Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2744

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
200.164.640
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:14096
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Basis alimentatie lotsverbondenheid. De huwelijksgerelateerde behoefte neemt af door tijdsduur na scheiding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2016/7
FJR 2016/41.15
JPF 2016/11
JIN 2015/219 met annotatie van E.A. Slappendel
PFR-Updates.nl 2015-0300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 30 september 2015

Zaaknummer : 200.164.640/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-10066

Zaaknummer rechtbank : C/09/456842

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok te Alphen aan den Rijn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 12 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van

14 november 2014 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 20 april 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 2 juni 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 7 juli 2015 een brief van 6 juli 2015 met bijlagen;

van de zijde van de man:

  • -

    op 25 juni 2015 een brief van 24 juni 2015 met bijlagen;

  • -

    op 7 juli 2015 een brief van 6 juli 2015 met bijlagen.

De zaak is op 17 juli 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie afgewezen en is het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie eveneens afgewezen. De man is veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de vrouw, begroot op € 666,-.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.Voorts is de man het er niet eens dat hij in eerste aanleg in de kosten van de procedure is veroordeeld.

2. De vrouw verzoekt het hof:

  • -

    de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie is afgewezen, en

  • -

    te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud vanaf 1 juni 2008 van € 6.594,97, per 1 januari 2009 € 6.852,17, per 1 januari 2010 € 7.009,77, per 1 januari 2011 € 7.072,86, per 1 januari 2012 € 7.164,81, per 1 januari 2013 € 7.328,61, per 1 januari 2014 € 7.352,19 en per 1 januari 2015 € 7.411,01 dient te voldoen dan wel een bedrag dat het hof in goede justitie gerechtvaardigd acht, kosten rechtens.

3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover hij daartegen zijn grieven heeft gericht en, opnieuw beschikkende, zo nodig met verbetering of aanvulling van gronden:

  • -

    in principaal hoger beroep te bepalen dat de grieven van de vrouw ongegrond zijn, althans niet slagen en haar verzoeken dientengevolge af te wijzen;

  • -

    in het incidenteel hoger beroep te bepalen dat de man vanaf 1 januari 2014 aan de vrouw een zodanige bijdrage in haar levensonderhoud dient te betalen als hetgeen zijn huidige draagkracht toelaat, dan wel een zodanig bedrag als het hof in goede justitie meent te moeten vaststellen.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt de grieven van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, kosten rechtens.

Behoefte

5. De vrouw stelt dat haar behoefte in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 september 2006 is vastgesteld op € 6.453,- per maand. Aan de vrouw werd een verdiencapaciteit toegekend van € 1.000,- per maand, zodat een behoeftigheid van €5.453,- resteerde. Bij beschikking van het hof Den Haag van 19 januari 2011 is de partneralimentatie op grond van een afgenomen draagkracht aan de zijde van de man bepaald op € 3.664,- bruto per maand en met ingang van 1 juli 2010 op € 3.427,- per maand. De vrouw stelt echter dat haar behoefte ondanks de verlaging van de partneralimentatie onverminderd gelijk is gebleven. Aangezien de man al jaren niet in haar volledige behoefte voorziet, kampt de vrouw met grote tekorten. De vrouw heeft medische problemen gekregen waardoor zij fysiek en mentaal is teruggeworpen tot een niveau dat ertoe leidt dat de vrouw niet in staat is om te werken. Ook de problemen met de man rondom de betaling van de partneralimentatie veroorzaakt ernstige stress bij de vrouw. De stress en de medische problemen hebben ertoe geleid dat de vrouw niet langer beschikt over enige verdiencapaciteit. De behoeftigheid van de vrouw bedraagt derhalve € 6.453,- per maand en geïndexeerd per 1 januari 2015 € 7.411,- per maand. De vrouw verzoekt de partneralimentatie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 op voornoemde bedragen vast te stellen.

