Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2290

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
22-002322-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:470, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Verwerping alternatief scenario.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002322-13

Parketnummer: 09-711298-12

Datum uitspraak: 24 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 12 mei 2014 en 10 augustus 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, en is de gevangenneming bevolen. Voorts is er beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 augustus 2012 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten op/in de richting van het (boven) lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke voren omschreven poging doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging en/of gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (rond 23.45 uur,) in een woning (aan de [straatnaam],) en/of op een besloten erf waarop een woning staat, van twee, althans een smartphone(s) en/of een laptop en/of een geldbedrag (van ongeveer 1.500) (als bedoeld in artikel 312 lid] en lid 2 sub 1 en/of sub 2),

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat strafbare feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat strafbare feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2012 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, en/of gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (te weten rond 23.45 uur) in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning staat met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee smartphones (te weten een Iphone en een Samsung Galaxy) en/of een laptop en/of een geldbedrag (van ongeveer 1.500 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- neerschieten van de hond van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- tegen/op de grond duwen en/of het met kracht pakken bij de keel van die [slachtoffer 2] en/of

- het (meermalen) met een vuurwapen schieten op/in de richting van de borst en/of de oksel, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het richten van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1];

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2012 tot en met 29 augustus 2012 te Zoetermeer en/ofte Amsterdam-Zuidoost, gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland, te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans een smartphone(s) (te weten

een Iphone en een Samsung Galaxy) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die smartphone(s) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuigend naar voren gekomen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het hem onder het primair ten laste gelegde van het leven beroven van [slachtoffer 1], zodat de verdachte van het onder dit primair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 28 augustus 2012 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen in een woning met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee smartphones te weten een IPhone en een Samsung Galaxy en een laptop en een geldbedrag van ongeveer 1.500 euro toebehorende aan [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

- neerschieten van de hond van die [slachtoffer 1] en

- tegen de grond duwen en het met kracht pakken bij de keel van die [slachtoffer 2] en

- het meermalen met een vuurwapen schieten in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] en

- het richten van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren en voorwaardelijk verzoek verdediging

Het aangevoerde alternatieve scenario

De verdachte ontkent hetgeen hem in deze wordt verweten en heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij ten tijde van de overval die avond van 28 augustus 2012 thuis was met zijn vriendin [vriendin verdachte]. Dat zijn mobiele telefoon rond het tijdstip van de overval in de directe omgeving waar die overval plaatsvond zendmasten aanstraalt, komt naar zijn zeggen omdat hij die telefoon in de Volkswagen Golf, waar hij [medeverdachte] in rijdt, heeft laten liggen. Hij is het geweest die op die avond heeft gebeld met de mobiele telefoon van zijn vriendin [vriendin verdachte] en om 23.11 uur en 23.42 uur sms’jes heeft gestuurd naar zijn eigen telefoon.

Ten aanzien van dit betoog overweegt het hof als volgt.

De twee hiervoor genoemde sms’jes verzonden via de telefoon van [vriendin verdachte], de vriendin van verdachte, hebben respectievelijk als inhoud: “Waar ben je?” en “Ik ga slapen, als je komt klop maar aan”.

Het versturen van de boodschap “Waar ben je?” naar je eigen telefoon die je hebt laten liggen in de auto komt het hof niet logisch voor. Immers, in het algemeen ligt het meer voor de hand die telefoon te bellen in de hoop dat een persoon het overgaan van die telefoon hoort en dan opneemt. Als je weet waar je de telefoon hebt laten liggen en het een auto betreft waar [medeverdachte] in gereden wordt, ligt het eerder voor de hand naar die telefoon van [medeverdachte] een sms’je te sturen.

Ook het versturen van de boodschap “Ik ga slapen, als je komt klop maar aan” is ook niet bepaald een voor de hand liggende boodschap naar je eigen telefoon die je in een auto hebt laten liggen. Daarbij komt dat als deze boodschap bestemd is voor een andere persoon het ook hier meer voor de hand ligt om naar de telefoon van die betreffende persoon een boodschap te sturen.

