Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2316

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
200.134.577/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huurovereenkomst bedrijfsruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer: 200.134.577/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 1170345 \ RL EXPL 12-13784

Arrest d.d. 11 augustus 2015

in de zaak van

[naam], h.o.d.n. “Lade Supermarkt & Slijterij”,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principale appel en geïntimeerde in het incidentele appel,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.N. Grootfaam te Den Haag,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principale appel en appellanten in het incidentele appel,

in eerste aanleg eisers,

hierna tezamen in enkelvoud te noemen: [geïntimeerde 1],
advocaat: mr. N. [geïntimeerde 1] te Den Haag.

Het geding

Het hof verwijst voor wat het verloop van de procedure voorafgaand aan dit arrest betreft, naar hetgeen daaromtrent reeds is neergelegd in het tussenarrest d.d. 26 november 2013, in welk arrest een comparitie na aanbrengen was gelast. De op 16 januari 2014 gehouden comparitie heeft niet tot een schikking geleid.

Daarna heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) tegen de drie beroepen vonnissen in totaal 16 grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in het principale appel tevens houdende incidenteel appel en vermeerdering van eis (eveneens met producties), heeft [geïntimeerde 1] de grieven van [appellant] bestreden, van zijn kant één grief aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Vervolgens heeft [appellant] gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. [geïntimeerde 1] heeft voorts nog een akte genomen, waarop een antwoordakte van [appellant] is gevolgd.

Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

In het principale en incidentele appel:

  1. Nu tegen de vaststelling van de feiten in r.o. 2 (onderdelen 2.1 t/m 2.10) van het vonnis d.d. 25 oktober 2012 geen behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven zijn gericht terwijl ook anderszins niet is gebleken van toereikend gemotiveerde bezwaren tegen deze vaststelling, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

  2. In de kern is in dit hoger beroep het volgende aan de orde, thans in grote lijnen weergegeven:
    2.1. Uitgaande van een tussen partijen op 1 juni 2002 tot stand gekomen huurovereenkomst van een bedrijfsruimte (supermarkt) waarbij [geïntimeerde 1] als verhuurder en [appellant] als huurder optrad, heeft [geïntimeerde 1] zich op het standpunt gesteld dat [appellant] is tekortgeschoten in de correcte en tijdige nakoming van zijn verplichting tot betaling van de overeengekomen huursom. Op deze grondslag heeft [geïntimeerde 1] – in hoofdzaak weergegeven – gevorderd dat de overeenkomst wordt ontbonden en dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur alsmede tot ontruiming van het gehuurde.
    2.2. Gelijk de rechtbank heeft overwogen in r.o. 2.2 van het vonnis d.d. 22 januari 2013, is tussen partijen het belangrijkste geschilpunt de vraag of het bestaan van een (volgens [geïntimeerde 1] aanvankelijk mondeling afgesproken) jaarlijkse huurverhoging ad 5 % kan worden gebaseerd op een brief d.d. 3 juli 2006 waarvan [geïntimeerde 1] stelt dat [appellant] deze heeft ondertekend en aan hem ([geïntimeerde 1]) heeft gezonden, alsmede op een op 1 juli 2006 aangepaste en volgens [geïntimeerde 1] door [appellant] ondertekende versie van de oorspronkelijke overeenkomst. In dat verband heeft [appellant] stellig weersproken dat hij deze stukken heeft ondertekend en aan [geïntimeerde 1] heeft gezonden.
    2.3. De rechtbank heeft in r.o. 5.4 van haar tussenvonnis d.d. 25 oktober 2012 geoordeeld dat de bewijslast van de juistheid van hetgeen aan het gevorderde ten grondslag is gelegd, rust op [geïntimeerde 1], en het voornemen uitgesproken om een handschriftdeskundige te benoemen. De rechtbank heeft vervolgens na inwinning van het deskundigenbericht bij eindvonnis geoordeeld dat is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de huur jaarlijks met 5% wordt verhoogd, alsmede dat sedert 1 juli 2007 tot en met de maand mei 2012 een huurachterstand is ontstaan tot het uiteindelijke beloop van € 15.091,58. Deze achterstand aan de zijde van [appellant] in het betalen van de volledige huur, is door de rechtbank ten grondslag gelegd aan haar beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde door [appellant], alsmede tot betaling van laatstgenoemd bedrag in hoofdsom aan [geïntimeerde 1].
    2.4. [appellant] heeft zich met grief I op het standpunt gesteld dat de stellingen van [geïntimeerde 1] zó onaannemelijk zijn, dat reeds daarom de rechtbank niet had dienen te komen tot het toelaten van [geïntimeerde 1] tot enige bewijslevering. De grieven II tot en met V in het principale appel hebben betrekking op feiten en omstandigheden die de rechtbank blijkens het tussenvonnis van 25 oktober 2012 verder van belang achtte voor de uitkomst van het geding. Waar de rechtbank in dat vonnis voorts is vooruitgelopen op het mogelijk slagen van de bewijslevering (in die zin dat alsdan de vorderingen van [geïntimeerde 1] zullen worden toegewezen), heeft [appellant] daartegen de grieven VI t/m VIII gericht.
    2.5. Grief IX heeft betrekking op het in het tussenvonnis van 22 januari 2013 passeren door de rechtbank van het verweer van [appellant] dat hij in onvoldoende mate de Nederlandse taal machtig is, zodat de brief van 3 juli 2006 niet van hem afkomstig kan zijn. Ook grief X waarin [appellant] de afwijzing van diens verzoek tot de benoeming van een tweede deskundige aan de orde stelt, heeft betrekking op dit tussenvonnis.
    2.6. De grieven XI t/m XIV in het principale appel houden verband met de in de deskundigenrapportage neergelegde bevindingen, (mede) waarop de rechtbank haar in het eindvonnis neergelegde (eind)oordeel heeft gegrond dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] zoals hierboven onder 2.1 globaal aangeduid, voor toewijzing in aanmerking komen.
    2.7. Met de grieven XV en XVI komt [appellant] op tegen de in het eindvonnis vervatte eindbeslissing en hetgeen daaraan direct of zijdelings ten grondslag is gelegd.
    2.8. De grief in het door [geïntimeerde 1] ingestelde incidentele appel strekt tot het in rechte vaststellen dat de periode waarin [appellant] een betalingsachterstand heeft opgebouwd, duurde van 1 juli 2007 tot en met 8 oktober 2013, nu [appellant] eerst op 9 oktober 2013 het gehuurde heeft ontruimd.

