Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2309

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
BK-14_00842 en BK-14_01367
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:7436, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is voor het jaar 2009 in geschil of sprake is van een ontvankelijk beroep en voor beide jaren of sprake is van schulden die rechtstreeks samenhangen met vermogensbestanddelen door belanghebbende beschikbaar gesteld aan zijn echtgenote teneinde door haar te worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2113
V-N Vandaag 2015/1864
V-N 2015/57.17.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/00842 en 14/01367

Uitspraak d.d. 19 augustus 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2014, nummers SGR 14/565 en SGR 14/567, betreffende na te vermelden aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

Aanslag voor het jaar 2009

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 91.698 en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.819. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van € 226 en € 128 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 10 december 2013 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2009 gedeeltelijk toegewezen en heeft hij de boetbeschikking vernietigd en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2009 beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Aanslag voor het jaar 2010

1.4.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.773 en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.957. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van € 226 en € 135 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.5.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 11 december 2013 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2010 gedeeltelijk toegewezen en heeft hij de boetebeschikking vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.329 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.245 en € 187 aan heffingsrente vergoed.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2010 beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van beide uitspraken in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier in iedere zaak een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de beide zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 mei 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Voor het jaar 2009

3.1.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank onder 1 tot en met 4 van haar uitspraak vermelde feiten:

“1. [Belanghebbende] is geboren in 1953 en is in 1978 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [Y] . [Belanghebbende]s echtgenote is fysiotherapeut en in het begin van de negentiger jaren heeft [belanghebbende] een bedrag van € 63.529,23 ter beschikking gesteld aan zijn echtgenote voor de aanschaf van het woon- en werkpand op het adres [A] te [Z] .

2. In 2009 heeft [belanghebbende] aan zijn echtgenote een bedrag van € 106.000 ter beschikking gesteld voor de verbouwing en de inrichting van haar nieuwe praktijkruimte op het adres [B] te [Z] .

3. Met dagtekening 7 december 2011 heeft [de Inspecteur] [belanghebbende] de onderhavige aanslag opgelegd. [Belanghebbende] heeft op 31 oktober 2011 een papieren aangiftebiljet aan [de Inspecteur] gezonden welk biljet door [de Inspecteur] op 7 november 2011 is ontvangen. Omdat de in deze aangifte vermelde gegevens op het moment waarop de aanslag is opgelegd nog niet in de systemen van [de Inspecteur] was ingevoerd, is de aanslag ambtshalve vastgesteld. Wegens het niet doen van aangifte heeft [de Inspecteur] bij het opleggen van de aanslag een verzuimboete opgelegd van € 226.

4. [ Belanghebbende] heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. [Belanghebbende] heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.512 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.320. Het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning bestaat uit € 91.698 belastbaar loon, een resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen (TBS-resultaat) van € 4.986 negatief, inkomsten uit eigen woning van € 13.970 negatief en een bedrag aan inkomsten in de vorm van periodieke uitkeringen van € 32.770. Het aangegeven TBS-resultaat bestaat uit een brutoresultaat van € 6.074 verminderd met kosten van € 11.060.”

Voor het jaar 2010

3.2.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank onder 1 tot en met 5 van haar uitspraak vermelde feiten:

“1. [Belanghebbende] is geboren in 1953 en is in 1978 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [Y] . [Belanghebbende]s echtgenote is fysiotherapeut en in het begin van de negentiger jaren heeft [belanghebbende] haar een bedrag van € 63.529 ter beschikking gesteld voor de aanschaf van het woon- en werkpand op het adres [A] te [Z] .

2. In 2009 heeft [belanghebbende] aan zijn echtgenote een bedrag van € 106.000 ter beschikking gesteld voor de verbouwing en de inrichting van haar nieuwe praktijkruimte op het adres [B] te [Z] .

3. Met dagtekening 20 juni 2012 heeft [de Inspecteur] [belanghebbende] de onderhavige aanslag opgelegd. Omdat [belanghebbende] geen aangifte had ingediend is de aanslag ambtshalve vastgesteld. Wegens het niet doen van aangifte heeft [de Inspecteur] bij het opleggen van de aanslag een verzuimboete opgelegd van € 226.

