Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2318

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
200.122.035/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechten ten aanzien van pensioen en tegemoetkoming in de premie ziektekosten op grond van tot stand gebrachte arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1016
AR 2015/1939
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer: 200.122.035/01

Rolnummer rechtbank: 1128114 \ CV EXPL. 11-3405

Arrest d.d. 11 augustus 2015

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

tevens geïntimeerde in incidenteel appel

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. Veuger-Hakze te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KÜHNE BENELUX B.V.,

gevestigd te Ter Aar,

geïntimeerde in principaal appel,

tevens appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: Kühne,
advocaat: mr. G.B.M. Zuidgeest te Alphen aan den Rijn.

Het verdere verloop van het geding

Nadat de bij tussenarrest van 19 maart 2013 bevolen comparatie van partijen, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, had plaatsgevonden, heeft [appellant] bij memorie van grieven tegen het vonnis van de kantonrechter grieven aangevoerd, die Kühne vervolgens bij memorie van antwoord heeft bestreden. Bij die memorie heeft Kühne ook zelf (incidenteel) appel tegen het vonnis van de kantonrechter ingesteld en grieven tegen dat vonnis aangevoerd. Vervolgens heeft [appellant] die grieven bij memorie van antwoord in incidenteel appel bestreden, waarna partijen nog schriftelijk in twee rondes hebben gepleit. Ten slotte hebben beide partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

IN HET PRINCIPALE EN IN HET INCIDENTELE APPEL

  1. Het hof stelt allereerst vast dat partijen het erover eens zijn dat waar de rechtbank in het bestreden vonnis heeft verwezen naar een e-mail van [appellant] van 11 juli 2008 sprake moet zijn van een e-mail van 12 augustus 2008, en dat waar de rechtbank heeft verwezen naar een brief van 13 maart 2010, sprake moet zijn van een brief van 15 maart 2010, zodat het hof verder van deze data zal uitgaan. Verder constateert het hof dat geen bezwaren zijn aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 2.1 van haar vonnis met betrekking tot de feiten heeft vastgesteld, zodat deze feiten ook het hof tot uitgangspunt dienen.

  2. Het gaat in de onderhavige zaak om rechten die [appellant] ten aanzien van pensioen en tegemoetkoming in de premie ziektekosten jegens Kühne heeft op grond van zijn per 1 juli 1989 met (een rechtsvoorganger van) Kühne tot stand gebrachte arbeidsovereenkomst. De desbetreffende arbeidsovereenkomst van 16 mei 1989 (hierna: de arbeidsovereenkomst) vermeldt hierover het volgende:

“Als Vergütung für Ihre Tätigkeit erhalten Sie brutto Hfl. 5.600,-- x 12 = Hfl. 67.200,--, 8% Urlaubsvergütung = Hfl. 5.400 und zusätzlich die bei Kühne derzeit übliche Pensionsregelung. Die Firma Kühne übernimmt 50 % Ihrer privaten Krankenversicherung.“


Tussen partijen bestaat er verder overeenstemming over dat eveneens deel van de arbeidsovereenkomst uitmaakt hetgeen is neergelegd in een brief van Kühne aan [appellant] van dezelfde datum (hierna: de brief):

“in Ergänzung Ihres Anstellungsverhältnisses bestätigen wir, daß wir Ihnen über die Pensionszahlungen von Kühne Nederland hinaus einen weiteren Betrag bezahlen werden, sodaß ein Gesamtjahresbetrag für diesen Zweck von Hfl. 6.000,-- bereitgestellt wird.
Dieser Zusatzbetrag ermäßigt sich, wenn sich die offiziellen Rentenzahlungen durch Kühne Nederland erhöhen.“

3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, de vordering van [appellant] ten aanzien van het pensioen afgewezen en ten aanzien van de tegemoetkoming in de ziektekosten toegewezen. Tegen het eerste richt zich het principale appel van [appellant]; tegen het tweede het incidentele appel van Kühne. [appellant] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd, aldus dat hij thans (naar het hof begrijpt: ter zake de pensioenkwestie) vervangende schadevergoeding vordert ten bedrage van € 336.472,--, althans € 329.480,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 september 2012. Nu Kühne tegen deze wijziging – anders dan inhoudelijke – geen bezwaren heeft aangevoerd, ligt in hoger beroep de gewijzigde eis voor. Het hof neemt overigens aan dat [appellant] slechts heeft bedoeld vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te vorderen voor zover hij daarbij ten aanzien van de pensioenkwestie in het ongelijk is gesteld.
IN HET PRINCIPALE APPEL

