Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2444

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
22-003834-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 47 en 300 Sr. Veroordeling ter zake van ‘Medeplegen van mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’. Vrijspraak van (medeplegen van) moord en van (medeplegen van) doodslag. Geen bewijs voor opzet, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, op de dood van het slachtoffer. Het hof acht oplegging van de maximale straf van 6 jaren voor dit feit passend, maar vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 301 weken, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003834-12

Parketnummer: 09-754234-11

Datum uitspraak: 11 september 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 juli 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1971,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

8 maart 2013, 15 maart 2013, 24 juli 2014 en 28 augustus 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair impliciet primair ten laste gelegde (moord in vereniging) vrijgesproken en ter zake van het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag in vereniging) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 mei 2012 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 november 2011 en/of 2 november 2011 te `’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans anders dan in een opwelling, die [slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of geduwd en/of (meermalen) met een hard en/of scherp en/of bot/stomp voorwerp geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 november 2011 en/of 2 november 2011 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon (te weten [slachtoffer]), (meermalen) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of geduwd en/of (meermalen) met een hard en/of scherp en/of bot/stomp voorwerp geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

Bij de beoordeling van de tenlastelegging gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Op 2 november 2011 hebben politieagenten [verbalisant] en [verbalisant] rond 8 uur ’s-morgens in een caravan, staande op de kruising van de Nieboerweg met de Duivenlandstraat in Den Haag een man aangetroffen. De man lag met zijn rug op de grond. Zij zagen dat er door de gehele caravan bloedspetters zaten. Verbalisant [verbalisant] heeft vastgesteld dat de man niet meer ademde, steenkoud aanvoelde en keihard was1. Het tijdstip van overlijden ligt volgens de medewerkers van Bureau Forensische Opsporing van de politie Haaglanden tussen 1 november 2001, 22:00 uur en 2 november 2011 03:35 uur2.

Rapport gemeentelijk lijkschouwer

Op 2 november 2011 omstreeks 17.30 heeft de gemeentelijke lijkschouwer [lijkschouwer] het lichaam geschouwd3. Het betrof het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (verder tevens te noemen: het slachtoffer). De conclusie van de schouwarts luidt als volgt:

De schouw geeft duidelijke aanwijzingen voor uitwendig geweld. Ernstige verwondingen aan het hoofd die zeer waarschijnlijk geleid hebben tot groot bloedverlies met overlijden aan een hypovolemische shock als mogelijk gevolg. Ook kan als gevolg van stomp geweld op de schedel sprake zijn van een niet met het leven verenigbaar hersentrauma (inwendige bloedingen etc.). Of een combinatie van beide.

Rapport patholoog anatoom

Patholoog [patholoog] heeft op 4 november 2011 het lichaam van [slachtoffer] onderzocht. Zij heeft bij sectie geconstateerd dat het lichaam bedekt was met onder andere glasscherven, glassplinters en ingedroogd bloed. Er waren veel letsels gelokaliseerd in het gezicht, op het hoofd, in de hals en aan de ledematen. Op het hoofd waren er behalve bloeduitstortingen ook ruwrandige en soms scherprandige huidverscheuringen met veel begeleidende bloeduitstortingen en onderhuidse zwelling. Er was bloed onder het harde hersenvlies, er waren bloederige zachte hersenvliezen en er was bloederig hersenvocht. Deze letsels zijn bij leven opgelopen door meermalen toegepast uitwendig inwerkend botsend geweld zoals dat door herhaaldelijk slaan met een hard en mogelijk ook kantig voorwerp kan zijn veroorzaakt. Gezien het soms scherprandige aspect van enkele wondranden kan slaan met een tot scherven versplinterend voorwerp, zoals een glazen voorwerp, niet geheel worden uitgesloten. In de hals en aan romp en ledematen waren er veel bloeduitstortingen. Ook was de rechter ellepijp recent gebroken. De letsels zijn alle bij leven ontstaan door uitwendig inwerkend botsend geweld zoals dat door herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp kan ontstaan. Het overlijden is het gevolg geweest van massaal bloedverlies uit alle letsels tezamen met daardoor zuurstofgebrek op weefselniveau. De patholoog concludeert dat het slachtoffer is overleden als gevolg van meermalen bij leven opgelopen uitwendig botsend geweld op het lichaam4.

Proces-verbaal forensische opsporing

[onderzoeker] en [onderzoeker], onderzoekers van Bureau Forensische Opsporing van de politie Haaglanden hebben op 2 november 2011 een forensisch technisch onderzoek verricht in de caravan waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] was aangetroffen. Zij hebben in hun rapport geconcludeerd dat de bloedsporen die in de caravan zijn aangetroffen uitwijzen dat er ten minste drie keer geslagen is op tenminste twee verschillende plaatsen in de caravan5.

