Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2303

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
200.108.972/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing en vernietiging van algemene voorwaarden van opleiding tot schoonheidsspecialiste. Afwijzing vordering tot (verdere) betaling cursusgeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.108.972/01

Zaaknummer rechtbank : 873986 \ RL EXPL 09-18292

arrest van 1 september 2015

inzake

[appellante],

wonende te Den Haag,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.M. van der Zwan te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. drs. W.I. Wisman te Den Haag.

Het vervolg van het geding

Bij tussenarrest van 10 februari 2015 heeft het hof [appellante] toegelaten tegenbewijs te leveren en is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 15 juni 2015. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1. In deze zaak vordert [geïntimeerde] betaling van cursusgeld voor een opleiding tot schoonheidsspecialiste waarvoor [appellante] zich in 2003 zou hebben ingeschreven, welke inschrijving volgens [appellante] niet heeft plaatsgevonden dan wel kort nadien is ongedaan gemaakt. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. In het tussenarrest heeft het hof voorshands bewezen geacht dat tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen en overwogen dat als de totstandkoming vaststaat, het hof de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] ambtshalve dient te toetsen op grond van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

2. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [appellante] meegedeeld af te zien van het leveren van tegenbewijs. Dat heeft tot gevolg dat tussen partijen vaststaat dat [appellante] en [geïntimeerde] een overeenkomst hebben gesloten die inhoudt dat [appellante] de tweejarige avondcursus schoonheidsspecialiste zal volgen. Het hof zal derhalve ambtshalve hebben te toetsen of de artikelen 3 en 4 van de door [geïntimeerde] gehanteerde algemene voorwaarden (hierna: AV) moeten worden beschouwd als onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW. De artikelen 3 en 4 AV houden – voor zover hier van belang – in:

“3. De overeenkomst eindigt (…) met betrekking tot de betalingsverplichtingen van de cursist op het moment waarop de cursist aan alle financiële verplichtingen jegens de school heeft voldaan, en kan noch door de school noch door de cursist worden opgezegd.

4. De onderwijsbijdragen zijn (…) ten volle verschuldigd, ook bij het voortijdig verlaten van de cursus en in een in de laatste volzin van dit artikel bedoelde situatie, in welke gevallen nog niet verschenen termijnen zonder nadere sommatie of ingebrekestelling meteen ineens opeisbaar zijn. De school moet immers volstrekt zelfstandig de volledige opleidingsstructuur in stand houden ten behoeve van haar cursisten. De continuïteit van het ongesubsidieerde onderwijs, waartoe de school zich jegens de cursisten heeft verbonden, kan in gevaar komen indien de overeengekomen onderwijsbijdragen niet volledig zouden worden voldaan, welk risico niet verzekerbaar is en waarvan het nadeel niet elders kan worden verhaald. Afdekking van de negatieve gevolgen van onvolledige voldoening van de onderwijsbijdragen door middel van dienovereenkomstige verhoging van de onderwijsbijdragen maakt het onderwijs nodeloos kostbaar en is onbillijk jegens degenen die de overeengekomen onderwijsbijdragen wel volledig voldoen. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien de (ex)cursist (…) op enig moment met betaling in verzuim is gedurende meer dan acht aaneengesloten weken (…).”

3. Ter comparitie zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door het hof in het tussenarrest van 10 februari 2015 aangekondigde ambtshalve toetsing van de artikelen 3 en 4 AV. Bij die gelegenheid heeft [appellante] te kennen gegeven dat zij vernietiging van deze artikelen verwelkomt. [geïntimeerde] heeft benadrukt dat de artikelen geenszins oneerlijk dan wel onredelijk bezwarend zijn.