6. De man daarentegen stelt dat sprake is van een afnemende behoefte naarmate de jaren na de echtscheiding verstrijken. Dit wordt veroorzaakt enerzijds door de aanpassing van de behoefte aan de welstand na het huwelijk en anderzijds door een verder verwijderd verband met de financiële situatie ten tijde van het huwelijk. De man stelt dat de vrouw geen onderbouwde medische redenen heeft aangedragen waaruit blijkt dat zij niet zou kunnen werken. Tevens is niet gebleken van enige inspanningen of sollicitatiepogingen om werk te vinden. De vrouw wentelt zich in haar slachtofferrol, aldus de man. De vrouw heeft bovendien in de vorm van voorschotten een bedrag van ruim € 300.000,- ontvangen ter zake de afwikkeling van de boedelverdeling. Voor zover er sprake is van financiële nood, zal dat verband houden met het uitgavenpatroon van de vrouw, aldus de man.

7. Het hof overweegt als volgt. De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het vaststellen van partneralimentatie is aldus een discretionaire bevoegdheid van de rechter en niet een recht waar zonder meer aanspraak op kan worden gemaakt. Immers uitgangspunt is dat eenieder in zijn eigen levensonderhoud dient te voorzien.

8. De grondslag voor partneralimentatie is de door het huwelijk tussen echtgenoten ontstane lotsverbondenheid. Naarmate partijen langer uit elkaar zijn, heeft dit tot gevolg dat de lotsverbondenheid afneemt en dat van de onderhoudsgerechtigde verwacht mag worden dat zij zich zal inspannen om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De stelling van de vrouw dat zij niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien, is door de man gemotiveerd betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door de man had het op de weg van de vrouw gelegen om aan te tonen en met bewijsstukken te onderbouwen dat sprake is van gegronde redenen waarom zij er niet in is geslaagd in de loop der jaren geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De vrouw heeft dit nagelaten.

9. Uit de door de vrouw overgelegde stukken alsmede het verhandelde ter zitting is aan het hof niet gebleken dat de vrouw de afgelopen 10 jaar constructieve pogingen heeft gedaan om - gedeeltelijk - in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft een aantal brieven van haar fysiotherapeut overgelegd. Uit de meest recente brief van [naam] van 12 mei 2015 blijkt dat de vrouw kampt met lichamelijke klachten als gevolg van ernstige stressklachten voortvloeiend uit de echtscheiding. Uit een door de vrouw overgelegde ongedateerde brief van de heer [naam] , fysioloog, blijkt dat de vrouw zich in maart 2007 tot de heer [naam] heeft gewend. De heer [naam] stelt in zijn brief dat de vrouw deskundige begeleiding nodig heeft om te reïntegreren in het arbeidsproces en dat zij de gevolgen van de grote mentale stress als gevolg van de echtscheiding moet verwerken om het reïntegratieproces te bespoedigen. De inschatting van de heer [naam] is dat bij optimale professionele psychotherapeutische bijstand het naar schatting acht tot twaalf maanden zal duren voordat de vrouw in staat zal zijn bij te dragen aan haar eigen levensonderhoud. Het had op de weg van de vrouw gelegen inzicht te geven in de pogingen die zij vanaf 2007 heeft ondernomen om de echtscheiding te verwerken en om haar reïntegratieproces in te zetten. De vrouw heeft dit op geen enkele wijze gedaan. Tevens heeft de vrouw op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op welke wijze zij heeft getracht haar uitgavenpatroon aan te passen uitgaande van de gedachte dat huwelijksgerelateerde behoefte verbleekt naarmate het tijdsverloop na de echtscheiding. Immers de vrouw ontvangt al vanaf 2011 een lager bedrag aan partneralimentatie in verband met de verminderde draagkracht van de man. In plaats van de uitgaven te matigen wenst de vrouw onverminderd aanspraak te maken op de in het verleden vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte. Naar het oordeel van het hof is er geen rechtsgrond aan te voeren – mede met inachtneming van de beginselen van redelijkheid en billijkheid - op grond waarvan de vrouw gedurende een periode van 12 jaar aanspraak kan maken op een alimentatie die is gebaseerd op de huwelijkse staat.