De verklaringen van verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 1 november 2011 in de bewuste caravan aanwezig was, samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en het slachtoffer. De verdachte heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 1] het slachtoffer op enig moment begon te slaan. Ook de verdachte zelf heeft hem toen drie harde klappen gegeven. Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer met een fles op de schouder heeft geslagen met als doel zijn sleutelbeen te breken. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte op 13 juli 2012 verklaard dat hij het slachtoffer tegen het hoofd en de borst heeft getrapt.

Conclusie

Het hof concludeert dat [slachtoffer] in de nacht van 1 op 2 november 2011 is overleden. Bij het slachtoffer waren veel letsels gelokaliseerd in het gezicht, op het hoofd, in de hals en aan de ledematen. De letsels zijn alle bij leven ontstaan door uitwendig inwerkend botsend geweld zoals dat door herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp kan ontstaan. Het slachtoffer is overleden ten gevolge van massaal bloedverlies uit alle letsels tezamen met daardoor zuurstofgebrek op weefselniveau.

Vrijspraak onder 1 impliciet primair en subsidiair tenlastegelegde

Impliciet primair is –kort gezegd- moord in vereniging ten laste gelegd. Impliciet subsidiair –kort gezegd- doodslag in vereniging.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben elkaar over en weer beschuldigd van mishandeling van het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] degene is geweest die fors en langdurig geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. Hij heeft onder meer verklaard dat [medeverdachte 1] het slachtoffer meerdere malen behoorlijk heeft geslagen, waarbij [medeverdachte 1] klaagde over pijn aan zijn handen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte het slachtoffer met een portfles op het hoofd sloeg. Hij heeft gezien dat de verdachte het slachtoffer een paar keer op het hoofd sloeg waardoor hij begon te bloeden.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs voor het impliciet primair tenlastegelegde –kort gezegd moord, al dan niet in vereniging- ontbreekt nu er geen bewijsmiddel is voor het bestanddeel “voorbedachten rade”. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het impliciet subsidiair tenlastegelegd- kort gezegd doodslag al dan niet in vereniging- heeft de advocaat-generaal in zijn requisitoir betoogd dat er geen bewijs voorhanden is voor het onderdeel “tezamen en in vereniging”. Voorts heeft hij betoogd dat er -conform de beslissing van de rechtbank- sprake is van voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft volgens de advocaat-generaal door te handelen zoals hij gedaan heeft welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van het door hem toegepaste geweld zou komen te overlijden.

De raadsvrouw heeft betoogd dat haar cliënt van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt. De patholoog heeft geconcludeerd dat het slachtoffer is overleden als gevolg van meermalen bij leven opgelopen uitwendig botsend geweld op het lichaam. Het overlijden is het gevolg geweest van massaal bloedverlies uit alle letsels tezamen met daardoor zuurstofgebrek op weefselniveau.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben beiden erkend dat zij geweld hebben gebruikt tegen het slachtoffer. Beiden wijzen echter de ander aan als degene die verantwoordelijk is voor het overlijden van het slachtoffer. Op basis van het forensisch onderzoek gaat het hof er tevens vanuit dat het slachtoffer zowel met een (al dan niet gebroken) fles als met een tang is geslagen. Forensisch onderzoek geeft echter geen uitsluitsel of alleen verdachte de betreffende voorwerpen zou hebben gehanteerd, dan wel of bijvoorbeeld de tang ook door de medeverdachte [medeverdachte 1] is gehanteerd. Nader onderzoek naar eventuele (dader)sporen op deze tang is niet meer mogelijk nu deze tang in opdracht van het Openbaar Ministerie, in strijd met de wet, is vernietigd. Voorts gaat het hof er vanuit dat alle betrokkenen vergaand onder invloed van alcohol waren.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededader opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Individuele rol verdachte

Het hof concludeert op basis van het onderzoek ter terechtzitting dat:

- de letsels door meerdere voorwerpen of handelingen kunnen zijn veroorzaakt;

- het slachtoffer is overleden als gevolg van alle letsels tezamen;

- niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld welke voorwerpen en/of geweldshandelingen welk letsel hebben veroorzaakt en door wie dat voorwerp op dat moment werd gehanteerd;

- het geweld op minimaal 2 locaties in de caravan is toegepast;

- onduidelijk is of de letsels alle kort na elkaar, dan wel met een min of meer aanzienlijke tussenperiode zijn toegebracht;

- in ieder geval naast verdachte ook medeverdachte [medeverdachte 1] geweld op het hoofd van het slachtoffer heeft uitgeoefend.