4. Met grief 1 in principaal appel klaagt [appellant] over het oordeel van de kantonrechter dat de enige mogelijke uitleg van de tussen partijen over de pensioenvoorziening gemaakte afspraken is dat Kühne aan [appellant] een totale pensioenpremie van fl. 6.000,-- per jaar zou betalen. Het hof oordeelt hierover als volgt.

5. Bij de beoordeling van hetgeen partijen met betrekking tot de pensioenvoorziening zijn overeengekomen komt het aan op de betekenis die partijen over en weer redelijkerwijs aan hun ter zake gemaakte afspraken hebben mogen toekennen, terwijl die betekenis uit alle omstandigheden van het geval mag worden afgeleid. Partijen verschillen van mening over wat er ter gelegenheid van de totstandkoming van de overeenkomst aan de orde is geweest, maar nu partijen geen bezwaren hebben aangevoerd tegen de overweging van de kantonrechter dat thans bezwaarlijk meer is na te gaan wat de bedoeling van partijen met betrekking tot de voor [appellant] getroffen pensioenvoorziening is geweest anders dan door uitleg van de arbeidsovereenkomst en de brief, en [appellant] op dit punt ook geen specifiek bewijs heeft aangeboden, laat het hof het bij de vaststelling dat de herinneringen van [appellant] en de van de zijde van Kühne bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokkene, de heer [betrokkene 1], haaks op elkaar staan, en zal het hof het antwoord op de vraag wat partijen precies zijn overeengekomen primair zoeken in tekst en structuur van de beide geschriften van 16 mei 1989.

6. Waar [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vertaling (door een beëdigd vertaler) van de brief die door Kühne als productie 1 bij conclusie van antwoord/eis in het geding is gebracht, zal het hof die vertaling voor de brief als uitgangspunt nemen. Deze vertaling luidt als volgt:


“In aanvulling op uw dienstverband bevestigen wij dat wij u bovenop de pensioenbetalingen van Kühne Nederland nog een bedrag zullen betalen, zodat een totaal jaarbedrag voor dit doeleinde van NLG 6.000,- beschikbaar wordt gesteld.
Dit extra bedrag wordt verlaagd als de officiële pensioenbetalingen door Kühne Nederland worden verhoogd.”

7. Het hof legt deze tekst in samenhang met de tekst van de arbeidsovereenkomst aldus uit dat [appellant] aanspraak kan maken op de “thans gebruikelijke pensioenregeling” (“derzeit übliche Pensionsregelung“) en dat [appellant] bovenop de in dat kader door Kühne als werkgever te betalen pensioenpremie een extra bedrag voor het doel van pensioenvoorziening zal ontvangen, aldus dat Kühne ten behoeve van [appellant]’s pensioenopbouw totaal een bedrag van NLG 6.000,- ter beschikking zal stellen. “Gesamtjahresbetrag für diesen Zweck” (totaal jaarbedrag voor dit doeleinde) kan redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan “totaal jaarbedrag ten behoeve van de pensioenvoorziening”. In het licht hiervan had van [appellant], die als Sales Manager voor Kühne commerciële werkzaamheden in Duitsland ging verrichten en die derhalve geacht mag worden destijds de Duitse taal voldoende machtig te zijn geweest om de inhoud van de overeenkomst en de brief te begrijpen, daargelaten dat het, indien dat anders was, voor zijn risico behoort te komen dat hij geen bijstand heeft ingeroepen van iemand die dat wel was, verwacht mogen worden dat hij op wijziging van de tekst van arbeidsovereenkomst of brief had aangestuurd zodat de tekst beter op de bedoeling van partijen, zoals die wat hem betreft bestond, zou aansluiten.

