Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2641

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
200.130.265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot stand gekomen? Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.130.265/01
Rolnummer rechtbank : C/10/401558 / HA ZA 12-423

arrest d.d. 6 oktober 2015

inzake

[appellant],

wonende te Barendrecht,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.F. van Immerzeel te Amsterdam,

tegen

Warmtebedrijf Infra N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Warmtebedrijf,

advocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam.

De verdere loop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 17 september 2013, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 18 november 2013 plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Warmtebedrijf de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[appellant] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres] (verder: het perceel).

2.2

Warmtebedrijf exploiteert een onderneming die zich onder meer toelegt op het transport van (industriële) restwarmte ten behoeve van de verwarming van gebouwen in de stadsregio Rotterdam. De aandeelhouders van Warmtebedrijf zijn de gemeente Rotterdam (verder: de gemeente), de provincie Zuid-Holland en Woonbron.

2.3

[appellant] en [directeur] (directeur van Warmtebedrijf) hebben medio juli 2010 een intentieverklaring (verder: de intentieverklaring) ondertekend, waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen.

"1. (…) [appellant] (…)

en

2. de naamloze vennootschap Warmtebedrijf N.V., (…)

hierna te noemen "de gemeente"

in aanmerking nemende dat:

- (…)

- De Gemeente Rotterdam een Warmte Overdracht Station ("WOS) op het perceel (…) wil aanleggen;

- (…)

- Partijen hebben gesprekken gevoerd om terzake de realisatie van de WOS op de hiervoor bedoelde percelen tot een overeenkomst te komen;

- Partijen nog in overleg zijn over de overige voorwaarden waarvoor een gebruiksovereenkomst kan worden aangegaan.

- (…)

- De Gemeente verklaart dat de besluitvorming over de realisatie van de WOS door de Gemeente nog moet plaatsvinden. In de besluitvorming over de realisatie van de WOS is de gebruiksovereenkomst een onderdeel. Vooruitlopend op die besluitvorming wenst de Gemeente reeds een overeenstemming te bereiken met [appellant] over de hiervoor bedoelde gebruiksovereenkomst.

- Partijen in deze intentieverklaring thans enkele uitgangspunten met betrekking tot de onderhandelingen om te komen tot een gebruiksovereenkomst over de WOS ("Overeenkomst") willen vastleggen;

zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 Doel van de overeenkomst

1. Partijen zullen de periode waarvoor deze intentieovereenkomst wordt aangegaan gebruiken om te trachten overeenstemming te bereiken over voorwaarden waaronder een overeenkomst kan worden gesloten voor de realisatie van een WOS op de perceel (…)

2. De Gemeente wijst mevrouw P. [A] aan als de onderhandelaar namens de Gemeente.

Artikel 2 Besluitvorming Gemeente

1. Indien [appellant] en de onderhandelaar van de Gemeente overeenstemming hebben bereikt over het voorstel van de hiervoor bedoelde realisatieovereenkomst, zal de onderhandelaar het resultaat van de onder 1 genoemde onderhandelingen ter besluitvorming voorleggen aan het bevoegde orgaan van de Gemeente.

(…)

Artikel 5 Geheimhouding

1. Partijen zullen alle informatie die zij omtrent elkaar verkrijgen strikt vertrouwelijk behandelen, ook wanneer de beoogde realisatie van de WOS geen doorgang vindt.

(…)

Artikel 7 Schadevergoeding

Partijen doen afstand van het recht om enigerlei vorm van schadevergoeding te vorderen in verband met het niet tot stand komen van de Overeenkomst. "

2.4

[appellant] heeft met mevrouw [A], werkzaam bij de dienst Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR), gesprekken gevoerd over het mogelijk plaatsen van een zogenaamd Warmte Overdracht Station (WOS) op het perceel.

2.5

Bij e-mail van 23 november 2010 heeft [A] aan [appellant] een aangepaste overeenkomst in concept toegestuurd (hierna: de overeenkomst). Bij een volgend e-mailbericht van 8 december 2010 schrijft [A] aan [appellant]: ‘Ik weet niet of u de vorige mail met de bijgesloten conceptovereenkomst heeft gezien en of u daar nog commentaar op heeft. Wij willen graag deze overeenkomst door beide partijen laten tekenen.’

