Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2475

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
200.161.883/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsverhaal kinderalimentatie per 1 januari 2015 mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2015/97
RFR 2016/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 2 september 2015

Zaaknummer : 200.161.883/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-6019

Zaaknummer rechtbank : C/10/456010

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.M. Emeis te Den Haag,

tegen

de GEMEENTE ROTTERDAM,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: G.L.M. Slag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 24 december 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 oktober 2014 van de rechtbank Rotterdam. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.151.883/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van die beschikking ingediend, ingeschreven bij dit hof onder zaaknummer 200.161.883/02. Bij uitspraak van 18 maart 2015 van dit hof is het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking afgewezen.

De gemeente heeft op 13 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

  • -

    op 14 januari 2015 een V-formulier van 13 januari 2015 met bijlagen;

  • -

    op 6 februari 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 12 juni 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 24 juni 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    mevrouw G.L.M. Slag namens de gemeente.

De gemachtigde van de gemeente heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking

Bij die beschikking is het door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag wegens verleende bijstand ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [de minderjarige] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) met ingang van 1 december 2013 vastgesteld op € 780,- per maand, zolang de bijstandsverlening voortduurt.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

De gemeente verleent sinds 30 september 2013 een bijstandsuitkering aan mevrouw [de vrouw] (hierna: de vrouw), mede ten behoeve van de bij haar verblijvende minderjarige.

Bij brief van 15 november 2013 heeft de gemeente de man verzocht inlichtingen te verstrekken, zodat de verhaalsbijdrage zou kunnen worden vastgesteld. De gemeente deelde daarbij mee dat zij de verhaalsbijdrage ambtshalve zou vaststellen indien de man de gevraagde inlichtingen niet zou verstrekken. De man heeft niet aan het verzoek van de gemeente voldaan, waarna de gemeente heeft besloten om hem ingaande 1 december 2013 ambtshalve een bijdrage van € 780,- per maand te vragen.

De man heeft de door de gemeente vastgestelde verhaalsbijdrage, ondanks herhaalde aanmaning door de gemeente, niet aan haar voldaan.

Bij brief van 28 mei 2014 is de man door de gemeente op de hoogte gesteld van het indienen van de vordering bij de rechtbank Rotterdam.

Bij verzoekschrift van 16 juli 2014 heeft de gemeente de rechtbank verzocht de verhaalsbijdrage ten laste van de man met ingang van 1 december 2013 te bepalen op € 780,- per maand, zolang de bijstandsverlening aan de vrouw – mede ten behoeve van de minderjarige – voortduurt.

De man heeft tegen dit inleidende verzoek geen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verhaalsbijdrage voor de man met ingang van 1 december 2013 vastgesteld op € 780,- per maand, zolang de bijstandsverlening voortduurt.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omvang van de verhaalsbijdrage ten laste van de man.

2. De man verzoekt het hof het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de gemeente tot oplegging van een verhaalsbijdrage af te wijzen, dan wel een zodanig (lagere) bijdrage op te leggen als het hof vermeent te behoren, kosten rechtens.

3. De gemeente verzoekt het hof de bestreden beschikking te wijzigen en de bijdrage ten behoeve van de minderjarige met ingang van 1 december 2013 vast te stellen op (het hof leest:) € 276,- per maand, dan wel een bijdrage vast te stellen op een bedrag en ingangsdatum als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Ingangsdatum

4. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 1 december 2013 staat tussen partijen niet ter discussie. Derhalve zal ook het hof van deze datum uitgaan.

Behoefte van de minderjarige

5. De man stelt zich – onder verwijzing naar de uitspaak van 30 oktober 2014 van het hof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2014:4495) – op het standpunt dat de gemeente onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd welk deel van de uitkering voor verhaal in aanmerking komt, in aanmerking nemend dat de man naast zijn onderhoudsplicht jegens de minderjarige niet tevens onderhoudsplichtig kan worden gemaakt jegens de vrouw.

6. Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie wordt de grens van het verhaal van de kosten van verleende gezinsbijstand slechts bepaald door de omvang van de behoefte van – in dit geval – het kind en de draagkracht van de onderhoudsplichtige, en niet (tevens) door het gedeelte van de bijstand dat geacht moet worden ten behoeve van dat kind te strekken.

7. Nu in de onderhavige zaak de behoefte van de minderjarige van € 433,- per maand niet ter discussie van partijen staat en de door de gemeente gevraagde bijdrage voormeld bedrag niet te boven gaat, behoeft de gemeente naar het oordeel van het hof niet meer te onderbouwen welk deel van de uitkering voor verhaal in aanmerking komt. De onderhoudsplicht van de man jegens de minderjarige staat immers al vast. Het voorgaande leidt ertoe dat de grief van de man faalt.