Verder in het principale appel:

3. Blijkens paragraaf 5 van de memorie van grieven beperkt [appellant] de omvang van het principaal hoger beroep aldus dat de grieven geacht moeten worden uitsluitend te zijn gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde 1] voor zover deze zijn gebaseerd op de gestelde huurachterstand, zulks terwijl hij zich verder verenigt met de afdoening door de rechtbank van de overige vorderingen van [geïntimeerde 1]. Anders dan [geïntimeerde 1] aanvoert (paragraaf 4 van de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel alsmede wijziging van eis), staat het [appellant] vrij om te berusten in bepaalde onderdelen van de beroepen vonnissen, zulks onder opmerking dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep wordt bepaald door de grieven en het petitum, thans daargelaten de devolutieve werking van het appel in het geval dat een of meer grieven doel zouden treffen.

4. Grief I strekt in essentie ten betoge dat de rechtbank ten onrechte [geïntimeerde 1] heeft toegelaten tot het bewijs dat [appellant] zijn handtekening heeft geplaatst onder de brief van 3 juli 2006 alsmede onder de aangepaste huurovereenkomst d.d. 1 juli 2006. In dat verband voert [appellant] aan dat – op grond van de door [appellant] gesignaleerde “ernstige inconsistenties en ongerijmdheden” – de rechtbank niet had kunnen toekomen aan enige bewijsopdracht aan [geïntimeerde 1].