Gezien voorgaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het geweld waaraan het slachtoffer is overleden alleen, of in overwegende mate, door verdachte is toegepast.

Aan de de auditu verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] alsmede de uitlatingen van verdachte in een opgenomen gesprek met [medeverdachte 1] kent het hof in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe, nu deze voor meer dan één uitleg vatbaar zijn.

Bloot opzet

Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt niet wat er op het moment dat zij het slachtoffer mishandelden in hen omging, met andere woorden welk doel zij hadden met het door hen tegen het slachtoffer uitgeoefende geweld. Naar het oordeel van het hof kan bovendien bepaald niet worden uitgesloten dat het overmatige alcoholgebruik hierbij een niet onbelangrijke rol heeft gespeeld, te meer omdat verdachte en het slachtoffer al lange tijd goede bekenden van elkaar waren. Aan de hand van alleen die verklaringen kan dan ook niet geconcludeerd worden dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer opzettelijk van het leven wilden beroven.

Het hof is voorts van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen evenmin kan worden afgeleid dat het toegepaste geweld naar zijn uiterlijke verschijningsvorm en/of naar ervaringsregels zo zeer gericht was op het doden van het slachtoffer, dat niet anders dan kan worden geconcludeerd dan dat verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte 1] dit gevolg gewild hebben.

Het hof merkt in dit verband op dat ook aan de rapportage door de patholoog (foto’s van de sectie ontbreken overigens in het dossier) geen eenduidige informatie is te ontlenen omtrent de kracht waarmee het geweld is uitgeoefend, met welk voorwerp welk letsel zou zijn veroorzaakt en welk letsel nu (in hoofdzaak) heeft bijgedragen aan het overlijden van het slachtoffer.

Het feit dat de patholoog op een nadere vraag van de officier van justitie geantwoord heeft dat het globaal afhankelijk is van het tijdstip waarop hulp zou zijn ingeroepen of medisch handelen de dood van het slachtoffer had kunnen voorkomen, sterkt het hof in het oordeel dat niet reeds op basis van hetgeen bekend is omtrent de geweldshandelingen kan worden geconcludeerd dat deze ook gericht waren op het teweegbrengen van de dood van het slachtoffer. Uit het toegepaste geweld kan derhalve ook niet worden afgeleid dat verdachte (bloot) opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven.

Voorwaardelijk opzet

Zoals hiervoor overwogen kan de patholoog niet aangeven hoe vaak, hoe hard en met welke voorwerpen er op het hoofd is geslagen. Evenmin is sprake van één of meer verwondingen die op zichzelf zonder meer dodelijk waren, terwijl tijdig medisch ingrijpen wellicht had voorkomen dat het slachtoffer aan zijn verwondingen was overleden. Enige nadere informatie omtrent de waarschijnlijkheid dat het uitgeoefende geweld c.q. het gebruik van de genoemde geweldsmiddelen ten opzichte van het slachtoffer tot de dood zou kunnen leiden ontbreekt in het dossier.

Gezien het voorgaande kan het hof niet tot het oordeel komen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het handelen van de verdachte(n) zou leiden tot de dood van het slachtoffer, en evenmin dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust was van een dergelijke aanmerkelijke kans en/of deze heeft aanvaard.

Dit geldt eveneens voor het handelen van de medeverdachte [medeverdachte 1], zodat het hof evenmin via de weg van het medeplegen tot een bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde kan komen. Nu het dossier geen bewijs bevat dat de verdachte opzettelijk –ook niet in voorwaardelijke vorm- het slachtoffer van het leven heeft beroofd, dient hij dan ook tevens te worden vrijgesproken van het impliciet subsidiair tenlastegelegde.

Met betrekking tot het impliciet meer subsidiair tenlastegelegde – mishandeling in vereniging al dan niet met voorbedachten rade de dood ten gevolge hebbend-, overweegt het hof als volgt.