[vriendin verdachte] heeft bij de politie aangegeven dat het mogelijk is dat zij die avond [betrokkene 1] heeft gebeld om te vragen of hij wist waar [verdachte] was en dat zij de eerdergenoemde smsjes heeft verstuurd.

In dit verband is nog van belang dat [vriendin verdachte] bij de raadsheer-commissaris ook als getuige in de zaak [medeverdachte], onder meer verklaart dat [verdachte] toentertijd geen sleutel had van de woning en zij altijd voor hem open moest doen.

Deze verklaringen passen ook bij de door haar aan [verdachte] verstuurde smsjes “Waar ben jij?” en “Ik ga slapen, als je komt klop maar aan” dan dat het [verdachte] zou zijn geweest die dergelijke berichten vanuit de woning te Amsterdam, waar hij met [vriendin verdachte] was, via de telefoon van [vriendin verdachte] naar zijn eigen telefoon zou hebben verstuurd.

Daarbij is voorts nog van belang dat [betrokkene 1] in dit verband heeft verklaard dat hij op de bewuste avond door [vriendin verdachte] is gebeld met de vraag of hij wist waar [verdachte] was en dat hij in verband daarmee [medeverdachte] daarover heeft gebeld. Hoewel [betrokkene 1] zijn verklaring later bijstelt, handhaaft hij daarbij in ieder geval zijn verklaring dat het [vriendin verdachte] is geweest die hem die bewuste avond gebeld heeft met de vraag of hij weet waar [verdachte] is en dat hij in verband daarmee [medeverdachte] heeft gebeld.

[betrokkene 1] is dus consistent in zijn verklaring dat [vriendin verdachte] het is geweest die hem op die bewuste avond van 28 augustus 2012 heeft gebeld met de vraag of hij wist waar [verdachte] was en in verband daarmee [medeverdachte] heeft gebeld.

Daarbij weegt het hof mee dat [verdachte] zijn alternatieve scenario/alibi nog al eens bijstelt. Als de politie hem voorhoudt dat het niet logisch is een sms’je naar je eigen telefoon te sturen, verklaart hij op dat moment pas dat hij daarvoor heeft gebeld. Die verklaring wordt niet ondersteund door de historische telefoonverkeergegevens. Daarmee geconfronteerd geeft [verdachte] in dit verband aan dat hij met de huistelefoon van [vriendin verdachte] heeft gebeld, terwijl er uit de historische telefoonverkeergegevens blijkt dat er met dit nummer in die periode niet is gebeld.

Bij de raadsheer-commissaris geeft [medeverdachte] als getuige op 15 december 2014 aan dat hij die dag met zijn neef [bijnaam neef] was, in de vroege avonduren door hem is opgehaald en samen naar Amsterdam Noord is gegaan waar zij wiet hebben geknipt.

Bij de beoordeling/weging van het alternatieve scenario/alibi van verdachte [medeverdachte] en zijn daarover afgelegde verklaringen is voor het hof mede van belang dat verdachte dit scenario in een vrij laat stadium voor het eerst naar voren brengt, terwijl hij daarvoor zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen als hij met de resultaten van het onderzoek wordt geconfronteerd. Voorts bleek de neef [bijnaam neef] inmiddels overleden.

Voorts is van belang dat in opdracht van de advocaat-generaal de verbalisant [verbalisant] onderzoek heeft gedaan naar de telefoons van deze [bijnaam neef]. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat twee van de drie telefoons van die neef actief waren op 28 en 29 augustus 2012. Het nummer eindigend op 6360 was op 28 augustus 2012 rond 14.00 uur in Zaandam. Daarna blijken er geen contacten op dit nummer te zijn. De telefoon met het nummer eindigend op 6190 was op 28 augustus 2012 om 13.07 uur en 17.47 uur in Zaandam, daarna in Amsterdam en is vanaf 22.15 uur in Rotterdam. Ook op 29 augustus 2012 is deze telefoon in Rotterdam.