5. Het hof volgt [appellant] niet in diens opstelling, waar deze in belangrijke mate is gebaseerd niet op concrete feiten of omstandigheden, doch op vermoedens, veronderstellingen en conclusies. In zoverre mist de grief een toereikende grondslag. Een dergelijke grondslag kan evenmin zijn gelegen in het door [appellant] aangevoerde argument dat noch de brief van 3 juli 2006 waarvan [geïntimeerde 1] stelt dat [appellant] deze heeft ondertekend en aan hem ([geïntimeerde 1]) heeft gezonden, noch de op 1 juli 2006 aangepaste en volgens [geïntimeerde 1] door [appellant] ondertekende versie van de oorspronkelijke overeenkomst van hem ([appellant]) afkomstig kunnen zijn, en wel omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, reeds omdat zulks – gelijk ook [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd (paragraaf 53 van de memorie van antwoord in het principaal appel) – niet uitsluit dat de inhoud van de onderhavige stukken tot stand kan zijn gekomen door of met behulp van derden die wél de taal machtig zijn, wat er verder ook zij van de beheersing door [appellant] van de Nederlandse taal. Waar het thans gaat om de echtheid van de ondertekening van een tweetal stukken, is het hof met de rechtbank en in overeenstemming met het bepaalde in art. 159 jo 150 Rv van oordeel dat [geïntimeerde 1] gelegenheid diende te hebben het op hem rustende bewijs van de echtheid van de ondertekening te leveren, zulks gezien de stellige ontkenning door [appellant] van de echtheid van de onderhavige ondertekeningen.

6. De grief mist derhalve doel. Voor zover grief IX in essentie dezelfde klacht bevat als grief I, is ook deze grief vergeefs voorgedragen. Daarop aansluitend merkt het hof nog op dat [appellant] met het uiten van de wens tot een (inhoudelijk) onderzoek naar taal, spelling, stijl e.d., zich ook in dat verband heeft beperkt tot het opperen van veronderstellingen, zonder daaraan genoegzaam een (begin van een) feitelijke en door een deskundige toetsbare onderbouwing te geven. Hetzelfde geldt met betrekking tot het door [appellant] voorgestelde inkt- en papieronderzoek, voor zover de afwijzing van zodanig onderzoek al valt binnen de door de grieven begrensde rechtsstrijd in hoger beroep. Nog daargelaten dat [appellant] met het thans bedoelde er blijk van geeft kennelijk tóch enigerlei bewijslevering op zijn plaats te achten, stuit het verlangen tot het doen uitvoeren van zodanig (nader) onderzoek door deskundigen reeds af op de omstandigheid dat het inwinnen van een deskundigenbericht niet tot doel kan hebben (een van) partijen te voorzien van inhoudelijk uitgewerkte argumenten die vervolgens aan de wederpartij kunnen worden tegengeworpen.

7. De rechtbank heeft in r.o. 5.3 van haar tussenvonnis d.d. 25 oktober 2012, in hoger beroep niet bestreden met enige grief, geoordeeld dat indien komt vast te staan dat [appellant] de brief d.d. 3 juli 2006 en de aangepaste versie van de huurovereenkomst heeft ondertekend, daarmee tevens komt vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de huurprijs jaarlijks met 5 % wordt verhoogd.
Waar de rechtbank in haar eindvonnis d.d. 29 augustus 2013, in het bijzonder in r.o. 3.6, op de in dat vonnis weergegeven gronden heeft geoordeeld dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat [appellant] de handtekeningen op de brief van 3 juli 2006 alsmede op de aangepaste huurovereenkomst heeft gezet, welk oordeel en de daaraan ten grondslag liggende onderbouwing door [appellant] met de grieven XI e.v. zijn bestreden, zal het hof thans eerst op deze grieven ingaan.

8. Met grief XI tracht [appellant] ingang te doen vinden – in essentie – dat de door de rechtbank benoemde deskundige (t.w. [… 1]), mede wegens het kostenaspect, in de definitieve versie van zijn rapportage onvoldoende rekening heeft gehouden met de standpunten van [appellant] zoals verwoord in de brief van zijn gemachtigde d.d. 7 juni 2013, houdende commentaar op het concept-rapport van de deskundige (als bijlage 2 gevoegd bij de deskundigenrapportage).

9. De deskundige is aan het slot van zijn rapportage (in de bladzijden 10 t/m 12) inhoudelijk ingegaan op de uitlatingen van partijen inzake de concept-rapportage. Onder opmerking dat hij, gelet op het begrote aantal uren, niet uitgebreid kan ingaan op alle details van deze reacties, heeft hij geconcludeerd dat de reacties van zowel de gemachtigde van [appellant] als van [geïntimeerde 1] op het concept- deskundigenrapport, voor hem geen aanleiding geven om zijn concept-rapportage en de daarin verwoorde conclusies te herzien.

