Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2337

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
22-000964-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde (opzettelijk aanwezig hebben/verkoop van cocaïne) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000964-14

Parketnummer: 09-820093-13

Datum uitspraak: 31 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1964,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 augustus 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens is een in beslag genomen geldbedrag verbeurd verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


zij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2011 tot en met 4 november 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.


zij op of omstreeks 04 november 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 17,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraken

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw bepleit – op gronden zoals vermeld in haar pleitaantekeningen – dat niet bewezen kan worden dat sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat kan worden bewezenverklaard dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft medegepleegd, zodat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, nu aan haar medeplichtigheid aan die feiten niet is tenlastegelegd.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict, aldus de Hoge Raad.

De verdachte heeft in haar verhoor van 5 november 2013 ten overstaan van de politie verklaard dat ‘[medeverdachte 1]’ (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 1]),‘[medeverdachte 2]’ (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] bolletjes verkochten vanuit haar woning en beneden in het bijbehorende portiek en dat er dagelijks kopers kwamen (wel rond de 20 over de hele dag). Zij heeft verklaard dat zij dit toestond omdat het haar familie was. Verdachte wist wat er in de bolletjes zat. Zij zag deze bolletjes dagelijks in haar woning liggen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat zij soms voor [medeverdachte 1] geld aannam van kopers als [medeverdachte 1] er niet was en dat zij dat aan hem gaf als hij thuis kwam. [medeverdachte 1] hield op een in de woning opgehangen papieren lijst bij welke kopers hem nog geld verschuldigd waren. Sommige kopers brachten wel eens wasmiddel of douchespullen mee. Verdachte kocht die goederen voor € 10,- en van dat geld kochten ze dan gelijk drugs. Verdachte wist dat het hierbij om gestolen goederen ging.

Het hof stelt vast dat de verklaring van verdachte door twee opsporingsambtenaren is afgenomen en op ambtseed/ambtsbelofte in het daarvan opgemaakte proces-verbaal is weergegeven. Verdachte heeft aan het begin van het verhoor desgevraagd verklaard geen tolk nodig te hebben en te zullen aangeven wanneer zij een vraag niet begreep. Na afloop van het verhoor heeft zij iedere pagina van haar verklaring ondertekend. Van enige miscommunicatie is niet gebleken; integendeel, het betreft een uitgebreide verklaring waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte uit eigen beweging en gedetailleerd heeft verteld over de wijze waarop er vanuit haar woning in drugs werd gedeald. Het is dan ook niet aannemelijk dat het proces-verbaal de verklaring van de verdachte onjuist weergeeft of dat de bij het verhoor betrokken verbalisanten zaken zouden hebben verdraaid. Het hof acht voornoemde verklaring – anders dan de verdediging - dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Dat verdachte contacten had met kopers vindt steun in de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 4]. Hij heeft verklaard dat hij junkachtige types het portiek van de woning van verdachte heeft zien binnengaan. Deze personen vroegen weleens aan de groep die buiten de woning stond of ‘mama’ er was. Verdachte heeft erkend dat zij zo ook wel werd genoemd. Ook de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij heeft gemerkt dat er vanuit de woning werd gedeald en dat er een zogenoemde ‘pof-lijst’ werd bijgehouden.

Concluderend is het hof evenwel van oordeel dat het bovenstaande onvoldoende is om tegen de achtergrond van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad in het onderhavige geval medeplegen aan te nemen. Daartoe overweegt het hof dat geen bewijs is geleverd dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van het dealen en de bijdrage van de verdachte al met al niet van een zodanig gewicht is geweest dat moet worden geconcludeerd dat zij nauw en bewust met de mededaders heeft samengewerkt. Daarbij speelt mee dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zelf ook in financieel opzicht heeft geprofiteerd van de drugshandel. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] niet zonder meer zo kan worden gelezen dat de verdachte gemakkelijk geld kon verdienen door de drugshandel. Daartoe door de rechter-commissaris nader gehoord, heeft [medeverdachte 2] dit ook ontkend.

Nu geen medeplichtigheid aan de verdachte is tenlastegelegd, dient de verdachte algeheel te worden vrijgesproken.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan haar toebehorend, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 briefje van € 10,-;

- 3 briefjes van € 5,-;

- 1 zakje muntgeld, 1 zakje muntgeld en een aantal bankbiljetten, 2 zakjes met bankbiljetten;

- 1 zakje met 4 biljetten van € 50,- (uit de zwarte handtas);

- 1 ING enveloppe met 16 biljetten van € 50,-,

16 biljetten van € 100,- en een opnamebewijs van € 920,- (uit de zwarte handtas);

- 1 zakje met muntgeld en een aantal bankbiljetten;

- 1 wit zakje met 3 x € 10,- en 4 x € 5,- en muntgeld.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. Chr.A. Baardman en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 augustus 2015.

Mr. Chr.A. Baardman is buiten staat dit arrest te ondertekenen.