4. [ Belanghebbende] heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt en alsnog een aangifte ingediend. Daarbij heeft [belanghebbende] een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 76.188 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.466. In het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning is een resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen (TBS-resultaat) begrepen van € 2.007 negatief. Dit bedrag bestaat uit een brutoresultaat van € 6.781 verminderd met kosten van € 9.061 en de terbeschikkingstellingsvrijstelling (TBS-vrijstelling) van € 273.

5. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft [de Inspecteur] de boetebeschikking vernietigd en de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.329 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.245.”

3.3.

De Inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2010 een correctie aangebracht op het door belanghebbende in de bezwaarfase aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.141. Deze correctie is het gevolg van het in afwijking van de in de bezwaarfase toegezonden aangiftegegevens vastgestelde TBS-resultaat op € 5.134, bestaande uit een brutoresultaat van € 6.781, € 947 kosten en een TBS-vrijstelling van € 700.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is voor het jaar 2009 in geschil of sprake is van een ontvankelijk beroep en voor beide jaren of sprake is van schulden die rechtstreeks samenhangen met vermogensbestanddelen door belanghebbende beschikbaar gesteld aan zijn echtgenote teneinde door haar te worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt voor het jaar 2009 tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot het ontvankelijk verklaren van het beroep en verwijzing van de zaak naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling van het beroep en voor het jaar 2010, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vaststelling van de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.188 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.466. In het belastbaar inkomen uit werk en woning is volgens belanghebbende een resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen begrepen van € 2.007 negatief. Dit bedrag bestaat uit een brutoresultaat van € 6.781 verminderd met kosten van € 9.061 en de terbeschikkingstellingsvrijstelling van € 273.

5.2.

De Inspecteur heeft voor beide jaren geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.1.

Voor het jaar 2009 heeft de rechtbank in haar uitspraak het navolgende overwogen:

“7. [De Inspecteur] heeft een beroep gedaan op interne compensatie. Daarmee kan het beroep, omdat de belastbare inkomens die [belanghebbende] heeft aangegeven resulteren in een aanslag die hoger is dan die [de Inspecteur] heeft opgelegd, niet tot een voor [belanghebbende] gunstiger resultaat leiden. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk wegens gebrek aan processueel belang en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over de aftrek van rente van schulden behoeft geen behandeling meer.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

6.2.

Voor het jaar 2010 heeft de rechtbank in haar uitspraak het navolgende overwogen:

“7. Bij de kosten die [belanghebbende] in aftrek heeft gebracht gaat het om een deel van de rente over de negatieve saldi op zijn persoonlijke effectenrekening en rekening-courant bij [C] , de rente over de hypothecaire lening ter financiering van een vakantiewoning en de later aangekochte daaromheen liggende grond en de rente over de negatieve saldi op de gezamenlijke rekening-courant van [belanghebbende] en zijn echtgenote bij de [D] . [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat deze rentekosten drukken op het TBS-resultaat omdat, indien aan de echtgenote geen vermogen ter beschikking zou zijn gesteld, de negatieve saldi op de effectenrekening en de rekeningen-courant niet zouden zijn ontstaan en de hypothecaire lening ter financiering van de vakantiewoning zou zijn afgelost.

8. [ De Inspecteur] stelt dat [belanghebbende] de vereiste aangifte niet heeft gedaan zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering van de bewijslast). Verder stelt [de Inspecteur] - kort weergegeven - dat de hypotheekschuld die [belanghebbende] is aangegaan voor de vakantiewoning en de negatieve saldi op de effectenrekening en de rekeningen-courant bij [C] en de [D] geen verband houden met de terbeschikkingstelling van € 63.529. Aangaande de terbeschikkingstelling van € 106.000 stelt [de Inspecteur] dat daarvan ongeveer € 100.000 is betaald van de rekening bij [C] , doch dat het negatieve saldo op deze rekening in 2009 met slechts € 29.799 is toegenomen. Op basis daarvan en op basis van het feit dat [belanghebbende] op 1 januari 2010 en op 31 december 2010 een totale bankschuld had van respectievelijk € 154.955 en € 22.963 en begin januari 2010 € 2.825 rente heeft betaald, heeft [de Inspecteur] voor het jaar 2010 een bedrag van € 29.799 : {(€ 154.955 + € 22.963)/2} x € 2.826 = € 947 in aanmerking genomen als rente van schulden dat op het TBS‑resultaat in aftrek kan worden gebracht.