10. Anders dan [appellant] met diens grief wil betogen, leest het hof, zoals het onderhavige gedeelte van de deskundigenrapportage redelijkerwijs moet worden begrepen, die rapportage niet aldus dat daarin ligt besloten dat de deskundige er daarmee blijk van heeft gegeven niet alle onderdelen van het commentaar van [appellant] bij de totstandkoming van de definitieve versie van de rapportage te hebben betrokken. Zonder nadere motivering, die [appellant] nalaat in de onderbouwing van de grief te geven, kan immers niet tot het oordeel worden gekomen dat de rapportage zodanig weinig gedetailleerd of zelfs lacuneus is dat daarmee de facto sprake is van het door de deskundige onbeoordeeld blijven van bepaalde argumenten van [appellant]. Van het door de rechtbank lichtvaardig terzijde schuiven van de “belangwekkende overwegingen” van [appellant], zoals hij het in algemene zin formuleert, is dan ook geen sprake, nog daargelaten de inhoudelijke onbepaaldheid van de in de onderwerpelijke grief verwoorde klacht, hetgeen reeds daarom aan het honoreren daarvan in de weg staat.

11. Grief XII bevat, zoals de grief redelijkerwijs moet worden begrepen, meerdere klachtonderdelen die het hof hieronder zal bespreken, voor zover de klachten blijkens de grief en de toelichting daarop begrijpelijk zijn en toereikend zijn gemotiveerd.
11.1. Zo klaagt [appellant] er met de grief in de eerste plaats over dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet wordt betwijfeld dat de handtekeningen in een vlot en vloeiend verlopende beweging zijn geschreven. Nu in de toelichting op de grief evenwel niet ligt besloten dat [appellant] gemotiveerd het standpunt inneemt dat de handtekeningen niet in een vlot en vloeiend verlopende beweging zijn geschreven, is de inhoud van dit klachtonderdeel onduidelijk, en mist de grief daarom in zoverre doel.
11.2. Voorts klaagt [appellant] in de grief over het door de rechtbank van de hand wijzen van zijn (Salehs) argument met betrekking tot de “gestelde innerlijke tegenstrijdigheid omtrent de constatering dat de kans op een geslaagde nabootsing wordt vergroot door de lage complexiteit van de handtekening”. Hieromtrent overweegt het hof dat het gaat om een stelling die in haar algemeenheid weliswaar juist kan zijn, doch die verder moet worden geplaatst en beoordeeld in de context van al hetgeen ter zake dienende is. Een lage complexiteit vermag derhalve zonder nadere onderbouwing die evenwel ontbreekt, niet reeds daarom te leiden tot de conclusie dat de onderwerpelijke handtekening onecht is. Ook dit onderdeel van de grief kan daarom niet tot vernietiging leiden.
11.3. Het hof begrijpt dat [appellant] in het derde onderdeel van de grief thans uitgaat van de situatie waarin het, anders dan hierboven omschreven in r.o. 11.1, wél gaat om vlot en vloeiend geplaatste handtekeningen. Voor zover het hof in de stellingen van [appellant] al een klacht kan ontwaren, heeft deze tot onderwerp dat uit de omstandigheid dat een handtekening qua vorm gemakkelijk is na te bootsen, ook moet volgen dat deze gemakkelijker in een vloeiende beweging kan worden nagebootst.
11.4. Dienaangaande overweegt het hof dat het, wat hiervan in het concrete geval inhoudelijk ook zij, daarbij eveneens gaat om een omstandigheid die enkel in de context van alle omstandigheden van het geval op haar juiste waarde kan worden beoordeeld. Uit zijn rapportage blijkt dat de door de rechtbank benoemde deskundige ook daadwerkelijk een en ander in zijn overwegingen heeft betrokken en aan zijn (eind)oordeel mede ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd, mede gebaseerd op hetgeen W. de Jong als de door [appellant] ingeschakelde partij-deskundige heeft aangevoerd in diens “plausibiliteitsonderzoek” (productie 22 bij de memorie van grieven) waar hij een “zelfstandig” tegenonderzoek niet mogelijk achtte, kan wegens zijn theoretisch karakter en feitelijke algemeenheid niet afdoen aan de concrete bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige. Ook dit griefonderdeel faalt.
11.5. Voor het overige heeft het hof in de grief geen – ook voor de wederpartij kenbare en toereikend gemotiveerde – klacht kunnen ontwaren, zodat in zoverre sprake is van een niet behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief. Grief XII mist derhalve doel.