Daarbij is voorts nog van belang de hiervoor reeds gememoreerde verklaring van [betrokkene 1] waar hij heeft verklaard dat hij op de bewuste avond door [vriendin verdachte], de vriendin van de verdachte [verdachte], is gebeld met de vraag of hij wist waar [verdachte] was en dat hij in verband daarmee [medeverdachte] daarover heeft gebeld. [Medeverdachte] zou daarbij tijdens het gesprek met [betrokkene 1] hebben aangegeven dat hij met [verdachte] is.

Bij de rechter-commissaris d.d. 23 januari 2014 stelt [betrokkene 1] zijn verklaring bij in die zin dat hij na het telefoontje van [vriendin verdachte], [medeverdachte] heeft gebeld omdat hij dacht dat [verdachte] bij hem zou zijn maar dat dit niet zo bleek te zijn. [Medeverdachte] zou tegen hem hebben gezegd dat hij met zijn neefje, [bijnaam neef], was. Daarna heeft hij wellicht tegen [vriendin verdachte] gezegd dat [verdachte] bij [medeverdachte] was, maar dit was om haar gerust te stellen. Hij zou daar tegenover [vriendin verdachte] in voorkomende gevallen altijd over hebben gelogen, zo begrijpt het hof. [Bijnaam neef], zo verklaart hij voorts, zou [medeverdachte] bij [betrokkene 1] thuis hebben opgehaald en hem ook weer hebben teruggebracht. [Medeverdachte] zou daarna alleen naar boven zijn gekomen. Het was iets na 00.00 uur. Dat weet [betrokkene 1] omdat ‘je bij ons na twaalf uur ’s nachts met je rug naar binnen moet gaan en dat deed [medeverdachte] ook’.

Voor de beoordeling/weging van deze door de verdediging aangevoerde verklaringen is van belang dat [betrokkene 1] terugkomt op zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring, maar dat hij naar het oordeel van het hof er geen goede en overtuigende verklaring voor kan geven dat hij thans anders dan bij de politie verklaart.

Gelet op en in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof de verklaring van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris d.d. 23 januari 2014 en de verklaring van [medeverdachte] afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 15 december 2014, waaruit zou moeten blijken dat [medeverdachte] die bewuste avond ten tijde van de overval met [bijnaam neef] (te Amsterdam) was, dan ook niet geloofwaardig en houdt het hof [betrokkene 1] aan de verklaring dat hij op de bewuste avond door [vriendin verdachte] is gebeld met de vraag of hij wist waar [verdachte] was en dat hij in verband daarmee [medeverdachte] daarover heeft gebeld en [medeverdachte] daarbij zou hebben aangegeven dat hij met [verdachte] is.

De stelling van de verdediging in dit verband nog dat [betrokkene 1] zou liegen alsmede een motief had de verdachte te belasten nu de verdachte zijn neef had belast en openheid van zaken had gegeven, dossierkennis bezat en op grond van het vorenstaande tot deze verklaring is gekomen, is naar het oordeel van het hof in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen, uit het onderzoek ter terechtzitting ook niet aannemelijk geworden.

De verdediging heeft voorts nog aangevoerd dat de telefoon van [medeverdachte] met de eindnummers 3210 en de telefoon van verdachte in de nacht na de overval om 01:01:21 uur en 01:11:18 uur op dezelfde plek zijn terwijl verdachte volgens de verklaring van [vriendin verdachte] bij de raadsheer-commissaris op dat moment bij haar was.

Dit ondersteunt volgens de verdediging de verklaring van verdachte dat hij zijn telefoon in de bewuste Volkswagen Golf heeft laten liggen.

Het hof kan de verdediging in dit betoog niet volgen, reeds omdat de aanname dat verdachte bij [vriendin verdachte] was, nog afgezien van hetgeen het hof hierover hiervoor heeft overwogen, naar het oordeel van het hof nu juist niet eenduidig uit haar verklaring kan worden afgeleid die zij heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Zo verklaart zij op bladzijden 10 en 11 van het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris: ’U vraagt mij of ik geprobeerd heb om contact te krijgen met [betrokkene 2] op 28 augustus 2012. Nee, ik had hem die middag niet gesproken. Daarna was hij gewoon thuis. U vraagt mij hoe laat hij dan thuis kwam. Dat weet ik niet, wel vroeg in ieder geval. U vraagt mij of hij thuis is gebleven. Ik zou het niet weten, ik was binnen. U vraagt mij of ik de waarheid spreek. Ja.’