2.6

Op 28 december 2010 heeft [appellant] de overeenkomst op het kantoor van het OBR ondertekend.

2.7

De overeenkomst is vervolgens ter besluitvorming voorgelegd aan Warmtebedrijf. Warmtebedrijf heeft de overeenkomst niet getekend, omdat uiteindelijk is gekozen voor een ander tracé waarin het perceel niet voorkwam.

2.8

In deze procedure vordert [appellant] – zakelijk weergegeven – de veroordeling van Warmtebedrijf tot nakoming van de overeenkomst op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede de veroordeling van Warmtebedrijf tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van deze procedure.

2.9

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat uit de intentieverklaring volgt dat [A] niet bevoegd was om zelfstandig Warmtebedrijf te binden aan een overeenkomst, en dat [appellant] niet heeft gesteld en evenmin is gebleken dat Warmtebedrijf een handeling heeft verricht waaruit de schijn van de aanwezigheid van een toereikende volmacht voor [A] is gewekt.

3.1

[appellant] vordert in hoger beroep – zakelijk weergegeven – de vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende de toewijzing van zijn inleidende vorderingen met veroordeling van Warmtebedrijf in de kosten van beide instanties.

3.2

In zijn eerste grief stelt [appellant] dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat vereist is dat Warmtebedrijf zelf de schijn moet hebben gewekt – verklaringen of gedragingen – om te kunnen komen tot een toerekening van schijn van volmacht verlening aan Warmtebedrijf. Er kan immers ook plaats zijn voor toerekening van schijn ingeval [appellant] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmacht verlening door Warmtebedrijf aan [A] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van Warmtebedrijf komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671).Van dergelijke omstandigheden is naar de mening van [appellant] sprake: hij heeft – ondanks het bepaalde in artikel 1 en 2 van de intentieverklaring – op grond van de volgende omstandigheden mogen aannemen dat een overeenkomst tot stand is gekomen. [appellant] heeft uitsluitend contact gehad met [A]. [A], die werkzaam was bij de gemeente, heeft in al die contacten nimmer aangegeven dat het uiteindelijke resultaat van de onderhandelingen nog door Warmtebedrijf moesten worden goedgekeurd. Daar Warmtebedrijf in de intentieverklaring werd aangeduid als de gemeente, begreep [appellant] dat in het onderhandelingsproces telkens alle kleine stapjes definitief akkoord waren zijdens de gemeente. De organisatie binnen de gemeente en de eventuele verdeling van bevoegdheden waren voor [appellant] volstrekt onduidelijk. Toen [appellant] door [A] werd uitgenodigd de overeenkomst te tekenen, begreep hij hieruit dat de zaak was beklonken. Nimmer is hem te kennen gegeven dat hij weliswaar de overeenkomst had ondertekend, maar dat de overeenkomst aan de zijde van de gemeente nog zou moeten worden goedgekeurd. Voor [appellant] is het ondenkbaar dat [A] hem zou hebben uitgenodigd om de overeenkomst te ondertekenen, zonder dat zij van Warmtebedrijf had vernomen dat de zaak rond was. Dat de rechtbank dit niet relevant acht, acht [appellant] onjuist – zo stelt hij in zijn tweede grief – omdat ook dit een omstandigheid is die voor risico komt van Warmtebedrijf en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. [appellant] sluit niet uit dat [A] over meer bevoegdheden beschikte dat Warmtebedrijf thans wil doen geloven.

3.3

Het hof overweegt als volgt.

[appellant] stelt terecht dat niet alleen aanleiding bestaat voor toerekening van schijn van toereikende volmacht in het geval dat Warmtebedrijf zelf de schijn heeft gewekt door eigen verklaringen of gedragingen, maar ook wanneer [appellant] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmacht verlening door Warmtebedrijf aan [A] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van Warmtebedrijf komen en waaruit naar verkeersopvatting zodanige schijn van vertegenwoordingsbevoegdheid kan worden afgeleid. De rechtbank heeft dit echter niet miskend. In rov 5.7 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank immers overwogen: "Dat [appellant] gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van het Warmtebedrijf komen en waaruit naar verkeersopvattingen een zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, is niet gebleken." Ook in hoger beroep is van dergelijke omstandigheden niet gebleken, gelet op het navolgende.