8. Kühne heeft weliswaar niet aan haar verplichting voldaan om [appellant] voor de “gebruikelijke pensioenregeling” aan te melden, maar nu [appellant] van meet af aan met zijn salaris een bedrag van NLG 500,-- heeft ontvangen, dit bedrag door [appellant] voorts, zoals hij ter gelegenheid van de in hoger beroep gehouden comparitie heeft verklaard, niet anders is begrepen dan als zijnde één twaalfde van de in de brief vermelde NLG 6.000,--, en hij dat bedrag ook zelf steeds in de pensioensfeer heeft gebruikt om lijfrentes te kopen, moet het er - nu hij tegen deze gang van zaken viereneenhalf jaar lang niet heeft geprotesteerd - voor worden gehouden dat hij heeft geaccepteerd dat Kühne hem niet voor haar pensioenregeling had aangemeld en dat hij er genoegen mee heeft genomen dat het totaalbedrag van € 6.000,-- per jaar waarop hij jegens Kühne ten behoeve van zijn pensioenvoorziening aanspraak kon maken aan hem ter beschikking is gesteld zoals het ter beschikking is gesteld. De aanvaarding van die uitwerking van de overeenkomst die daarin is gelegen laat geen ruimte na viereneenhalf jaar tegen deze gang van zaken te protesteren. Dat op [appellant]’s loonstrook ter verantwoording van het bedrag van NLG 500,-- aanvankelijk ‘toeslag’ was vermeld en vanaf augustus 1999 ‘bijdr. pensioen’, kan aan het voorgaande niet afdoen. Datzelfde geldt voor de verklaring van de heer [betrokkene 2], voormalig directeur van Kühne, die [appellant] in het kader van de in hoger beroep gehouden comparitie in het geding heeft gebracht, en voor hetgeen Kühne was overeengekomen met [appellant]’s voorganger, [betrokkene 3]. Dat Kühne op enig later moment dan bij indiensttreding het bij [appellant] gerechtvaardigd vertrouwen heeft opgewekt dat hij alsnog voor een andere regeling voor de pensioenvoorziening in aanmerking kwam, is gesteld noch voldoende gebleken. Dat Kühne door aan [appellant] met zijn salaris maandelijks een bruto bedrag van NLG 500,-- ten behoeve van zijn pensioenvoorziening uit te keren in strijd heeft gehandeld met de geldende pensioenwetgeving, zoals [appellant] ook nog heeft gesteld, is door [appellant] niet voldoende uitgewerkt, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Het voorgaande betekent dat grief 1 in principaal appel faalt. Dat brengt vervolgens mee dat [appellant] bij behandeling van grief 2 in principaal appel geen belang meer heeft en dat die grief om die reden faalt.

9. [appellant] heeft nog aangeboden bewijs te leveren door het doen horen van zichzelf en [betrokkene 2], maar nu geen concrete feiten te bewijzen zijn aangeboden die tot een andere uitkomst kunnen leiden, gaat het hof aan dat aanbod voorbij.

IN HET INCIDENTELE APPEL

10. De grieven van Kühne in incidenteel appel zien alle op de toewijzing door de kantonrechter van de vordering van [appellant] ter zake van zijn premies ziektekostenverzekering over de periode vanaf 1 januari 2006 en op de gronden waarop die beslissing berust. Het hof overweegt als volgt.

10. Ter zake de werkgeversbijdrage in de premies ziektekosten bepaalt de arbeidsovereenkomst tussen partijen het volgende: “Die Firma Kühne übernimmt 50 % Ihrer privaten Krankenversicherung“. Tot 1 januari 2006 heeft Kühne hieraan uitvoering gegeven door 50% van de premies ziektekosten te vergoeden van [appellant] en zijn gezinsleden. Deze situatie is gewijzigd in verband met het feit dat per 1 januari 2006 de Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (hierna: de Zorgverzekeringswet) in werking is getreden, waarin een verplichte inkomensafhankelijke bijdrage is opgenomen. Vanaf deze datum heeft Kühne uitsluitend deze inkomensafhankelijke bijdrage voor haar rekening genomen. Aanvankelijk stelde Kühne zich in de procedure in eerste aanleg op het standpunt dat zij vanaf 1 januari 2006 aan al haar werknemers met een aanvullende verzekering (inclusief [appellant]) ook nog een brutobedrag van €15,-- per maand heeft vergoed (conclusie van antwoord/eis sub 22), maar nadat [appellant] bij conclusie van antwoord in reconventie had betwist dat hij dat maandelijkse bedrag had ontvangen, heeft Kühne erkend dat nimmer betalingen van dat bedrag aan [appellant] hadden plaatsgevonden (conclusie van dupliek/repliek sub 34) en aangekondigd die betalingen alsnog te gaan verrichten. Tot die betalingen is het evenwel door het vonnis van de kantonrechter niet meer gekomen.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat in de arbeidsovereenkomst geen sprake is van een schriftelijk beding dat Kühne als werkgever de bevoegdheid geeft in die arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarden te wijzigen. In het licht hiervan dient de vraag zich aan óf en zo ja, op grond waarvan, de regeling betreffende de bijdrage in de premies ziektekosten in de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2006 een wijziging heeft ondergaan.