Draagkracht

8. Bij de vaststelling van de draagkracht van de man zal het hof uitgaan van twee periodes, te weten:

- de periode van 1 december 2013 tot 1 januari 2015;

- de periode vanaf 1 januari 2015.

Periode van 1 december 2013 tot 1 januari 2015

9. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met een winst uit onderneming van € 23.596,- per jaar, hetgeen blijkt uit de door de man overgelegde jaarrekening 2013. Voorts houdt het hof rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.777,- per maand.

10. Conform de aanbevelingen van de expertgroep Alimentatienormen zal de draagkracht worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. De draagkracht van de man bedraagt volgens deze formule in totaal afgerond € 276,- per maand.

11. Gelet op het voorgaande zal het hof de verhaalsbijdrage van de man in de periode van
1 december 2013 tot 1 januari 2015 dan ook vaststellen op € 276,- per maand.

Periode vanaf 1 januari 2015

12. De man stelt dat door de wijzigingen van de Participatiewet per 1 januari 2015 de bijstand voor een alleenstaande vanaf die datum enkel nog uit een basisuitkering van thans € 960,83,- per maand bestaat, ongeacht de vraag of de alleenstaande kinderen heeft die deel uitmaken van die huishouding. Nu er geen aanvullend bedrag aan bijstand wordt uitgekeerd ten behoeve van kinderen, is de man van mening dat de gemeente niet gerechtigd is (een deel van) een bijstandsuitkering te verhalen op de alimentatieplichtige ouder en de verhaalsbijdrage vanaf 1 januari 2015 op nihil moet worden gesteld.

13. De gemeente is – onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting 33716 onder VIII en de behandeling in de 1ste kamer conform het verslag van 4 juni 2014 – van mening dat ook na
1 januari 2015 bijstand kan worden verhaald als gevolg van een onderhoudsverplichting voor de in het gezin verblijvende kinderen.

14. Gelet op het voorgaande dient het hof de vraag te beantwoorden of de door de man verschuldigde kinderalimentatie – gelet op de invoering van de Participatiewet 2015 – nog door de gemeente kan worden verhaald vanaf 1 januari 2015. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in de Memorie van Toelichting 33716 (artikel VII Wet Werk en Bijstand) – ten aanzien van de vraag of gemeenten na de invoering van het wetsvoorstel hervorming kindregelingen nog steeds verantwoordelijk zijn voor het verrekenen of verhalen van kinderalimentatie – onder meer het volgende is vermeld:

“De alleenstaande ouder draagt als gezinshoofd de volledige zorg voor de tot zijn last komende kinderen. De bijstand wordt zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen verstrekt. Dat blijft zo. Kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen. Een voorbeeld hiervan is kinderalimentatie. Dit sluit aan bij het complementaire karakter van de bijstand. In lijn hiermee brengt dit wetsvoorstel geen wijziging in het verhaal van bijstand op degene die zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarige kind niet of niet behoorlijk nakomt.” Gelet hierop is het hof van oordeel dat de gemeente ook vanaf 1 januari 2015 nog steeds kinderalimentatie kan verhalen op de man.

15. Subsidiair wijst de man erop dat per 1 januari 2015 de kindregelingen gewijzigd zijn, waardoor – als gevolg van de invoering van de zgn. alleenstaande ouderkop – het kindgebonden budget voor de vrouw navenant is toegenomen. Volgens de man dient het volledige kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) in mindering te strekken op het eigen aandeel van de ouders. Uitgaande van een kindgebonden budget van de vrouw van € 406,- per maand, dient de resterende behoefte aan kinderalimentatie vanaf 1 januari 2015 te worden vastgesteld op € 27,- per maand.