9. Op grond van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 wordt onder werkzaamheid, waarmee belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden wordt gegenereerd, mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - door deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, voor zover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van schulden die rechtstreeks samenhangen met ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen in de zin van de onder 9. aangehaalde wettelijke bepaling als de schulden zijn aangegaan ter verwerving of ter financiering van die vermogensbestanddelen en de daarbij beschikbaar komende middelen direct voor dat doel worden aangewend of rechtstreeks ter beschikking worden gesteld aan de met de belastingplichtige verbonden persoon ter aanwending daarvan in diens onderneming of voor diens werkzaamheden.

11. Naar [de Inspecteur] heeft aangevoerd en zoals uit de gedingstukken ook naar voren komt, was het onder 1. vermelde bedrag van € 63.529 afkomstig uit de erfenis van [belanghebbende]s vader. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat [belanghebbende] voor het ter beschikking stellen van dit bedrag schulden heeft moeten aangaan. [Belanghebbende] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De hypothecaire lening die is aangegaan ter financiering van de vakantiewoning en de daaromheen liggende grond hangt niet rechtstreeks samen met het aan de echtgenote ter beschikking gestelde bedrag. Dat, zoals [belanghebbende] heeft aangevoerd, die lening vanwege de terbeschikkingstelling niet is afgelost, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] ter zake van deze terbeschikkingstelling daarom terecht geen rente in aftrek toegelaten. In zoverre is het gelijk dus aan [de Inspecteur].

12. Aangaande het ter beschikking gestelde bedrag van € 106.000 heeft [de Inspecteur] aangevoerd dat dit bedrag nagenoeg geheel bestaat uit betalingen uit het krediet in rekening- courant bij [C] , terwijl de desbetreffende schuld in 2009 met slechts € 29.798 is toegenomen. Voor het jaar 2009 heeft [de Inspecteur] daarom aangenomen dat [belanghebbende] voor niet meer dan laatstgenoemd bedrag schulden is aangegaan ten behoeve van de onderneming van zijn echtgenote. Op basis daarvan en op basis van het feit dat [belanghebbende]s bankschulden in 2010 zijn gedaald van € 154.995 tot € 22.963 en [belanghebbende] in januari 2010 aan [C] € 2.826 rente heeft betaald, is [de Inspecteur] gekomen tot zijn onder 8. weergegeven berekening van de in aftrek toe te laten rente van schulden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende], met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd en overgelegd, een hoger in aanmerking te nemen bedrag niet aannemelijk gemaakt. [Belanghebbende] heeft een overzicht overgelegd van “saldi, renten en kosten van bankrekeningen en leningen”. Volgens dit overzicht had [belanghebbende] op 31 december 2010 een schuld in rekening-courant aan [C] van € 6.767 en op een andere bankrekening van [C] een tegoed van € 156. Zo al moet worden aangenomen dat [belanghebbende] schulden is aangegaan die rechtstreeks samenhangen met de terbeschikkingstelling van het bedrag van € 106.000, dan acht de rechtbank aannemelijk dat die schulden ultimo 2010 nog slechts van geringe omvang waren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de waarde van [belanghebbende]s effectenportefeuille bij [C] , volgens een ander door [belanghebbende] overgelegd overzicht, is gedaald van € 230.471 in 2009 tot € 12.418 in 2010. Op grond van hetgeen op dat overzicht is vermeld acht de rechtbank aannemelijk dat de terbeschikkingstelling van € 106.000 voor het grootste deel niet is gefinancierd met daartoe aangegane schulden maar met de opbrengst van verkochte effecten. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat [belanghebbende], met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd en overgelegd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat een hoger bedrag aan rentekosten in aftrek kan worden toegelaten. Ook in zoverre is het gelijk dus aan [de Inspecteur]. Daarmee behoeft hetgeen partijen in dit kader over en weer hebben aangevoerd over omkering van de bewijslast geen behandeling meer.

