenauto worden verwacht dat hij in staat is om zijn auto tijdig tot stilstand te brengen binnen een afstand dat hij de weg kan overzien en deze vrij is. Reeds uit de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer heeft aangereden, blijkt dat hij daartoe niet in staat was. Dit is verwijtbaar, tenzij bijzondere omstandigheden hieraan in de weg staan. Van dergelijke omstandigheden is het hof niet gebleken. Niet voldoende om een dergelijke omstandigheid aan te nemen is dat het slachtoffer op dat moment de rijbaan niet mocht oversteken omdat zij rood licht had. Een fietser is immers een zwakkere verkeersdeelnemer en van een bestuurder van een personenauto mag worden verwacht dat hij de grootst mogelijke zorg in acht neemt in situaties waar een fietser zich op of in de nabijheid van de rijbaan bevindt. De bestuurder van een personenauto dient er naar het oordeel van het hof altijd rekening mee te houden dat fietsers zich niet aan de verkeers- of gedragsregels houden en moet daarop (voldoende) kunnen anticiperen.

Daarbij komt het volgende. Ingevolge artikel 5.2.31 lid 11 van de Regeling Voertuigen moet het antiblokkeersysteem (veder: ABS) van een voertuig goed functioneren en is het de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden indien het voertuig niet deugdelijk van bouw en inrichting is, dan wel rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert (artikel 5.1.1. lid 1).

Uit technisch onderzoek naar het voertuig dat de verdachte bestuurde is gebleken dat het ABS van die auto niet, althans niet naar behoren, functioneerde, hetgeen de verdachte redelijkerwijs had kunnen en/of moeten weten nu hij, zoals hij in eerste aanleg ter terechtzitting heeft verklaard, al eerder het waarschuwings/storings-lampje van het ABS had zien branden. Indien het ABS naar behoren had gewerkt was de remafstand, volgens verbalisanten die het voertuig hebben onderzocht, korter geweest en was het voertuig tijdens een noodremming nog bestuurbaar geweest. Derhalve had de bestuurder bij een werkend ABS mogelijk nog een uitwijkmanoeuvre kunnen maken ter voorkoming van een aanrijding (proces-verbaal uitgebreid d.d. 4 augustus 2014 met registratienummer 2014076890).

Op grond van al hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen concludeert het hof ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, met betrekking tot het rijgedrag van verdachte dat dit rijgedrag dient te worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend en dat het derhalve aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden en dat het slachtoffer als gevolg daarvan is komen te overlijden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaalweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 105 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, ten gevolge waarvan hij [slachtoffer] heeft aangereden, waardoor die [slachtoffer] werd gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de Kanaalweg te rijden met een snelheid van ongeveer 105 km/u, in elk geval een veel hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is als bestuurder van een personenauto met een veel te hoge snelheid en aanzienlijk hoger dan ter plaatse wettelijk was toegestaan en zonder zijn snelheid te minderen en aan te passen aan de wegsituatie, een oversteekplaats voor fietsers genaderd. Het latere slachtoffer was op dat moment doende met haar fiets over te steken. De verdachte heeft haar te laat opgemerkt en is, omdat hij door zijn hoge snelheid het voertuig waarin hij reed niet tijdig tot stilstand kon brengen, tegen het slachtoffer aangereden. Het slachtoffer is uiteindelijk ten gevolge van de verwondingen die zij door de aanrijding heeft opgelopen overleden. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor een ongeval is veroorzaakt, de dood van het slachtoffer ten gevolge hebbende.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op uiterst laakbare wijze heeft veronachtzaamd met fatale gevolgen.

Voorts benadrukt het hof dat het leed dat door de ernstige verkeersfout van de verdachte is aangericht, voor de nabestaanden onherstelbaar is. Het hof is zich er voorts van bewust dat geen enkele straf of maatregel dit leed zal kunnen wegnemen. Voorts is aannemelijk dat het ongeval een grote impact heeft gehad op degenen die daarvan getuige zijn geweest en op vrienden en bekenden van het slachtoffer. Daarnaast brengt een dergelijk delict, naar ervaringsregels, in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Tegelijkertijd is aannemelijk geworden dat het ongeval ook op de verdachte grote impact heeft gehad. De verdachte zal moeten leven met de omstandigheid dat hij, met zijn rijgedrag, een jong meisje het leven heeft benomen.

Bij de bepaling van een passende strafmaat heeft het hof voor de straftoemeting primair gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) d.d. 27 mei 2015 met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze oriëntatiepunten hebben als doel vanuit het oogpunt van rechtseenheid een strafmaat te geven waarop de rechter zich kan oriënteren bij de oplegging van de straf. De advocaat-generaal heeft haar eis ter terechtzitting mede gebaseerd op de OM-richtlijnen van 2 september 2015, die voor wat betreft artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 overeen zouden komen met de LOVS oriëntatiepunten.