4. Met betrekking tot ambtshalve toetsing van bedingen in consumentenovereenkomsten stelt het hof – op het voetspoor van Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691 en Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866 – het volgende voorop. Gelet op rechtspraak van het Hof van Justitie EU is de rechter ambtshalve gehouden na te gaan of een contractueel beding valt binnen de werkingssfeer van Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) en zo ja, te onderzoeken of dit beding in de door de richtlijn bedoelde zin oneerlijk is. De richtlijn is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde, maar een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek ambtshalve te verrichten indien de richtlijn die verplichting meebrengt. Dit geldt voor de Nederlandse rechter ook in hoger beroep, tenzij de rechter daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen zou treden omdat tegen de toe- of afwijzing van de desbetreffende vordering in hoger beroep niet is opgekomen. Als de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn, is hij gehouden het beding te vernietigen. Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de rechterlijke taak, lijdt uitzondering indien de consument zich ertegen verzet dat de rechter een contractueel beding dat hij oneerlijk oordeelt, buiten toepassing laat.

5. De artikelen 3 en 4 van de toepasselijke algemene voorwaarden vallen binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Immers, de richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument (artikel 1 lid 1 van de richtlijn), terwijl [appellante] een consument in de zin van artikel 2, onder b, is en geïntimeerde een verkoper in de zin van artikel 2, onder c, van de richtlijn. Derhalve is het hof gehouden tot ambtshalve toetsing van de artikelen 3 en 4 AV, nu het antwoord op de vraag of [appellante] aan deze bepalingen is gebonden, van belang kan zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering waarover het hof in hoger beroep heeft te beslissen en [appellante] zich niet heeft verzet tegen ambtshalve toetsing en vernietiging, maar juist een beroep heeft gedaan op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.

6. Doordat artikel 3 AV de mogelijkheid van tussentijdse opzegging uitsluit en artikel 4 AV aan het voortijdig verlaten van de cursus het gevolg verbindt dat de nog niet verschenen onderwijsbijdragen ineens opeisbaar zijn, zit [appellante] door deze bepalingen juridisch en feitelijk voor de volle cursusduur van twee jaar vast aan de financiële verplichtingen uit de overeenkomst. Naar het oordeel van het hof zijn de bedingen daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn, omdat zij in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van [appellante] aanzienlijk verstoren. Het hof wijst in dit verband op het volgende.

7. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen werden bedingen in overeenkomsten tot het geregeld doen van verrichtingen die een duur bepalen van meer dan een jaar, vermoed onredelijk bezwarend te zijn, tenzij de consument de bevoegdheid heeft de overeenkomst telkens na een jaar op te zeggen (artikel 6:236, aanhef en onder j, BW en artikel 7:237, aanhef en onder k, BW). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen volgt dat ook cursus- en lesgeldovereenkomsten tot de hier bedoelde overeenkomsten gerekend moeten worden (Parl. Gesch. BW Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1706). De overeenkomst tussen partijen is door [geïntimeerde] – terecht – gekwalificeerd als een cursusovereenkomst (memorie van antwoord, nr. 2.9). De artikelen 3 en 4 AV worden derhalve vermoed onredelijk bezwarend te zijn.

8. De vraag is vervolgens of omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken op grond waarvan dit vermoeden moet wijken. [geïntimeerde] heeft ter comparitie onder verwijzing naar de tweede, derde en vierde volzin van artikel 4 AV aangevoerd dat de artikelen 3 en 4 AV niet onredelijk bezwarend zijn, omdat bij aanvang van de cursus de meeste kosten voor [geïntimeerde] vastliggen en in geval van tussentijds staken van de opleiding door een cursist slechts in zeer geringe mate besparingen worden bereikt, in de orde van grootte van 500 à 600 euro. Zij heeft deze stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden, die erop neerkomen dat de onderwijsbijdragen noodzakelijk zijn ter dekking van de met het verzorgen van het onderwijs gemoeide kosten en dat deze kosten volledig door de cursisten moeten worden opgebracht, onvoldoende zijn. Uit het aanmeldingsformulier van [appellante] blijkt immers dat zij bij inschrijving voor de cursus ook de mogelijkheid had om, tegen hogere kosten, overeen te komen dat zij na twaalf maanden tussentijds kon opzeggen. In dit verband is voorts van belang dat [geïntimeerde] ingevolge artikel 7, tweede volzin, AV de mogelijkheid heeft om een cursus in een bepaald jaar geen (verdere) doorgang te laten vinden ‘om bij de school gelegen redenen’, waaronder naar het hof aanneemt ook het geval dat door tussentijdse opzegging te weinig cursisten zouden overblijven. Mede gelet op deze mogelijkheden valt aan te nemen dat de mogelijkheid van tussentijdse opzegging na één jaar voor [geïntimeerde] geen onoverkomelijke bezwaren behoefde op te leveren.

