Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2354

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
BK-14/00189
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:45, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende het juiste bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0983 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00189

Uitspraak van 3 april 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2014, nr. SGR 13/9235.

Bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen van € 695 opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag naar € 505 verlaagd.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 160 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 974 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Hoger beroep

2.1.

De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 januari 2015 in Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

3.1.

Belanghebbende heeft op 18 januari 2013 aangifte voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) gedaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto, een BMW van het type 740D Executive. De BPM, groot € 8.115, heeft belanghebbende berekend aan de hand van een koerslijst van X-Ray. Blijkens de koerslijst is de handelsinkoopwaarde van de auto € 60.859, ervan uitgaande dat sprake is van een auto die is verhandeld met gebruikmaking van de btw-margeregeling (marge-auto). Conform de aangifte heeft belanghebbende € 8.115 voldaan.

3.2.

Belanghebbende heeft de auto op 17 januari 2013 gekocht van [Y] (Duitsland) voor € 52.640, inclusief € 8.404,71 aan Duitse omzetbelasting.

3.3.

Aan de naheffingsaanslag ligt de opvatting ten grondslag dat € 8.810 aan BPM is verschuldigd. De Inspecteur past dezelfde koerslijst toe, maar gaat ervan uit dat sprake is van een auto die is ingekocht met berekening van omzetbelasting (btw-auto). Blijkens de koerslijst is dan de handelsinkoopwaarde van de auto € 66.116.

3.4.

In bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd met € 190, zijnde een extra korting wegens het tijdsverloop tussen datum aangifte en datum registratie.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

- verklaart het beroep gegrond;

(…)

4. In geschil is of [de Inspecteur] voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde terecht is uitgegaan van een BTW-auto.

5. [ De Inspecteur] heeft het standpunt ingenomen dat voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in dit geval moet worden uitgegaan van een BTW-auto omdat [belanghebbende] de auto met berekening van BTW (Mehrwertsteuer) heeft ingekocht. Er moet aldus [de Inspecteur] worden aangeknoopt bij een inkoopwaarde van een vergelijkbare auto, en dat is in dit geval een auto die met BTW is ingekocht.

6. De rechtbank verwerpt [de Inspecteurs] onder 5 weergegeven standpunt, omdat uit het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013 (C-437/12, ECLI:NL:XX:2013:178, V-N 2014/2.18) volgt dat de heffing van Bpm niet hoger mag zijn dan het laagste restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in die lidstaat geregistreerde voertuigen. Voor de vraag of sprake is van gelijksoortige voertuigen wordt in dat arrest uitsluitend gewezen op kenmerken die te maken hebben met de aard van de auto zelf(merk, model, type, kenmerken als aandrijving of uitrusting, ouderdom, kilometerstand, staat van onderhoud). Nu in onderhavig geval sprake is van dergelijke gelijksoortige voertuigen, mag vervolgens worden aangeknoopt bij de daarmee samenhangende laagste waarde, te weten de waarde zoals die geldt wanneer sprake is van een marge-auto. Dat [belanghebbende] de auto heeft ingekocht met berekening van BTW, is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet relevant. Dit betekent dat het gelijk aan [belanghebbende] is.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

8. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 (tarief per 1 januari 2014) en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding vindt de rechtbank geen aanleiding, nu aan [belanghebbende] voor de bezwaarfase reeds een proceskostenvergoeding is toegekend."

Geschil en standpunten

5.1.

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende het juiste bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan, welke vraag de Inspecteur ontkennend en belanghebbende bevestigend beantwoordt.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

6.1.

De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel, uitgaande van de beschikbare gegevens over de auto ten opzichte van vergelijkbare auto's, terecht en op goede gronden geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. De Inspecteur heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd, gelet ook op de door belanghebbende in het verweerschrift in hoger beroep gegeven uiteenzetting, dat een andere conclusie rechtvaardigt. Integendeel, het recht op het terrein van de BPM brengt mee dat, nu naar tussen partijen vaststaat de in geding zijnde koerslijst beslissend is voor de bepaling van de verschuldigde BPM en de laagste waarde op die lijst € 60.859 is, belanghebbende voor die waarde mag kiezen, ongeacht hoe belanghebbende eigenaar is geworden van de auto, meer in het bijzonder ongeacht de fiscale herkomst van de auto. De (fiscale) herkomst van de auto is geen eigenschap die aan de auto kleeft en beïnvloedt zodoende de heffing van BPM niet.

6.2.

Het Hof concludeert dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De kosten stelt het Hof, onder handhaving van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, vast op € 1.470 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten à € 490 x 1,5 (gewicht). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2.

Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Staat wegens het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 493.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.470.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en E.M. Vrouwenvelder, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 3 april 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.