12. Grief XIII betreft het door [appellant] gemaakte verwijt aan de rechtbank dat zij ten onrechte de bevindingen van de benoemde deskundige heeft overgenomen. Het hof overweegt hieromtrent dat, waar deze grief met name is gebaseerd op de stelling dat de uitleg door het NFI (waaraan de door de rechtbank benoemde deskundige is verbonden) van het Bayesiaanse model “in de wetenschappelijke community niet overal” wordt gedeeld, zodat de “bevindingen inzake de Likelihood Ratio in ernstige mate dienen te worden genuanceerd”, daarmee geen sprake is van een toereikend uitgewerkte en op het onderhavige geval toegespitste onderbouwing van de grief, zodat deze doel mist.

13. Met grief XIV bestrijdt [appellant] de overweging van de rechtbank dat de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] en zijn familie van Turkse afkomst zijn en in Turkije van links naar recht wordt geschreven, de waarschijnlijkheid verhoogt dat de handtekening niet door [geïntimeerde 1] c.s. is vervalst, maar een authentieke handtekening van [appellant] is.

14. Dienaangaande overweegt het hof dat [appellant] in de toelichting op de grief en ter onderbouwing van zijn opvatting dat sprake is van een vervalste handtekening, spreekt in termen van “niet is uitgesloten” en “mogelijkheid”, en verder dat het niet blijken dat de rechtbank de overwegingen van [appellant] bij haar oordeel heeft betrokken, de “begrijpelijkheid (…) niet ten goede komt”. Al met al gaat het thans om vaag omlijnde stellingen en veronderstellingen van [appellant] die zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, inhoudelijk niet in de weg staan aan het met de grief bestreden oordeel dat sprake is van een verhoogde waarschijnlijkheid dat het gaat om een authentieke handtekening van [appellant], zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld. Hetzelfde geldt waar [appellant] ter toelichting op de grief verwijst naar de bevinding van meergenoemde De Jong dat de ongebruikelijke schrijfrichting in de handtekening van [appellant] naar het oordeel van de door de rechtbank benoemde deskundige een belangrijke rol speelt, hetgeen De Jong in beginsel juist acht doch waaromtrent hij opmerkt dat daaraan geen “al te hoge waarde” mag worden toegekend. Om die redenen is sprake van een niet behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief.

15. Met grief XV komt [appellant] in de eerste plaats op tegen de overweging van de rechtbank dat – waar partijen in 2006 een juridisch geschil hadden waarbij [geïntimeerde 1] de huurovereenkomst met [appellant] wilde beëindigen – het “heel wel mogelijk” is dat [appellant] zijn positie zeker wilde stellen door een ander tussen partijen bestaand geschilpunt, namelijk de hoogte van de huur, te beslechten. Nu het hof zijn oordeel niet zal doen steunen op de thans aan de orde zijnde veronderstelling, kan de juistheid daarvan als niet-gedingbeslissend in het midden worden gelaten.

16. Daarnaast keert [appellant] zich met grief XV, zoals dit onderdeel van de grief kennelijk moet worden begrepen, tegen de overweging van de rechtbank die erop neerkomt dat (ook) de omstandigheid dat [appellant] in de zomer van 2006 extra betalingen wegens achterstallige huur heeft voldaan aan [geïntimeerde 1], bijdraagt aan het oordeel dat tussen partijen een jaarlijkse huurverhoging van 5 % was overeengekomen.