13. [ Belanghebbende] heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel omdat de aftrek van rente voor de jaren 2008 en de daaraan voorafgaande jaren wel zou zijn geaccepteerd. Aangaande de terbeschikkingstelling van € 106.000 faalt dit beroep reeds omdat deze terbeschikkingstelling in 2009 plaatsvond en de daarop betrekking hebbende aftrek van rente ook voor dat jaar in geschil is. Aangaande de terbeschikkingstelling van € 63.529 komt uit de gedingstukken naar voren dat voor de jaren 2001 en voor de jaren 2005 tot en met 2008 geen rentekosten in aftrek zijn toegelaten en de aangiften voor de jaren 2002 tot en met 2004 door [de Inspecteur] zonder nader onderzoek zijn gevolgd. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is echter meer nodig dan het zonder onderzoek volgen van de aangifte. Dat [de Inspecteur] handelingen heeft verricht of uitlatingen heeft gedaan waaraan [belanghebbende] een in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat [de Inspecteur] voor het onderhavige jaar een ander standpunt zou innemen, is gesteld noch gebleken. Aangaande de terbeschikkingstelling van € 63.529 faalt deze beroepsgrond daarom ook.

14. Op grond van vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

Aanslag voor het jaar 2009

7.1.

In beroep en hoger beroep stelt belanghebbende dat het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 105.512 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 12.320 dient te worden vastgesteld. Aangezien de in geschil zijnde aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 91.698 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.819 kan het hoger beroep van belanghebbende, gelijk aan het beroep bij de rechtbank, voor het jaar 2009 niet tot vaststelling van een lager bedrag aan verschuldigde belasting leiden dan bij uitspraak op bezwaar is gehandhaafd. Belanghebbende had aldus geen fiscaal belang bij het ingestelde beroep, reden waarom de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De daartegen gerichte klacht van belanghebbende faalt zodat het hoger beroep ongegrond is.

7.2.

De stelling van belanghebbende dat het beroep bij de rechtbank onlosmakelijk verbonden is met de navorderingsaanslag voor het jaar 2009, welke aanslag hij, naar het Hof van belanghebbende begrijpt, pas op 21 januari 2014 heeft mogen ontvangen, doet aan het onder 7.1 overwogene niet af. De onderhavige, ambtshalve opgelegde aanslag en de navorderingsaanslag zijn afzonderlijke besluiten van de Inspecteur waartegen desgewenst afzonderlijk bezwaar moet worden ingesteld. Aangezien de klachten van belanghebbende met betrekking tot het belastbare inkomen over het jaar 2009, naar het Hof begrijpt, in wezen betrekking hebben op de navorderingsaanslag, had belanghebbende daartegen bezwaar en beroep in moeten stellen. Door dit na te laten heeft belanghebbende afgezien van een beoordeling in rechte van de juistheid van de navorderingsaanslag. Voor zover al met belanghebbende

gesproken kan worden van een onterechte blokkade op zijn rechtsgang, is dit een direct gevolg van zijn handelwijze.

Aanslag voor het jaar 2010

7.3.

In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of door belanghebbende schulden zijn aangegaan in de zin van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001, die rechtstreeks samenhangen met de aan zijn echtgenote verstrekte leningen groot € 63.529 en € 106.000. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat sprake is van schulden die rechtstreeks samenhangen met ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen in voormelde zin als de schulden zijn aangegaan ter verwerving of ter financiering van die vermogensbestanddelen en de daarbij beschikbaar komende middelen direct voor dat doel worden aangewend of rechtstreeks ter beschikking worden gesteld aan de met de belastingplichtige verbonden persoon ter aanwending daarvan in diens onderneming of voor diens werkzaamheden. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, rust op belanghebbende de bewijslast ter zake. Belanghebbende is, afgezien van de schuld die de Inspecteur reeds als rechtstreeks samenhangende schuld heeft geaccepteerd, niet in het verlangde bewijs geslaagd op de gronden die de rechtbank onder 11 en 12 van haar uitspraak heeft vermeld en die het Hof tot de zijne maakt.

7.4.

Belanghebbendes klacht over schending van het vertrouwensbeginsel vanwege het feit dat aftrek van rente als bestanddeel van het TBS-resultaat voor het jaar 2008 en de daaraan voorafgaande jaren wel zou zijn geaccepteerd, faalt op de gronden die de rechtbank onder 13 van haar uitspraak heeft vermeld, welke gronden het Hof tot de zijne maakt.

7.5.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank ongegrond en dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 19 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.