10. Het hof constateert dat Kühne bij brief van 9 januari 2006 (prod. 14 bij dagvaarding in eerste aanleg) aan [appellant] heeft laten weten dat met hem “is besproken” dat de vergoedingsregeling bestaande in een bijdrage in de particuliere ziektekostenverzekering per januari 2006 vervalt. [appellant] heeft evenwel bestreden dat die wijziging met hem is besproken en hij heeft ook betwist dat hij op enig moment met die wijziging heeft ingestemd. Bij conclusie van dupliek/repliek sub 33 heeft Kühne zich vervolgens op het standpunt gesteld dat zij [appellant] “een redelijk voorstel [heeft] gedaan”, maar dat het in dit verband om iets anders is gegaan dan een eenzijdig opgelegde wijziging van de arbeidsvoorwaarden is niet gebleken. Bij memorie van antwoord/grieven sub 99 stelt Kühne ook niet meer dan dat [appellant] in januari 2006 over de nieuwe regeling is “geïnformeerd”. Het hof houdt het er dan ook voor dat Kühne nooit een voorstel tot wijziging van de regeling heeft gedaan. Bij gebreke aan een dergelijk voorstel komt het hof uiteraard niet toe aan de vraag of aanvaarding van enig voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van [appellant] gevergd kon worden.

10. Kühne stelt bij memorie van antwoord/grieven sub 94 dat zij bij haar wijziging van de ziektekostenregeling per 1 januari 2006 ‘de cao [heeft] gevolgd’. Zij erkent weliswaar dat ‘de cao’ niet op de arbeidsovereenkomst met [appellant] van toepassing is, maar dat acht zij niet relevant. De regeling in de arbeidsovereenkomst met [appellant] was, aldus Kühne, dezelfde als die in de (eerdere) cao en Kühne acht het in het licht daarvan “niet meer dan logisch” dat bij een wijziging van de cao, ook de regeling voor [appellant] wijzigt. Die redenering vindt echter geen steun in het recht en kan derhalve niet als deugdelijke basis voor de eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst dienen.

10. Bij memorie van antwoord/grieven sub 108 stelt Kühne dat zij met [appellant] bij diens indiensttreding “de collectieve regeling” was overeengekomen en dat het dan ook redelijk en billijk is dat bij het wijzigen van de collectieve regeling deze gewijzigde regeling ook van toepassing wordt op de arbeidsovereenkomst van [appellant], maar dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst wat de regeling voor tegemoetkoming in de premies ziektekosten hebben beoogd aan te haken bij enige “collectieve regeling” is in het geheel niet gebleken. Dat het voor Kühne als werkgever financieel (fiscaal) ongunstig was na 1 januari 2006 de met [appellant] overeengekomen regeling voor ziektekosten ongewijzigd voort te zetten, zoals Kühne in het kader van grief III in incidenteel appel heeft toegelicht, levert voorts evenmin een geldige grond op om de arbeidsovereenkomst van [appellant] eenzijdig te wijzigen (en daarmee het financiële nadeel van de wetswijziging voor diens rekening te laten komen). Dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Kühne gebonden blijft aan haar contractuele verplichting tot betaling van de helft van de totale ziektekostenpremie van [appellant] – zoals Kühne in het kader van grief V in incidenteel appel stelt - vermag het hof dan ook niet in te zien, te meer niet nu Kühne in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij handhaving van de bestaande regeling na 1 januari 2006 (substantieel) meer had te vergoeden dan zij voor die datum had.