Tevens heeft het hof acht geslagen op de rechtspraak ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zowel van dit hof als van andere gerechten, in (min of meer) vergelijkbare gevallen waarin sprake was van een grove verkeersfout met dodelijke afloop, primair als gevolg van deelname aan het verkeer met een (veel) te hoge snelheid. Naast de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid in vrijwel alle door het hof bestudeerde uitspraken, lopen de opgelegde straffen uiteen van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf tot een taakstraf dan wel een combinatie hiervan. Het hof noemt hier meer in het bijzonder o.a. de recente uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 23 september 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:3709), alsmede de uitspraken van het Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 10 november 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3812), de Rechtbank Limburg d.d. 21 april 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:3352), de Rechtbank Amsterdam d.d. 5 maart 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:998) en het Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 15 februari 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BV4044).

Het hof heeft bovendien rekening gehouden met het bepaalde van artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop ten gevolge van een grove verkeersfout, waarvan hier sprake is, geldt volgens de LOVS een oriëntatiepunt van zes maanden gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of er in dit geval concrete omstandigheden zijn die maken om hiervan naar boven of naar beneden af te wijken.

Enerzijds neemt het hof de verdachte zeer kwalijk dat hij bekend was met de situatie ter plaatse die volgens hem noopte tot aanpassing van de snelheid maar dat hij dat desondanks niet heeft gedaan met voorbijgaan aan de gevaren daarvan voor zijn kwetsbare medeweggebruikers, waaronder het slachtoffer. Daarbij komt dat hij als beroepschauffeur de gevaren op de weg, met name onder invloed van te hard rijden, als geen ander kende althans behoorde te kennen.

Ook valt de verdachte aan te rekenen dat de auto waarin hij reed technische mankementen vertoonde in de vorm van een defect ABS en dat hij, ofschoon hij daarvan wist, althans dit redelijkerwijs had kunnen weten, desondanks met deze personenauto aan het verkeer heeft deelgenomen. Bij een naar behoren werkend ABS zou niet alleen de remafstand korter zijn geweest, maar zou de bestuurder ook de gelegenheid hebben gehad een uitwijkmanoeuvre te maken ter voorkoming van een aanrijding.

Anderzijds heeft het hof voor wat betreft de persoon van de verdachte acht geslagen op het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 28 oktober 2014. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte veel last heeft gehad van het ongeval en de gevolgen daarvan. Naar aanleiding hiervan heeft de verdachte zelf psychologische hulp gezocht en is gestart met traumatherapie Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR), met welke therapie hij blijkens de ter terechtzitting overgelegde brief d.d. 22 september 2015 van drs. L.C.M. Gardien, psycholoog, nog steeds wordt behandeld.

Aannemelijk is geworden dat de verdachte erg veel spijt heeft van zijn verkeersgedrag, dat hij de gevolgen van zijn handelen nog dagelijks met zich meedraagt en dat hij daar zeer onder lijdt.

Verder heeft het hof acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Ook heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte op dit moment zijn beroep niet meer kan uitoefenen en zijn opleiding tot rijinstructeur niet heeft kunnen vervolgen.

Tenslotte heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Het hof laat deze feiten en omstandigheden in strafmatigende zin meewegen in die zin dat een gedeelte van de na te noemen straf voorwaardelijk zal worden opgelegd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof nog verzocht om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht ex art. 77c van het Wetboek van Strafrecht, waartoe ook eerder de reclassering heeft geadviseerd. Het hof zal hieraan voorbij gaan nu dit advies verder niet, althans onvoldoende concreet, is onderbouwd en de persoonlijkheid van de verdachte en/of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, daartoe ook overigens onvoldoende aanknopingspunten bieden.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, zoals eerder door de rechtbank (mede) is opgelegd en door de raadsvrouw is bepleit. Het hof beschouwt een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur onder de gegeven omstandigheden als passend en geboden.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg nog aangegeven dat hij zijn rijbewijs nodig heeft om zijn baan als taxichauffeur en zijn opleiding tot rijinstructeur voort te zetten. Het hof overweegt ten aanzien hiervan dat de ernst van het bewezen verklaarde zwaarder dient te wegen dan deze aangevoerde persoonlijke belangen van verdachte.

Het hof betrekt hierbij dat uit de stukken is gebleken dat de verdachte al eerder door de politie op zijn snelheid is aangesproken. Hij heeft bij die gelegenheid laten weten dat hij ervan hield om hard te rijden (proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2014 met nummer PL1600-2014076890-33). Duidelijk is dat de verdachte zich weinig gelegen heeft laten liggen aan deze waarschuwing en dat hij de gevaarzettingen die kleven aan het met (te) hoge snelheid aan het verkeer deelnemen kennelijk voor lief neemt, hetgeen het hof de verdachte aanrekent.

Het hof zal derhalve, alles afwegende, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen van na te noemen duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A.Th.M. Dekkers,

mr. T.E. van der Spoel en mr. J.T.F.M. van Krieken, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 oktober 2015.