3.4

Uit artikel 1 van de – aan de zijde van Warmtebedrijf door haar directeur ondertekende – intentieverklaring blijkt dat [A] door Warmtebedrijf (slechts) is aangesteld als onderhandelaar met als opdracht te onderhandelen over de voorwaarden waaronder een overeenkomst ter realisatie van een WOS op het perceel kan worden gesloten. Artikel 2 bepaalt dat nadat [appellant] en [A] overeenstemming hebben bereikt over "het voorstel van de (...) realisatieovereenkomst", het bevoegde orgaan van de gemeente – waaraan [A] het onderhandelingsresultaat ter besluitvorming zou voorleggen – besluit de overeenkomst al dan niet aan te gaan. Op grond van deze bepalingen moet het [appellant] redelijkerwijs duidelijk zijn geweest, dat [A] niet zelfstandig bevoegd was een overeenkomst aan te gaan. Haar bevoegdheid strekte niet verder dan onderhandelen over de voorwaarden waaronder het bevoegde orgaan van de gemeente eventueel een overeenkomst met [appellant] over de realisatie van een WOS op het perceel zou kunnen sluiten. Het definitieve besluit om al dan niet een overeenkomst aan te gaan, zo volgt uit artikel 2 zou worden genomen door het bevoegde orgaan van de gemeente. Uit artikel 5 van de intentieverklaring blijkt verder dat de realisatie van de WOS op het perceel ondanks de positieve intentie nog geen vaststaand feit was en de besluitvorming ook negatief zou kunnen uitpakken. Op basis van deze bepalingen van de intentieovereenkomst moet het [appellant] derhalve redelijkerwijs duidelijk zijn geweest, dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] beperkt was tot de onderhandeling over de voorwaarden van een mogelijke overeenkomst. Daaraan kan niet afdoen de stelling van [appellant] dat [A] zelf hem er nimmer op gewezen heeft dat het uiteindelijke onderhandelingsresultaat nog door het Waterbedrijf moest worden goedgekeurd. Overigens schrijft [A] wel in haar e-mailbericht van 8 december 2010, waarin zij [appellant] nogmaals om diens commentaar op het concept vraagt: "Wij willen graag deze overeenkomst door beide partijen laten tekenen", waaruit niet blijkt dat Warmtebedrijf, zijnde de andere partij, al akkoord was. Het zou van zorgvuldigheid hebben getuigd als [A], toen zij [appellant] de overeenkomst (met daarin de tussen [A] en [appellant] overeengekomen voorwaarden als bedoeld in de eerste zin van artikel 2 van de intentieovereenkomst) liet tekenen, had verwezen naar de intentieverklaring en had aangegeven dat uit de intentieverklaring volgt dat na de tekening door [appellant] ook het bevoegde orgaan van de gemeente haar akkoord nog moest geven. Indien zij dat heeft nagelaten, is dit – gelet op de ondubbelzinnige bepaling van artikel 2 van de intentieovereenkomst – echter onvoldoende om het oordeel op te baseren dat [appellant] er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat de overeenkomst reeds tot stand was gekomen. [appellant] moet bovendien hebben gezien dat op de overeenkomst de handtekening van de directeur van Warmtebedrijf nog ontbrak. [appellant] heeft niets gesteld dat – indien bewezen – het vertrouwen rechtvaardigt dat de overeenstemming tussen hem en [A] over de voorwaarden waaronder een overeenkomst zou kunnen worden gesloten – in afwijking van de duidelijke bewoordingen van artikel 2 en ondanks de ontbrekende handtekening op de overeenkomst – positieve besluitvorming door het bevoegde orgaan (dan wel het Warmtebedrijf) over de realisatie van een WOS op het perceel impliceert. [appellant] heeft ook niets gesteld ter onderbouwing van zijn stelling dat [A] over meer bevoegdheden beschikte dan Warmtebedrijf wil doen geloven. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. De eerste twee grieven falen.

3.5

De derde grief, die is gericht tegen de veroordeling in de proceskosten, volgt het lot van de eerste twee. Dit betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2013;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Warmtebedrijf tot op heden begroot op € 683,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, J.M. van der Klooster en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.