10. Naar maatschappelijke normen mag van de vrouw gevergd worden dat zij verantwoordelijkheid neemt om - naarmate de jaren na de echtscheiding verstrijken – te trachten in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De tendens van de afgelopen jaren is dat algemeen wordt aangenomen dat van een onderhoudsgerechtigde kan en mag worden verwacht dat deze na een scheiding zoveel mogelijk zelf in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

11. De opstelling van de vrouw waarin zij geen aantoonbare inspanningen heeft geleverd om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien, acht het hof niet passend bij de eigen verantwoordelijkheid die de vrouw heeft om in haar eigen behoefte te voorzien. Anticiperend op de toenemende verdiencapaciteit die van de vrouw had mogen worden verwacht alsmede het afnemen van de lotsverbondenheid tussen partijen naarmate zij langer uit elkaar zijn en daarmee op de verkleurende behoefte van de vrouw, stelt het hof de minimum behoefte van de vrouw na het verstrijken van de 12-jaarstermijn vast op een bedrag gelijk aan het minimumloon, te weten € 1.507,80 bruto per maand. De echtscheiding van partijen is ingeschreven op 27 december 2005, zodat de 12-jaarstermijn aanvangt op 27 december 2005.

12. Het hof begroot in redelijkheid de behoefte van de vrouw aan de hand van de jaarlijkse lineaire afbouw van de in 2006 vastgestelde behoefte van € 6.453 bruto per maand tot een behoefte van € 1.507,80 bruto per 27 december 2017. Gelet op de omstandigheid dat de vrouw niet de zorg heeft over jonge kinderen is het hof van oordeel dat de verdiencapaciteit van de vrouw gelijk kan worden gesteld met het minimumloon. Het hof zal hierbij als ingangsdatum 1 januari 2014 hanteren, nu de man met ingang van deze datum heeft verzocht de partneralimentatie te verlagen.

13. Dit leidt tot de volgende behoefte respectievelijk behoeftigheid:

  • -

    over de periode van 1 januari 2014 tot 27 december 2014: € 3.156,- per maand te verminderen met een verdiencapaciteit van € 1.508,- per maand = € 1.648,-;

  • -

    over de periode van 27 december 2014 tot 27 december 2015: € 2.744,- per maand te verminderen met een verdiencapaciteit van € 1.508,- per maand = € 1.236,-;

  • -

    over de periode van 27 december 2015 tot 27 december 2016: € 2.332,- per maand te verminderen met een verdiencapaciteit van € 1.508,- per maand = € 824,-;

  • -

    over de periode van 27 december 2016 tot 27 december 2017: € 1.920,- per maand te verminderen met een verdiencapaciteit van € 1.508,- per maand = € 412,-;

  • -

    met ingang van 27 december 2017: € 1.508,- per maand te verminderen met €1.508,- per maand = nihil.

14. Ter zake de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2014, de periode waarover de vrouw verzoekt de te betalen partneralimentatie te verhogen in verband met enerzijds de verhoging van haar behoeftigheid en anderzijds de stelling van de vrouw dat de draagkracht van de man een hogere partneralimentatie toelaat, overweegt het hof als volgt. Ter zake van de behoeftigheid heeft het hof reeds geoordeeld dat deze niet is gestegen, zodat deze grief van de vrouw faalt. Ten aanzien van de draagkracht van de man over voornoemde periode oordeelt het hof dat de door dit hof bij beschikking van 19 januari 2011 vastgestelde partneralimentatie is vastgesteld aan de hand van de draagkracht van de man die hij op dat moment had. Indien de vrouw van mening was dat de draagkracht van de man in de afgelopen jaren zou zijn gestegen, had het op de weg van de vrouw gelegen om eerder een procedure tot wijziging van de alimentatie te entameren. Het hof zal derhalve niet de draagkracht van de man met terugwerkende kracht beoordelen, zodat ook deze grief van de vrouw faalt.