Reeds op die grond verwerpt het hof dan ook deze stelling van de verdediging.

In samenhang met al hetgeen hiervoor is overwogen en met hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen is het hof dan ook van oordeel dat het door [verdachte] aangevoerde alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden.

Hetgeen de raadsman in dit verband voorts nog heeft aangevoerd, kan daar niet aan afdoen.

Herkenning camerabeelden

De verdediging heeft voorts nog aangevoerd dat de herkenning door [getuige 1]] niet kan worden gebezigd voor het bewijs een en ander zoals verwoord in de pleitaantekeningen onder punt 57 tot en met 59 van de raadsman.

In weerwil van het betoog van de verdediging heeft deze getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij nog steeds achter zijn verklaring staat zoals vermeld op bladzijde 2050 van het proces-verbaal, welke bladzijde ook bij de raadsheer-commissaris is voorgehouden. Dat hij volgens de verdediging daarbij stelliger is dan bij de politie op dit punt kan het hof niet opmaken uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris. De getuige blijft naar het oordeel van het hof bij de nuancering zoals hij die bij de politie heeft aangegeven en betrekt daar nu juist ook de kwaliteit van de beelden bij.

Dat hij een duidelijk motief had om verdachte te belasten, stijgt niet uit boven het niveau van een suggestie en heeft de verdediging ook niet overtuigend onderbouwd.

Het verweer van de verdediging strekkende tot het niet voor het bewijs mogen bezigen van deze herkenning door de getuige wordt dan ook verworpen.

Het voorwaardelijk verzoek [getuige 2] als getuige te horen.

Het voorwaardelijk verzoek om genoemde getuige te horen betreffende zijn herkenning van verdachte op de camerabeelden behoeft geen bespreking nu het hof deze herkenning niet zal bezigen voor het bewijs.

Losse eindjes

Ten aanzien van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd onder de kop losse eindjes vindt wat betreft punt 66 voldoende zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en sluit hetgeen de verdediging daarover heeft aangevoerd naar het oordeel van het hof niet voldoende uit dat het verdachte is geweest die het door het hof bewezenverklaarde heeft begaan.

Ook het onder punt 67 tot en met punt 71 verwoorde sluit naar het oordeel van het hof op zich niet uit dat het verdachte is geweest die het door het hof bewezenverklaarde heeft begaan.

Gekwalificeerde poging doodslag

Al hetgeen de raadsman ten aanzien van de verdachte verweten gekwalificeerde poging doodslag in punt 72 tot en met 81 van de pleitaantekeningen en uitsluitend daarop betrekkend hebbend heeft aangevoerd behoeft geen bespreking nu het hof verdachte voor de ten laste gelegde gekwalificeerde poging doodslag zal vrijspreken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen de slachtoffers in deze zaak, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], met geweld en bedreiging met geweld in hun woning overvallen en goederen weggenomen een en ander zoals bewezen is verklaard. Bij binnenkomst heeft een van de daders de hond neergeschoten. Tijdens de overval is ook [slachtoffer 1] beschoten; hij is twee keer geraakt in zijn bovenlichaam. Er werd door de daders geroepen ”Waar is de kluis?!”. Nadat de slachtoffers hebben gezegd dat er geen kluis in het huis aanwezig was zijn de daders er vandoor gegaan met telefoons, een laptop en ongeveer 1500 euro. [Slachtoffer 1] bleef met ernstige verwondingen achter en de hond is later die nacht overleden.