16. De gemeente is – kort gezegd – van mening dat de alleenstaande-ouderkop moet worden gezien als een inkomensbestanddeel, waarmee bij de berekening van de draagkracht rekening gehouden dient te worden en dat dit niet in mindering gebracht moet worden op de behoefte van de minderjarige. Zij wijst er onder andere op dat één van de bedoelingen van de Wet hervorming Kindregelingen was het voorkomen van de armoedeval die ontstond door het niet volledig kunnen verzilveren van de belastingmaatregelen voor één-oudergezinnen, door het meer lonend maken van werken voor alleenstaande ouders. De fiscale regelingen die zijn vervangen door de alleenstaande-ouderkop werden als onderdeel van het gezinsinkomen meegerekend in de bepaling van de draagkracht en niet gezien als uitkering specifiek ten behoeve van het kind. Ook heeft de minister gesteld dat de alleenstaande-ouderkop een vervanging is van de alleenstaande-ouderkorting en de alleenstaande ouder-aanvulling en hij heeft erkend dat het onderbrengen van de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget een tweedelig karakter heeft gekregen: inkomensondersteuning voor de alleenstaande ouder en – overeenkomend met de oude regeling als onderdeel van het kindgebonden budget – een tegemoetkoming in de kosten van de kinderen. Verder zijn de gevolgen van het onderbrengen van de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget voor de kinderalimentatie niet doorgerekend en had de Expertgroep Alimentatienormen zich naar het oordeel van de minister niet hoeven focussen op zijn uitlatingen tijdens de parlementaire behandeling, maar had zij op grond van de overige parlementaire stukken ook een andere keuze kunnen maken. Tot slot stelt de gemeente dat wanneer de alleenstaande-ouderkop uitsluitend bestemd zou zijn voor de kinderen en niet als inkomensondersteunend voor het gezin, deze tegemoetkoming ook beschikbaar zou zijn voor tweeoudergezinnen, die samen een inkomen verwerven ter hoogte van het inkomen van de alleenstaande-ouder. De kosten en behoeften van het kind wijken immers niet af door de leefsituatie van de ouder. Bovendien zou dan de hoogte van de alleenstaande-ouderkop volgens de gemeente zijn afgestemd op het aantal kinderen in het gezin, hetgeen niet het geval is.

17. Het hof volgt in deze zaak de aanbevelingen ten aanzien van het kindgebonden budget en de alleenstaande-ouderkop van de Expertgroep alimentatie - een expertgroep waarvan leden van de rechterlijke macht van alle rechtbanken en gerechtshoven deel uitmaken, hierna: de Expertgroep - zoals die gelden per 1 januari 2015. Het hof hecht er daarbij echter aan het volgende op te merken. Vanaf 1 januari 2013 beveelt de Expertgroep aan het Kindgebonden Budget in mindering te brengen op het zogenaamde 'Eigen Aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen'. Met de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de Wet Hervorming Kindregelingen wordt het kindgebonden budget - in de daarvoor in aanmerking komende gevallen - verhoogd met de zogeheten 'alleenstaande ouderkop'. In november 2014 heeft de Expertgroep ten aanzien van dit aldus verhoogde kindgebonden budget de aanbeveling gedaan om de per 1 januari 2013 ingezette lijn te continueren en dus ook de 'alleenstaande ouderkop' op het Eigen Aandeel in mindering te brengen. Het hof is bekend met de lopende discussie naar aanleiding van laatstgenoemde aanbeveling. In die discussie wordt bepleit de aanbeveling ter zake van de behoeftevaststelling niet te volgen. Als minst vergaande variant wordt geopperd om in alle gevallen (als de onderhavige) de alleenstaande ouderkop niet (meer) in mindering te brengen op de behoefte van minderjarige kinderen, maar te beschouwen als inkomen aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde in het kader van de draagkrachtvergelijking om te bepalen welke ouder hoeveel moet bijdragen aan de kosten van de kinderen. Die benadering wordt ingegeven door de gedachte dat toepassing van de aanbeveling in strijd kan zijn met het wettelijk uitgangspunt dat de ouders naar draagkracht bijdragen in de behoefte van hun kind(eren). Het hof heeft besloten vooralsnog de aanbeveling te volgen tot dat de Hoge Raad de prejudiciële vragen die het hof hierover heeft gesteld, heeft beantwoord. Bij het maken van die keuze is door het hof als appelrechter doorslaggevende betekenis toegekend aan de rechtseenheid en de rechtszekerheid.

18. Aldus wordt op de behoefte van de minderjarige in mindering gebracht een kindgebonden budget van € 203,- (een kindgebonden budget van € 406,- per maand gedeeld door twee kinderen), zodat een behoefte resteert van € 230,- (de behoefte van € 433,- minus € 203,-) per maand.

19. Nu de man ter zitting van 12 februari 2015 van het hof heeft verklaard dat hij in 2015 een draagkracht heeft van € 504,- per maand en de behoefte van de minderjarige zijn draagkracht derhalve niet overstijgt, zal het hof de verhaalsbijdrage van de man in de periode vanaf 1 januari 2015 vaststellen op € 230,- per maand.

Conclusie

20. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag met ingang 1 december 2013 tot 1 januari 2015 vaststellen op € 276,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 op € 230,- per maand. Dit is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Proceskosten

21. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

22. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt het door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag met ingang van 1 december 2013 tot 1 januari 2015 op € 276,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 op € 230,- per maand, zolang deze bijstandsverlening voortduurt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Warnaar, van Nievelt en Jansen, bijgestaan door
mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2015.