17. De rechtbank heeft dienaangaande – in hoger beroep niet met enige grief bestreden – in r.o. 5.3 van het tussenvonnis van 25 oktober 2012 (derde volzin van onder) geoordeeld dat de verklaring van [appellant] voor deze betalingen (te weten: het zich bedreigd voelen door [geïntimeerde 1] en diens broer) onaannemelijk moet worden geacht indien vast komt te staan dat [appellant] de brief van 3 juli 2006 heeft ondertekend. Laatstgenoemde vraag heeft de rechtbank bij eindvonnis bevestigend beantwoord, welk oordeel in hoger beroep met grief XVI wordt bestreden. Mede gelet op hetgeen hierboven in r.o. 7 reeds is overwogen, is het lot van grief XV aldus verbonden aan dat van grief XVI, zodat grief XV thans geen verdere beoordeling behoeft.

18. Terzijde merkt het hof nog op dat [appellant] zijn – door [geïntimeerde 1] betwiste – stellingen omtrent de bedreiging inhoudelijk nauwelijks heeft uitgewerkt. Zo zwijgt hij er bij voorbeeld in de toelichting op de grief (alsmede in de toelichting op grief IV) over wanneer bedoelde bedreigingen zijn aangevangen, wat het inhoudelijke karakter ervan was, en of ze als gevolg van de extra betalingen in 2006 al dan niet zijn opgehouden. Een toereikend gespecificeerd bewijsaanbod te dezer zake door [appellant] ontbreekt. In het licht hiervan faalt grief XV reeds wegens een niet toereikende onderbouwing.

19. In grief X heeft [appellant] naar voren gebracht dat ten onrechte de benoeming van een contra-expert achterwege is gebleven.
In prima heeft [appellant] bepleit dat, naast de door de rechtbank benoemde deskundige (meergenoemde [… 1]), tevens een tweede deskundige als contradeskundige dient te worden benoemd, en wel drs. [… 2], verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau. De rechtbank heeft hiertoe op proceseconomische overwegingen evenwel geen toereikende gronden aanwezig geacht, zodat het is gebleven bij de benoeming van één deskundige (t.w. [… 1]).

20. Het hof overweegt dat het uiteindelijk aan de rechter is om na overleg met partijen te beslissen of een deskundigenbericht zal worden ingewonnen en zo ja, hoeveel deskundigen zullen worden benoemd. Het enkele feit dat benoeming van een tweede deskundige niet noodzakelijk werd geacht, vermag daarom niet te leiden tot het oordeel dat reeds daarom de ingewonnen rapportage van mindere of van nul en gener waarde is. In het onderhavige geval waarin de rechtbank op proceseconomische overwegingen heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestond voor het benoemen van een tweede deskundige, en daarbij de mogelijkheid open heeft gehouden om zo nodig naderhand nog een tweede deskundige in te schakelen voor een contra-expertise, verenigt het hof zich met de zienswijze dienaangaande van de rechtbank, en maakt deze tot de zijne. Reeds daarom faalt de grief.

21. Het hof betrekt in zijn overwegingen omtrent het deskundigenbericht voorts nog dat [geïntimeerde 1] in antwoord op hetgeen [appellant] in het verband van grief X naar voren heeft gebracht, heeft aangevoerd dat meergenoemde [… 2] door hem ([geïntimeerde 1]) is ingeschakeld als partij-deskundige (zie paragraaf 119 e.v. van de memorie van antwoord in het principaal appel annex memorie van grieven in het incidenteel appel). In diens – tezamen met een derde opgestelde – verslag (productie 15 bij boven genoemde memorie) schaart [… 2] zich in essentie achter de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige ([… 1]), onder opmerking dat hij ([… 2]) uitkomt op een hogere gradatie van waarschijnlijkheid (te weten “veel waarschijnlijker”) dan de door de rechtbank benoemde deskundige.

22. [appellant] heeft blijkens zijn memorie van antwoord in het incidenteel beroep (paragrafen 13-15), mede onder verwijzing naar een reactie van meergenoemde De Jong d.d. 30 september 2014 (door [appellant] in hoger beroep overgelegd als productie 25), bestreden
– in essentie – dat de rapportage van [… 2] valide is en kan bijdragen aan een voor [geïntimeerde 1] positieve uitkomst van de procedure.