Deze traumatische gebeurtenis heeft grote emotionele invloed gehad op de slachtoffers zoals ook blijkt uit de door hun ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaringen. De overval vond plaats in hun woning, bij uitstek een plek waar de slachtoffers zich veilig zouden moeten kunnen voelen. [Slachtoffer 1] verklaart dat hij niet alleen fysiek de gevolgen van de overval heeft ervaren -doordat hij ten gevolge van de schotwond zijn arm moeizaam kon strekken en omhoog kon doen- maar dat hij zich ook geen vrij mens meer voelt die kan gaan en staan waar hij wil. Het gevoel van onveiligheid vertaalt zich onder meer in het controleren van alle ramen en deuren in huis, of zij goed op slot zijn. [slachtoffer 2] voelde zich in de uren na de overval reddeloos, radeloos en verloren. Sinds die avond is hij zichzelf niet meer. Hij is het vertrouwen in de medemens kwijt en kan moeilijk omgaan met zijn woede. Bij de verwerking van de overval heeft hij hulp gezocht bij een psycholoog, maar vooralsnog heeft hem dat niet geholpen. Voor beide slachtoffers geldt dat het overlijden van de hond een gat in de familie heeft geslagen en de gedachte aan de hond emotioneert de slachtoffers nog steeds.

Niet alleen op de slachtoffers heeft een woningoverval als de onderhavige een enorme impact. Ook in de samenleving zorgt een dergelijke feit voor gevoelens van angst en onveiligheid.

Het hof rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.

Het hof slaat acht op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 juli 2015, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaande aan dit feit meermalen onherroepelijk is veroordeeld tot onder andere gevangenisstraffen wegens het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies (re-integratieplan) d.d. 24 september 2014. Uit dit advies blijkt dat er duidelijke aanwijzingen zijn van problemen in meerdere leefgebieden. Het recidiverisico wordt hoog geschat. Hoewel wordt verwacht dat de verdachte zich in het kader van detentiefasering meewerkend zal opstellen –omdat hij graag naar buiten wil- erkent de verdachte volgens de Reclassering onvoldoende het belang van het positief beëindigen van een reclasseringstoezicht. Twee eerdere opgelegde reclasseringstoezichten zijn voortijdig beëindigd.

Het hof is - alles overwegende, mede gelet op de generale en de speciale preventie - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof zal echter volstaan met de constatering van dit verzuim gelet op complexiteit van de zaak en de omvang van de (mede op verzoek van de verdediging) in dit verband verrichte onderzoekshandelingen in hoger beroep.

Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

In het onderhavige strafproces hebben de navolgende slachtoffers zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade, geleden als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot de navolgende bedragen:

- [ [slachtoffer 2]: € 150,00 als vergoeding voor materiële schade en € 3.500,00 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- [ [slachtoffer 1]: € 228,01 als vergoeding voor materiële schade en € 4.000,00 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vorderingen zijn in hoger beroep alle integraal aan de orde.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn, uitgaande van hetgeen hiervoor bewezen is verklaard, door of namens de verdachte niet inhoudelijk betwist en liggen mitsdien, nu de door ieder van hen gestelde schade ook als een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde valt aan te merken, voor integrale (hoofdelijke) toewijzing gereed, op de wijze als nader in het dictum te bepalen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die iedere benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof ten aanzien van elk van de benadeelde partijen begroot op nihil, en voorts in de kosten die iedere benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte tot bedragen van in totaal € 3.650,00 en € 4.228,01, telkens vermeerderd met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde aan de slachtoffers is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de (hoofdelijke) verplichting opleggen die bedragen, met rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van respectievelijk de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], op de wijze als nader in het dictum te bepalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.650,00 (drieduizend zeshonderdvijftig euro) bestaande uit

€ 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en

€ 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële- en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.650,00 (drieduizend zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 (zesenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële- en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.228,01 (vierduizend tweehonderdachtentwintig euro en één cent) bestaande uit € 228,01 (tweehonderdachtentwintig euro en één cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële- en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.228,01 (vierduizend tweehonderdachtentwintig euro en één cent) bestaande uit € 228,01 (tweehonderdachtentwintig euro en één cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 52 (tweeënvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële- en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. R.C. Schlingemann en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 augustus 2015.

mr. R.C. Schlingemann en mr. A.D. Verhoeven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.