9. Het hof stelt derhalve vast dat de artikelen 3 en 4 AV in de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde] onredelijk bezwarend moeten worden geacht en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn. Het hof is daarom gehouden deze artikelen te vernietigen, hetgeen meebrengt dat [geïntimeerde] daarop in dit geding geen beroep kan doen.

10. De vernietiging van de artikelen 3 en 4 AV brengt mee dat [appellante] de overeenkomst tussentijds kon opzeggen. Weliswaar volgt dit niet met zoveel woorden uit enige bepaling in de overeenkomst of de algemene voorwaarden, maar gelet op de strekking van artikel 6:236, aanhef en onder j, BW en artikel 7:237, aanhef en onder k, BW moet worden aangenomen dat deze mogelijkheid bestond. Daarop wijst ook de omstandigheid dat een overeenkomst van opdracht te allen tijde kan worden opgezegd door de opdrachtgever, een regel waarvan niet kan worden afgeweken indien de opdrachtgever een consument is (artikel 7:408 lid 1 en artikel 7:413 lid 2 BW). Het hof kan in het midden laten of de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Ook als dit niet het geval zou zijn, vertoont de overeenkomst, waarbij [geïntimeerde] als hoofdverplichting op zich neemt geregeld lessen te verzorgen, die [appellante] mag bijwonen, in elk geval zodanig nauwe verwantschap met de overeenkomst van opdracht dat de genoemde artikelen overeenkomstige toepassing behoren te vinden.

11. In hetgeen [appellante] in deze procedure heeft aangevoerd over haar brief van 20 november 2003 aan [geïntimeerde] (productie 8 bij de dagvaarding in eerste aanleg), waarin zij onder meer meedeelde: “Ik wil me hierbij dan ook afmelden voor deze cursus”, ligt besloten dat deze brief volgens haar mede, voor zover nodig, ertoe strekte de overeenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang op te zeggen. Dat [geïntimeerde] de brief ook als een opzegging heeft opgevat, blijkt uit de brief die [geïntimeerde] in antwoord daarop aan [appellante] heeft gezonden (productie 9 bij de dagvaarding in eerste aanleg). Het hof zal daarom ervan uitgaan dat de overeenkomst als gevolg van de ontvangst door [geïntimeerde] van de brief van 20 november 2003 is geëindigd op of omstreeks 21 november 2003.

12. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ook bij vernietiging van de artikelen 3 en 4 AV aanspraak heeft op het geheel, althans een groot deel, van de door [appellante] onbetaald gelaten termijnen. Volgens [geïntimeerde] liggen immers bij aanvang van de cursus de meeste kosten voor haar vast en worden in geval van een tussentijds staken van de opleiding voor haar slechts in zeer geringe mate besparingen bereikt, in de orde van grootte van 500 à 600 euro. [appellante] heeft dit een en ander bij gebrek aan wetenschap betwist.

13. Tussen partijen staat vast dat [appellante] van de overeengekomen onderwijsbijdragen drie termijnen ten bedrage van in totaal € 660,= heeft voldaan. Dit betekent dat tot de opzeggingsdatum geen betalingsachterstand bestaat. Het hof is van oordeel dat de vordering tot (verdere) betaling van onderwijsbijdragen niet voor toewijzing in aanmerking komt in verband met het navolgende.

14. In de eerste plaats heeft het hof, in het kader van de ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden, in beginsel niet de vrijheid om na vernietiging van de artikelen 3 en 4 AV de vordering van [geïntimeerde] alsnog geheel of ten dele toe te wijzen op andere dan de door [geïntimeerde] daaraan ten grondslag gelegde juridische of feitelijke gronden, zoals toepassing of overeenkomstige toepassing van de wettelijke regels met betrekking tot loon bij tussentijdse opzegging van een overeenkomst van opdracht (artikel 7:411 lid 2 BW). Indien het hof dat wel zou doen, zou het immers in feite de rechtsverhouding tussen partijen bij vernietiging van de genoemde artikelen omdat zij onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 BW dan wel oneerlijk in de zin van de richtlijn zijn, converteren in een wel aanvaardbare rechtsverhouding, dan wel een leemte in de rechtsverhouding aanvullen met aanvullend recht dat door [geïntimeerde] niet aan haar vordering is ten grondslag gelegd.