23. Mede waar hetgeen in de rapportages en brieven van De Jong en [… 2] ligt besloten, het door grief X ontsloten strijdpunt omtrent een contra-expertise te buiten gaat, kan een en ander bijdragen noch afbreuk doen aan de waarde van het door [… 1] als de door de rechtbank benoemde deskundige opgestelde deskundigenrapport, te meer nu noch De Jong noch [… 2] een onderzoek hebben verricht van gelijke orde als dat van [… 1].

24. Nu uit het voortgaande voortvloeit dat geen van de grieven voor zover die zijn gericht tegen het deskundigenonderzoek en de uitkomsten daarvan doel treffen, neemt ook het hof de bevindingen van de deskundige over en maakt deze tot de zijne.

25. De rechtbank heeft haar (eind)oordeel omtrent hetgeen [geïntimeerde 1] van [appellant] heeft gevorderd, niet alleen doen steunen op de uitkomsten van het deskundigenonderzoek, doch daaraan ook een aantal andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Op deze feitelijkheden hebben de grieven II t/m V betrekking, welke grieven het hof thans zal beoordelen.

26. Zo keert grief II zich tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 5.3 van het tussenvonnis d.d. 25 oktober 2012 dat de bewoordingen van de brief van 3 juli 2006 – “Tussen u als verhuurder en ondergetekende als huurder is mondeling overeengekomen dat de huurprijs jaarlijks per 1 juli met 5 % zou worden verhoogd” – duidelijk zijn en geen ruimte laten voor een andere uitleg.

27. Waar [appellant] in de toelichting op de grief evenwel geen argumenten aanvoert op grond waarvan gekomen zou moeten worden tot een andere uitleg van deze concrete en ondubbelzinnige bewoordingen dan een letterlijke, en nalaat gemotiveerd aan te geven hoe deze andere uitleg dan zou moeten luiden, mist de grief doel.

28. Het hof laat met betrekking tot grief III thans in het midden of het feit dat artikel 3 van de huurovereenkomst voorziet in een huurprijsverhoging, het met de vorige grief bestreden oordeel al dan niet bevestigt, nu het zijn oordeel daarop niet doet steunen.

29. Met grief IV komt [appellant] op tegen de overwegingen van de rechtbank zoals deze redelijkerwijs moeten worden begrepen, dat het oordeel dat partijen een jaarlijkse huurverhoging van 5 % zijn overeengekomen, bevestiging vindt in de omstandigheid dat tussen partijen in de zomer van 2006 een huurprijsverhoging van 5 % is doorgevoerd en dat [appellant] een huurachterstand van € 2.000,00 heeft betaald.

30. Uit de bespreking van grief XV volgt reeds dat het hof – thans verkort weergegeven – de pretense bedreiging van [appellant] door [geïntimeerde 1] als verklaring voor de betalingen aan [geïntimeerde 1] reeds van de hand heeft gewezen. Verder constateert het hof met [geïntimeerde 1] dat de aanvankelijke (in 2002) door [appellant] verschuldigde huurprijs ad € 1.135,00, inclusief de door [geïntimeerde 1] gestelde jaarlijkse verhogingen met 5 % uitkomt op (afgerond) € 1.380,00 per maand, waarvan vast staat dat dit de vanaf 1 juli 2006 aan [geïntimeerde 1] verschuldigde huursom is. Nu voorts vast staat dat [appellant] bij de bankoverschrijvingen van 14 augustus en 8 september 2006 heeft vermeld dat het de betaling van een huurachterstand betrof, is het hof van oordeel dat met het voorgaande sprake is van ondersteunend bewijs voor het bestaan van de contractuele verplichtingen van [appellant] zoals door [geïntimeerde 1] gesteld en aan diens vorderingen ten grondslag gelegd. Aan die verplichtingen doet niet af dat [geïntimeerde 1], zoals [appellant] nog ter sprake heeft gebracht, heeft nagelaten jaarlijks aan [appellant] een brief te zenden met betrekking tot de huurprijsverhoging of niet eerder met een vordering is gekomen, zoals ook de rechtbank – door [appellant] met grief V vergeefs bestreden – heeft overwogen.

31. Op grond van al het voren overwogene is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de inhoud van de brief d.d. 3 juli 2006 en de aangepaste huurovereenkomst aansluit bij het in de vorige rechtsoverweging bedoelde steunbewijs, tezamen met de uitkomst van het deskundigenonderzoek genoegzaam de conclusie kan dragen dat [appellant] zijn handtekening heeft gezet op de brief en de huurovereenkomst. Grief XVI waarin wordt blijk gegeven van een daaraan tegengesteld standpunt, mist derhalve doel.