10. Bij haar eerste ronde van het schriftelijk pleidooi sub 24 heeft Kühne het hof nog onder voorwaarde verzocht op grond van artikel 6:258 BW tot wijziging van de oorspronkelijke met [appellant] overeengekomen regeling te komen, maar dat verzoekt stuit reeds af op het feit dat het hof de daaraan verbonden voorwaarde niet begrijpt, nog daargelaten dat het hof de gevolgen van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet voor de verhouding tussen Kühne en [appellant], voor zover gebleken, niet van dien aard acht dat [appellant] in verband daarmee geen ongewijzigde instandhouding van de contractuele rechtsverhouding van Kühne mocht verwachten.

10. In het kader van grieven III en IV in incidenteel appel heeft Kühne nog geklaagd over het belang dat de rechtbank heeft toegekend aan de zogenaamde salderingsregeling, neergelegd in artikel 2.5.8 van de Wet van 6 oktober 2005, houdende invoering van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en Aanpassingswet Zorgverzekeringswet). Deze regeling komt erop neer dat een werkgever die voor 2006 aan een werknemer een bijdrage in de ziektekostenverzekering verschuldigd was ingevolge de arbeidsovereenkomst, de na 1 januari 2006 verplichte inkomensafhankelijke bijdrage daarop in mindering mag brengen. Volgens Kühne heeft de rechtbank miskend dat deze regeling bedoeld is geweest als een (tijdelijke) overgangsmaatregel en – zo begrijpt het hof het standpunt van Kühne – de rechtbank had geen betekenis mogen toekomen aan die regeling bij de beoordeling van de vordering van [appellant] ter zake premies ziektekosten, nu die vordering ziet op een periode van bijna zeven jaar vanaf het moment dat de regeling in werking is getreden.

10. Dit betoog faalt. Zoals uit de parlementaire geschiedenis van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet naar voren komt, kent de werking van de salderingsregeling geen vaste einddatum (Kamerstukken I, 2004/05, 30 124, C, p. 54). Artikel 2.5.8 van de Invoerings- en Aanpassingswet Zorgverzekeringswet is overigens eerst per 1 januari 2013 vervallen (Stb. 2011, 288 (art. XXIII) en Stb 2012, 45), zodat er geen grond is deze bij de beoordeling van de rechten van [appellant], die 21 september 2012 met pensioen is gegaan, vanwege het overgangskarakter van de regeling buiten beschouwing te laten.

10. Met grief VI in incidenteel appel klaagt Kühne erover dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen grond bestaat “om, zoals Kühne thans wenst, beperkingen aan te brengen in aantal verzekerden of soort verzekeringen op basis waarvan [appellant] jarenlang voor 1 januari 2006 ziektekostenpremie betaalde, nu Kühne voor 1 januari 2006 het bedrag van de ziektekostenpremie kennelijk zonder enig commentaar heeft aanvaard.” Vóór 2006, zo licht Kühne toe, declareerde [appellant] altijd één bedrag, zodat het voor Kühne niet inzichtelijk was waarop de premie betrekking had. Daarbij kwam nog dat de declaraties van [appellant] steeds verliepen “via Duitsland” en dat daardoor voor haar niet inzichtelijk is geweest dat zij voor [appellant] een te hoog bedrag aan bijdrage in de ziektekostenpremies heeft betaald.

10. Het hof gaat aan hetgeen Kühne over de periode tot 1 januari 2006 naar voren heeft gebracht voorbij. Allereerst stelt het hof vast dat Kühne, nadat [appellant] er bij memorie van antwoord in incidenteel appel (sub 3.5) er uitdrukkelijk bij had gepersisteerd dat hij zijn declaraties altijd in Nederland heeft ingediend, haar standpunt dat hij in Duitsland heeft gedeclareerd niet langer heeft gehandhaafd. Voorts houdt het hof het ervoor dat, nu niet in geschil is dat [appellant] gedurende de hele duur van de arbeidsovereenkomst bij Kühne in dienst is geweest, Kühne het steeds in haar macht heeft gehad te bepalen hoe [appellant] ten aanzien van de premies ziektekosten moest declareren en welke mate van specificatie zij daarbij van hem vergde. Als, zoals Kühne stelt, door de feitelijke wijze van declareren informatie aan haar zicht onttrokken is geweest, had het op haar weg gelegen maatregelen te treffen om aan die situatie een einde te maken. Het feit dat declaraties voor haar niet inzichtelijk zijn geweest vormt dan ook een omstandigheid die voor haar rekening dient te blijven.