Draagkracht

15. Ter zake de draagkracht van de man met ingang van 1 januari 2014 overweegt het hof als volgt. Uit de aangifte Inkomstenbelasting 2014 blijkt dat de man in 2014 een inkomen had van € 74.244,-. De man stelt dat zijn inkomen over 2015 € 60.000,- bruto per jaar bedraagt en becijfert aan de hand van dit inkomen zijn draagkracht in 2015 op € 1.372,- per maand. Gelet op het inkomen van de man over 2014 in samenhang met de door hem becijferde draagkracht over 2015, acht het hof de man in staat over de periode van 1 januari 2014 tot 27 december 2014 een maandelijkse bijdrage te betalen van bruto € 1.648,-. Met betrekking tot de opvolgende perioden stelt de man reeds zelf voldoende draagkracht te hebben, hetgeen ertoe leidt dat het hof de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vaststelt als volgt:

over de periode van 1 januari 2014 tot 27 december 2014 op € 1.648,- bruto per maand;

over de periode van 27 december 2014 tot 27 december 2015 op € 1.236,- bruto per maand;

over de periode van 27 december 2015 tot 27 december 2016 op € 824,- bruto per maand;

over de periode van 27 december 2016 tot 27 december 2017 op € 412,- bruto per maand;

met ingang van 27 december 2017 op nihil.

16. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige grieven ter zake de draagkracht van de man geen verdere bespreking.

Terugbetaling onverschuldigd ontvangen partneralimentatie

17. Nu sprake is van door de man onverschuldigd betaalde partneralimentatie dient het hof te beoordelen of de vrouw gehouden is het teveel betaalde aan de man terug te betalen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

18. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

19. In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid geen terugbetaling kan worden verlangd van de door de man onverschuldigd betaalde partneralimentatie. Door de vrouw is onbestreden gesteld dat zij in een financieel moeilijke situatie verkeert. Gelet op het consumptieve karakter van de partneralimentatie alsmede de financiële situatie van de vrouw gaat het hof er vanuit dat de vrouw niet in staat is tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan partneralimentatie. Het hof zal derhalve de aan de vrouw tot de datum van deze beschikking verschuldigde partneralimentatie vaststellen op het bedrag dat de man tot die datum in feite heeft betaald.

Proceskosten

20. De man is door de rechtbank veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg, omdat de rechtbank van oordeel was dat de man zijn verzoek onvoldoende had onderbouwd en heeft verzuimd om voldoende inzicht te geven in zijn financiën.

21. Het hof overweegt dat het verzoek van de man in hoger beroep alsnog is toegewezen, hetgeen in beginsel aanleiding geeft de proceskostenveroordeling ongedaan te maken. Dit zou anders kunnen zijn indien de man in eerste aanleg heeft verzuimd zijn verzoek deugdelijk te onderbouwen met onderliggende stukken en deze fout pas in hoger beroep is hersteld. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De man heeft in eerste aanleg alle relevante jaarstukken overgelegd die op dat moment voorhanden waren. De rechtbank had aan de hand van deze stukken de draagkracht kunnen vaststellen. Het vorenstaande leidt ertoe dat de grief van de man slaagt en het hof de bestreden beschikking te dienaangaande zal vernietigen.

22. Partijen verzoeken in hoger beroep elkaar in de kosten van de procedure te veroordelen. Het hof zal, zoals gebruikelijk in procedures van familierechtelijke aard, de proceskosten compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

23. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

stelt de aan de vrouw tot de datum van deze beschikking verschuldigde uitkering tot levensonderhoud vast op het bedrag dat de man tot die datum in feite heeft betaald;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het hof te Den Haag van 19 januari 2011 - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, over de periode met ingang van de datum van deze beschikking tot 27 december 2015 op € 1.236,- bruto per maand vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het hof te Den Haag van 19 januari 2011 - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, over de periode van 27 december 2015 tot 27 december 2016 op € 824,- bruto per maand vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het hof te Den Haag van 19 januari 2011 - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, over de periode van 27 december 2016 tot 27 december 2017 op € 412,- bruto per maand vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het hof te Den Haag van 19 januari 2011 - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, over de periode met ingang van 27 december 2017 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2015.