32. De grieven VI en VII waarin [appellant] – in essentie weergegeven – het bestaan van de door [geïntimeerde 1] aan diens vordering ten grondslag gelegde huurachterstand tot het door de rechtbank vastgestelde bedrag bestrijdt, missen op grond van het voren overwogene doel. Gelet op de hoogte en de duur van de huurachterstand, is het hof van oordeel dat zulks de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Daarmee faalt ook grief VIII.

33. Hetgeen tot op heden is overwogen, leidt tot de volgende conclusie. De uitkomsten van het deskundigenonderzoek, tezamen met het hierboven genoemde steunbewijs, leveren een toereikende grond op voor toewijzing aan [geïntimeerde 1] van hetgeen hij van [appellant] heeft gevorderd. Voor zover in de grieven blijk wordt gegeven van een daarvan afwijkende opvatting, zijn zij vergeefs voorgedragen. Geen van de grieven in het principale appel kan mitsdien leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen.

Thans verder in het incidentele appel:

34. Met de grief in het incidentele appel brengt [geïntimeerde 1] naar voren dat de rechtbank zich ten onrechte heeft beperkt tot toewijzing van de huurachterstand tot en met de maand mei 2012. Ter toelichting op de grief heeft [geïntimeerde 1] gesteld dat [appellant] weliswaar inmiddels de gehele huurachterstand van juni 2012 tot en met 8 oktober 2013 aan hem heeft voldaan (zie paragraaf 172 van de memorie van grieven in het incidenteel appel), doch dat hij recht en belang heeft bij de declaratoire uitspraak omtrent de totale periode waarop de huurachterstand betrekking had. Wat in dat verband de inhoud is van het belang van [geïntimeerde 1], blijkt niet uit diens memorie in het incidenteel appel.

34. Blijkens paragraaf 20 van de memorie van antwoord in het incidenteel beroep stelt ook [appellant] zich op het standpunt dat hij de gehele vordering (tot en met 8 oktober 2013) aan [geïntimeerde 1] heeft voldaan.

34. Daarmee staat vast dat de onderhavige vordering van [geïntimeerde 1] inmiddels als gevolg van betaling teniet is gegaan. Nu niet duidelijk is of [geïntimeerde 1] enig belang heeft bij het verkrijgen van een verklaring van recht met betrekking tot een niet (meer) bestaande rechtsverhouding en zo ja, wat de inhoud van dat belang is, komt het in incidenteel appel gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking, en faalt de grief.

Opnieuw in zowel het principale als het incidentele appel:

37. Waar geen van de grieven in het principale appel doel treft, zullen de vonnissen waarvan beroep door het hof worden bekrachtigd. Als de in het principale appel in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het beroep (1 punt in tarief III à € 1.158,00), uitvoerbaar bij voorraad.

37. Wegens het ontbreken van belang is [geïntimeerde 1] als appellant in het incidentele appel daarin niet-ontvankelijk. Het hof zal op die grond het incidentele beroep verwerpen, zulks onder veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten (1/2 punt in tarief III), uitvoerbaar bij voorraad.

37. Waar de omvang van de akten d.d. 18 november 2014 en 16 december 2014 die van een eenvoudige akte in de zin van het landelijk procesreglement gerechtshoven civiel (ver) te buiten gaat, dient elk van deze akten voor rekening te blijven van de partij die de akte heeft genomen.

37. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet ter zake dienende, buiten bespreking blijven. In het licht van het voorgaande is geen plaats voor honorering van enig bewijsaanbod, voor zover zodanig aanbod al voldoet aan de daaraan te stellen eisen van specificatie.


Beslissing

Het hof:

In het principale appel:

bekrachtigt de vonnissen d.d. 25 oktober, 22 januari 2013 en 29 augustus 2013, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde 1] te begroten op € 683,00 aan verschotten en € 1.158,00 voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In het incidentele appel:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het incidenteel beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] te begroten op nihil aan verschotten en € 579,00 voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en G.J. Knijp en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.