10. Nu Kühne op de declaraties van [appellant] tot 1 januari 2006 steeds zonder protest of verzoeken om nadere informatie haar bijdrage van 50% voor haar rekening heeft genomen, staat het haar niet vrij in 2012 de juistheid van die declaraties alsnog ter discussie te stellen. Voor enige verrekening van ten onrechte uitgekeerde (of niet ingehouden) bedragen is dan ook geen plaats. Dat in die verstrekte bijdrage ook inbegrepen is geweest de premie voor een zoon van [appellant] die op 16 december 2004 achttien is geworden, maakt het voorgaande niet anders. De stelling dat van [appellant] als goed werknemer verwacht had mogen worden dat hij Kühne had geïnformeerd op het moment dat zijn zoon meerderjarig werd, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat Kühne niet heeft betwist dat zij vóór het afsluiten van de polis van [appellant] de beschikking heeft gekregen over alle geboortedata van de gezinsleden van [appellant] en derhalve met dat gegeven bekend mag worden geacht.

10. Thans resteert nog de vraag of Kühne ook na 1 januari 2006 nog gehouden was bij te dragen in de premie voor [appellant]’s inmiddels meerderjarige zoon. [appellant] heeft niet gemotiveerd bestreden dat in de bedragen aan betaalde premie in het overzicht bij dagvaarding in eerste aanleg sub 40, waarop grief I in incidenteel appel betrekking heeft, ook betalingen ten behoeve van zijn meerderjarige zoon zijn meegenomen, zodat het hof daarvan uit gaat. [appellant] heeft evenmin bestreden dat het bij Kühne (ook voor 2006) niet gebruikelijk was bij te dragen in de premie ziektekosten van meerderjarige (en van uitwonende) kinderen en hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt waarom – mede in het licht daarvan – het bepaalde in de arbeidsovereenkomst (“Die Firma Kühne übernimmt 50 % Ihrer privaten Krankenversicherung“) desalniettemin zou meebrengen dat hetgeen ter zake de premies ziektekosten is overeengekomen ook betrekking zou hebben op (apart te verzekeren) meerderjarige kinderen. Dat brengt het hof tot het oordeel dat [appellant] vanaf 1 januari 2006 geen aanspraak kan maken op 50% bijdrage in de premie ziektekosten van zijn meerderjarige zoon.

10. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen bij akte zijn vordering ter zake de bijdrage in de ziektekosten over de periode van 1 januari 2006 tot en met zijn pensioendatum, 21 september 2012, opnieuw te berekenen en ter onderbouwing van die berekening stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat zijn berekening uitsluitend ziet op hemzelf, zijn echtgenote en zijn minderjarige kinderen. Kühne zal desgewenst nog mogen reageren. Het hof kan zich overigens goed voorstellen dat partijen – mede gelet op de proceskosten – er de voorkeur aan geven met deze uitspraak in de hand in goed overleg samen tot een herberekening van het door Kühne ter zake de premies ziektekosten verschuldigde te komen en vervolgens op royement van de procedure aan te sturen.

IN HET PRINCIPALE EN IN HET INCIDENTELE APPEL

Slotsom

24. De grieven in het principale appel falen. Het vonnis van de kantonrechter, voor zover aan principaal appel onderworpen, dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal (bij eindarrest) in de kosten van het principale appel worden veroordeeld.

24. In incidenteel appel zal [appellant] zich bij akte mogen uitlaten naar aanleiding van hetgeen het hof in rechtsoverweging 23 heeft overwogen. Kühne zal daarna nog een antwoordakte mogen nemen.

Beslissing

Het hof:

in principaal appel

houdt elke verdere beslissing aan.

in incidenteel appel

verwijst de zaak naar de rol van 8 september 2015 opdat [appellant] zich bij akte kan uitlaten naar aanleiding van hetgeen het hof in rechtsoverwegingen 23 heeft overwogen, waarna Kühne nog bij antwoordakte zal mogen reageren;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, A.R. van de Veen en C.J.J.C. van Nispen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.