Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2617

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
200.159.385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid ex-echtgenote voor lening tijdens huwelijk aangegaan door echtgenoot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.159.385/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/453164 / HA ZA 13-1188

arrest van 6 oktober 2015

inzake

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: ABN AMRO,

advocaat: mr. L.C.H. Karstanje te Gouda,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de vrouw],

advocaat: mr. O. Arslan te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 4 juni 2014 is ABN AMRO in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team handel, zittingsplaats Den Haag tussen partijen gewezen vonnis in verzet van 5 maart 2014. Aan [de vrouw] is verstek verleend, omdat zij heeft nagelaten tijdig het griffierecht te betalen. Bij memorie van grieven heeft ABN AMRO één grief aangevoerd. Nadat [de vrouw] alsnog het griffierecht heeft betaald is aan haar gelegenheid geboden van antwoord te dienen. Daar zij bij herhaling geen gebruik maakte van deze mogelijkheid heeft ABN AMRO akte niet-dienen gevraagd. Bij beslissing van 14 juli 2015 heeft de rolraadsheer akte niet-dienen verleend.

Vervolgens heeft ABN AMRO de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[de vrouw] is van 2001 tot 12 april 2007 in algemene gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [de man] (verder: [de man]). Het huwelijk is door echtscheiding geëindigd.

2.2

[de man] heeft (mogelijk op of omstreeks 10 augustus 2004) een ongedateerde, onderhandse akte met als opschrift "flexibel krediet" ondertekend (verder: de overeenkomst), waarin is opgenomen dat ABN AMRO aan [de man] en [de vrouw] een flexibel krediet beschikbaar stelt van maximaal € 32.000,--.

2.3

Bij dagvaarding van 8 mei 2006 heeft ABN AMRO – voor zover thans relevant – de hoofdelijke veroordeling gevorderd van [de man] en [de vrouw] tot betaling aan ABN AMRO van € 32.307,96, vermeerderd met de bedongen variabele rente over € 32.000.000,--, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan vanaf 2 december 2005, met hoofdelijke veroordeling van [de man] en [de vrouw] in de kosten.

2.4

Bij verstekvonnis van 21 juni 2006 heeft de rechtbank deze vordering toegewezen, met dien verstande dat de medegevorderde rente niet meer mag bedragen dan conform de Wet op het Consumentenkrediet is toegestaan.

2.5

[de vrouw] is op 8 oktober 2013 in verzet gekomen tegen dit vonnis, waarbij zij aanvoerde dat zij geen contractspartij is bij het flexibel krediet, dat zij hiervan niets afwist en hiervoor ook niet heeft getekend. In voorwaardelijke reconventie vorderde [de vrouw] de vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 1:89 BW.

2.6

Bij het thans bestreden vonnis in verzet heeft de rechtbank het voornoemde verstekvonnis vernietigd en de vordering van ABN AMRO afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat het verweer van [de vrouw] dat zij geen contractspartij is bij de overeenkomst, slaagt. Met betrekking tot de subsidiaire grondslag (gebondenheid als ex-partner) overwoog de rechtbank dat artikel 1:95 BW weliswaar bepaalt dat voor een schuld van een echtgenoot die in de gemeenschap van goederen is gevallen zowel de goederen van de gemeenschap als de eigen goederen kunnen worden uitgewonnen, maar dat deze bepaling uitsluitend ziet op verhaalbaarheid van de schuld en niet op de aansprakelijkheid daarvoor.

3.1

In hoger beroep vordert ABN AMRO de vernietiging van het bestreden vonnis in verzet en – na vermindering van eis – de veroordeling van [de vrouw] tot betaling aan haar van een bedrag van € 16.979,92, vermeerderd met de wettelijke rente over € 16.000,--, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf 12 april 2007 tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2

Als toelichting op haar verminderde vordering stelt ABN AMRO dat de aansprakelijkheid voor een gemeenschapsschuld als de onderhavige is geregeld in artikel 1:102 BW, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2012. Dit artikel bepaalt dat na ontbinding van de gemeenschap ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk blijft voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft aansprakelijk en hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden. In casu is sprake van een "andere schuld" als hiervoor genoemd. [de vrouw] is, zo stelt ABN AMRO, derhalve aansprakelijk voor de helft van de veroordeling in het verstekvonnis (te weten: € 32.307 aan hoofdsom, € 1.452,87 aan proceskosten en € 199,-- aan nasalaris, totaal € 33.959,83) zijnde € 16.979,92, vermeerderd met rente vanaf 12 april 2007.

3.3

De grief slaagt, in die zin dat de rechtbank de vordering ten onrechte heeft afgewezen onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 1:95 (oud) BW. In deze is inderdaad artikel 1:102 (oud) BW van toepassing. Dit betekent overigens niet automatisch dat de vordering van ABN AMRO voor toewijzing gereed ligt. Het hof dient daartoe immers de in eerste aanleg door [de vrouw] gevoerde verweren te beoordelen.

3.4

[de vrouw] heeft ter verweer aangevoerd dat zij nimmer toestemming heeft gegeven tot het aangaan van de overeenkomst, terwijl dit op grond van artikel 1:88, lid 1 sub c BW wel vereist is. Zij heeft daarom in voorwaardelijke reconventie de vernietiging van de overeenkomst gevorderd op grond van artikel 1:89 BW. Dit verweer faalt, omdat de overeenkomst een kredietovereenkomst betreft en geen borg- of zekerheidstelling als bedoeld in artikel 1:88, lid 1 sub c BW. Daarom kan geen succesvol beroep worden de vernietigingsbevoegdheid van artikel 1:89 BW.

3.5

[de vrouw] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden, omdat zij niet is nagegaan of [de man] (en zij) een dergelijke lening konden dragen. ABN AMRO heeft dit ter comparitie in eerste aanleg gemotiveerd bestreden: er zijn bij de kredietaanvraag diverse stukken opgevraagd en beoordeeld, zoals loonstroken van [de man] en [de vrouw]. Het inkomen is via een vaste sleutel in een maximale lening vertaald. Ook is bij de aanvraag meegewogen dat er sinds 1993 sprake was van een "correcte relatie" van [de man] met Finatabank. Nu [de vrouw] dit een en ander niet heeft weersproken en haar beroep op schending van de zorgplicht niet nader heeft onderbouwd, hetgeen wel van haar mocht worden verwacht, kan ook dit verweer haar niet baten.

3.6

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover daarbij in conventie opnieuw is beslist. De verminderde vordering van ABN AMRO zal worden toegewezen, waarbij het hof aantekent dat het hier een hoofdelijke verbondenheid met [de man] betreft. Bij deze uitkomst past dat de kosten van de eerste aanleg worden gecompenseerd en dat [de vrouw] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in verzet van de rechtbank Den Haag van 5 maart 2015, voor zover daarbij opnieuw is beslist,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [de vrouw] tegen bewijs van ontvangst aan ABN AMRO te betalen een bedrag van € 16.979,92, vermeerderd met de wettelijke rente over € 16.000,--, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan vanaf 12 april 2007 tot aan de dag van algehele voldoening;

- compenseert de kosten van de eerste aanleg;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- veroordeelt [de vrouw] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 93,80 aan explootkosten, € 1.920,-- aan griffierecht en € 894,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, H.M. Wattendorff en D.F. Smulders en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.