Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2325

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
22-001040-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is samen met anderen een opslagruimte die daar niet voor bedoeld is binnengedrongen en heeft daar overnacht, zonder toestemming van de rechthebbende.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001040-14

Parketnummer: 09-001414-14

Datum uitspraak: 27 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 maart 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedag],

[adres],

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in PI Haaglanden - HvB Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

13 augustus 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 januari 2014 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een besloten lokaal, gelegen [adres slachtoffer] en in gebruik bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s) wederrechtelijk is binnengedrongen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 januari 2014 te Leiden tezamen en in vereniging met anderen, in een besloten lokaal, gelegen [adres slachtoffer] en in gebruik bij [slachtoffer], wederrechtelijk is binnengedrongen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe overeenkomstig zijn pleitnotitie – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de ten laste gelegde wederrechtelijkheid niet kan worden bewezen, nu uit het dossier niet blijkt dat de verdachte door de rechthebbende is gesommeerd te vertrekken en dat hij vervolgens aan deze sommatie geen gehoor heeft gegeven.

Het hof oordeelt als volgt.
Het verweer stoelt hoofdzakelijk op de stelling van de verdediging dat het binnendringen in een besloten lokaal eerst wederrechtelijk is wanneer de verdachte zich niet aanstonds na de vordering van de rechthebbende heeft verwijderd. Deze stelling is naar het oordeel van het hof onjuist. Bestudering van de wettekst van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) leert dat de strafbaarstelling van lokaalvredebreuk twee varianten behelst. De eerste variant betreft het wederrechtelijk binnendringen van een lokaal dat in gebruik is bij een ander, en de tweede variant het wederrechtelijk in een besloten lokaal vertoeven en zich niet aanstonds op vordering van de rechthebbende verwijderen. In de onderhavige zaak is de eerste variant tenlastegelegd.

Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk is het in deze dan ook niet de vraag of er al dan niet een sommatie is gegeven aan de verdachte, maar of de verdachte geacht moet zijn het besloten lokaal wederrechtelijk te zijn binnengedrongen. Dit is het geval wanneer degene die zich in het lokaal bevindt, dit doet tegen de voor hem onmiskenbare wil van de rechthebbende en zonder dat hij daartoe uit anderen hoofde gerechtigd is. Deze onmiskenbare wil kan blijken uit de verklaring van de rechthebbende, maar tevens uit andere omstandigheden.

In de onderhavige zaak volgt de onmiskenbare wil naar het oordeel van het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder met name de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, waarin hij heeft aangegeven dat hij geen toestemming had van de rechthebbende om in de opslagruimte te verblijven, en dat hij had gezien dat het slot van de toegangsdeur verbroken was en dat er spullen stonden. Dat de verdachte uit anderen hoofde gerechtigd was in het lokaal te verblijven is aangevoerd noch gebleken. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair het verweer gevoerd dat – kort en zakelijk weergegeven - het tenlastegelegde bij bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als lokaalvredebreuk, nu in de tenlastelegging enkele, in de ogen van de verdediging noodzakelijke bestandsdelen van het delict ex artikel 138 WvSr ontbreken. Om die reden zou de verdachte dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Dit verweer wordt verworpen. Het hof heeft hierboven reeds vastgesteld dat de wettekst van artikel 138 WvSr twee varianten van lokaalvrede breuk behelst. In de onderhavige zaak is op correcte wijze één van die twee varianten tenlastegelegd en het bewezen verklaarde kan dan ook al volgt worden gekwalificeerd:

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Beoordeling van verweren ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering (WvSv)

De raadsman van de verdachte heeft namens de verdachte overeenkomstig zijn pleitnotitie een verweer op grond van artikel 359a WvSv gevoerd. Kort en zakelijk weergegeven heeft de raadsman aangevoerd dat de inverzekeringstelling van de verdachte om twee redenen onrechtmatig was: de inverzekeringstelling heeft te laat plaatsgevonden en op verkeerde grond, nu de inverzekeringstelling op titel van een verdenking van diefstal is bevolen, terwijl daartoe ten tijde van de inverzekeringstelling geen redelijk vermoeden van schuld meer bestond. Dit onherstelbare vormverzuim dient in de ogen van de verdediging te leiden tot strafvermindering.

Het hof oordeelt als volgt.

Allereerst constateert het hof dat de aangever melding heeft gemaakt van diefstal uit een opslagruimte. De verdachte en zijn medeverdachten zijn in deze opslagruimte aangetroffen. Het onderzoek naar de diefstal liep nog en de verdachte en zijn medeverdachten zijn ook na het moment van inverzekeringstelling nog over deze vermeende diefstal verhoord. Ten tijde van de inverzekeringstelling van de verdachte was het redelijk vermoeden van schuld dus nog onverkort aanwezig. In zoverre is de inverzekeringstelling naar het oordeel van het hof dan ook niet onrechtmatig geweest.

Het hof stelt voorts vast dat ten aanzien van de inverzekeringstelling inderdaad sprake is van termijnoverschrijding. Dit vormverzuim levert, gelet op de beperkte mate van de termijnoverschrijding, echter slechts een geringe schending van de belangen van de verdachte op. Het hof zal volstaan met de constatering dat dit vormverzuim heeft plaatsgevonden en verbindt hieraan geen verdere consequenties.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is samen met anderen een opslagruimte die daar niet voor bedoeld is binnengedrongen en heeft daar overnacht, zonder toestemming van de rechthebbende. Deze heeft daardoor overlast ondervonden.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juli 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof houdt ten slotte rekening met het feit dat de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 13 mei 2015 de ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen. Blijkens het aan de brief van de raadsman van de verdachte d.d. 4 augustus 2015 gehechte voortgangsrapport uit de ISD-instelling gaat het op dit moment goed met de verdachte en is hij gemotiveerd om zijn leven op orde te krijgen. Het hof acht het onwenselijk dat het ISD-traject zou worden doorkruist door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, dan wel dat de verdachte na afloop van de ISD-maatregel direct terug naar de gevangenis zou moeten. Het hof zal daarom volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.736,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 63 en 138 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. R.F. de Knoop, mr R.C. Schlingemann en mr. B.A. Stoker-Klein, in bijzijn van de griffier mr. E. van Doren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 augustus 2015.

mr. B.A. Stoker-Klein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.