Het dossier bevat naar het oordeel van het hof geen bewijsmiddel voor het bestanddeel “met voorbedachten rade”, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

Gebleken is dat verdachte samen met [medeverdachte 1] op 1 november 2011 bij de caravan is aangekomen waar het slachtoffer al aanwezig was. Meteen na aankomst is het geweld tegen het slachtoffer begonnen, waarbij [medeverdachte 1] en verdachte direct na elkaar hebben gehandeld. De verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer daarbij met een fles hard op het sleutelbeen heeft geslagen met de bedoeling dit te breken, dat hij hem tegen het hoofd heeft geslagen en dat hij hem tegen het hoofd heeft geschopt. Hij heeft voorts erkend dat hij aanwezig was bij de mishandeling van het slachtoffer door medeverdachte [medeverdachte 1], dat hij zag dat [medeverdachte 1] het slachtoffer zwaar mishandelde en dat hij zich hiervan niet heeft gedistantieerd. Verdachte heeft dan ook willens en wetens samen met zijn mededader het slachtoffer mishandeld.

Het hof acht, nu van actieve betrokkenheid van een ander persoon niet is gebleken, bewezen dat alle bij het slachtoffer geconstateerde letsels het gevolg zijn van geweldshandelingen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. Het hof is daarbij, gezien het geconstateerde letselbeeld, van oordeel dat het toegepaste geweld aanmerkelijk meer heeft ingehouden dan de -hiervoor weergeven- geweldshandelingen die door verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zijn toegegeven. Nu voorts uit de rapportage van de patholoog blijkt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van bloedverlies van alle letsels tezamen acht het hof tevens bewezen dat het slachtoffer is overleden als gevolg van de geweldshandelingen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] en mitsdien aan de gevolgen van die mishandeling.

Het hof is dan ook van oordeel dat het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde –mishandeling in vereniging de dood ten gevolge hebbend- wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 1 november 2011 en/of 2 november 2011 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon (te weten [slachtoffer]), (meermalen) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of geduwd en/of (meermalen) met een hard en/of scherp en/of bot/stomp voorwerp geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan deze is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep - met wijziging in de motivering van de op te leggen straf - zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer, waarbij zodanig veel en grof geweld is toegepast dat het slachtoffer uiteindelijk ten gevolge van het toegepaste geweld is komen te overlijden. Deze mishandeling heeft geruime tijd geduurd en het kan niet anders dan dat het slachtoffer hier ernstig onder heeft geleden. Uiterst kwalijk acht het hof ook dat verdachte en zijn medeverdachte na hun geweldsuitoefening op geen enkele moment medisch hulp voor het slachtoffer hebben ingeroepen. Zij hebben het slachtoffer aan zijn lot overgelaten. De verdachte en zijn mededader hebben door hun handelen aan het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. De verdachte heeft aldus aan de nabestaanden van het slachtoffer onuitsprekelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaring die door drie familieleden is ondertekend, blijkt ook dat de wijze waarop het slachtoffer van het leven is beroofd een enorme impact op hen heeft gehad. Evident is dat de rechtsorde door het bewezenverklaarde feit zeer ernstig is geschokt. Naar het oordeel van het hof is het feit, en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, dermate ernstig dat slechts oplegging van een zeer langdurige gevangenisstraf als een passende reactie hierop in aanmerking komt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

13 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, te weten vermogensdelicten.

Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden, aangezien er drie jaren zijn verstreken sinds de binnenkomst van het dossier bij het hof op 31 augustus 2012. Naar het oordeel van het hof is echter een deel van deze termijnoverschrijding het gevolg van de tijd welke was gemoeid met door de verdediging verzochte, en in het buitenland te verrichten, onderzoekshandelingen.

Het hof ziet hierom reden aan de overschrijding van de redelijke termijn welke niet het gevolg is van de uitvoering van voormelde verzoeken op de hierna weergeven wijze in de op te leggen straf verdisconteren.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de omstandigheid dat het hof, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, niet bewezen acht dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof, in plaats van de overwogen gevangenisstraf, een gevangenisstraf voor de duur van 301 weken met aftrek van voorarrest, opleggen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte impliciet meer subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 150.239,90.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 150.239,90.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis, inclusief de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders betwist dan met een beroep op de door de raadsvrouw bepleite vrijspraak.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 5.918,38 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 5.918,38 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair impliciet primair (moord) en primair impliciet subsidiair (doodslag) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 301 (driehonderdéén) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.918,38 (vijfduizend negenhonderdachttien euro en achtendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.918,38 (vijfduizend negenhonderdachttien euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 64 (vierenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, mr. A. Kuijer en mr. J.T.F.M. van Krieken, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 september 2015.

1 proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2011, PL1522 2011231697-11, p.8 e.v. map ambtshandelingen

2 map forensische opsporing p. 67

3 map forensische opsporing p. 143 e.v.

4 p.854 e.v. map forensische opsporing

5 proces-verbaal van bevindingen forensisch technisch onderzoek zaaknummer 2011-231697, map forensische opsporing p. 555 e.v.