15. Aan de mogelijkheid van conversie staat in de weg dat het Hof van Justitie EU in zijn arrest van 14 juni 2012, ECLI:EU:C:2012:349 (Banesto) in rov. 69 heeft geoordeeld dat conversie “ertoe [zou] bijdragen dat de voor handelaars afschrikkende werking die uitgaat van een loutere niet-toepassing van dergelijke oneerlijke bedingen ten aanzien van de consument wordt uitgeschakeld (…), aangezien deze handelaars in de verleiding zouden blijven om die bedingen te gebruiken in de wetenschap dat ook al mochten deze ongeldig worden verklaard, de overeenkomst niettemin voor zover noodzakelijk door de nationale rechter zou kunnen worden aangevuld en het belang van die handelaars dus gediend zou zijn”.

16. Aanvulling van een leemte met een bepaling van aanvullend nationaal recht is naar het oordeel van het Hof van Justitie EU in zijn arrest van 30 april 2014, ECLI:EU:C:2014:282 (Kasler), rov. 85, slechts toegestaan in het zich in de onderhavige procedure niet voordoende geval dat die overeenkomst zonder die aanvulling algeheel nietig zou moeten worden geacht, waardoor de consument in zijn belang zou worden geschaad.

17. Nu conversie van de regeling van artikel 4 AV op grond van de in rov. 15 genoemde rechtspraak niet is toegestaan en bij vernietiging van de artikelen 3 en 4 AV tussen partijen een rechtsverhouding overblijft die zonder aanvulling met enig wettelijk voorschrift kan voortbestaan, zodat aanvulling van een leemte met een wettelijke regel van aanvullend recht (zoals artikel 7:411 lid 2 BW in de verhouding tot [geïntimeerde]) niet aan de orde is, dient de vordering van [geïntimeerde] te worden afgewezen.

18. Daarbij komt dat [geïntimeerde], hoewel dat na kennisneming van het tussenarrest op haar weg lag, heeft nagelaten om de omvang van de gemaakte/vastliggende kosten toe te lichten en met stukken te onderbouwen. Nu [geïntimeerde] haar vordering aldus onvoldoende heeft onderbouwd, dient deze ook hierom te worden afgewezen.

19. Bij deze stand van zaken heeft [appellante] geen belang meer bij haar grieven en behoeven zij derhalve geen verdere bespreking.

Slotsom

20. De slotsom is dat het bestreden eindvonnis van 22 februari 2012 niet in stand kan blijven en de vordering tot betaling van € 5.000,= wegens verschuldigde onderwijsbijdragen dient te worden afgewezen. Bij deze stand van zaken past dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de in eerste aanleg en in hoger beroep door [appellante] gemaakte proceskosten, zoals hierna vermeld. De in eerste aanleg voor rekening van [geïntimeerde] gekomen kosten van het deskundigenonderzoek zijn naar het oordeel van het hof evenwel nodeloos veroorzaakt door [appellante] en dienen daarom voor haar rekening te komen. Het hof zal daarom [appellante] veroordelen om aan [geïntimeerde] de kosten van het deskundigenonderzoek te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen nadat het vonnis van 22 februari 2012 aan [appellante] is betekend dan wel, als dat nog niet is geschied, vanaf veertien dagen nadat dit arrest aan [appellante] zal worden betekend.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage, van 22 februari 2012;

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    wijst de vordering af;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 22 februari 2012 begroot op € 900,= aan salaris gemachtigde, en in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 367,17 aan verschotten en € 1.264,= aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] de voor rekening van [geïntimeerde] gekomen deskundigenkosten van € 1.200,= te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen nadat het vonnis van 22 februari 2012 aan [appellante] is betekend dan wel, als dat nog niet is geschied, vanaf veertien dagen nadat dit arrest aan [appellante] zal worden betekend;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, H.M. Wattendorff en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.