Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2227

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
200.171.933/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

voeging afgewezen; onvoldoende verknocht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.171.933/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/449092 / HA ZA 14-417

arrest van 18 augustus 2015

inzake

de rechtspersoon naar Duits Recht

Catamaran Charter Company GMBH & Co KG (I.L.),

gevestigd te Mallentin, Duitsland,

appellante,

eiseres in het incident,

hierna te noemen: CCC,

advocaten: mrs. M.A.R.C. Padberg en J.V. Tetelepta te Rotterdam,

tegen

1. HDI-Gerling Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. Amlin Europe N.V., tevens handelend onder de naam Amlin Corporate Insurance,

gevestigd te Amstelveen,

3. Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Den Haag,

5. Generali Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Diemen,

6. Reaal Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

7. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerden,

verweersters in het incident,

hierna tezamen te noemen: de Verzekeraars,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 9 juni 2015 is CCC in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2015, gewezen tussen CCC als eiseres en de Verzekeraars als gedaagden. Het exploot bevat tevens een incidentele conclusie tot voeging. Daarop hebben de Verzekeraars op 7 juli 2015 een memorie van antwoord in het incident tot voeging genomen. Hierna hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest in het incident bepaald.

Beoordeling van de incidentele vordering tot voeging

1. Het gaat in dit incident – samengevat – om het volgende.

CCC, thans in liquidatie, was eigenaar van het passagierschip de ‘Birknack’. De Birknack is omstreeks eind 2002 / begin 2003 gezonken. CCC claimt (op verschillende grondslagen) schade bij de Verzekeraars en bij de assurantietussenpersoon (destijds Oranje Varia Verzekeringen B.V., hierna te noemen: Oranje).

De rechtbank heeft over deze kwestie(s) verscheidene vonnissen gewezen. Onderhavige appelprocedure heeft betrekking op het vonnis in de procedure tussen CCC en de Verzekeraars.

2. CCC vordert in dit incident dat de onderhavige zaak op grond van artikel 222 Rv wegens verknochtheid wordt gevoegd met de eveneens bij dit hof aanhangige, door CCC aangebrachte, zaak met zaaknummer 200.136.848/01. Daarbij is Assumair Assurantiën B.V., (de rechtsopvolgster van Oranje, hierna eveneens te noemen: Oranje) geïntimeerde. CCC voert aan dat “de zaken zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de arresten wenselijk is”.

3. De Verzekeraars verzetten zich tegen de voeging. Zij voeren daartoe aan dat tussen de procedures niet zodanige verknochtheid bestaat dat deze dienen te worden gevoegd. Daarnaast zou voeging tot een onredelijke vertraging leiden.

4. Het hof overweegt als volgt.

5. In beide procedures gaat het om de schadeafhandeling van het zinken van het passagierschip de Birknack, en staan (althans deels) derhalve dezelfde feitelijke thema’s centraal.

Desalniettemin zal het hof de vordering tot voeging afwijzen.

Immers, in de procedure tussen CCC en de Verzekeraars gaat het om de vraag of, en zo ja in welke mate, de Verzekeraars zijn gehouden de schade aan het gezonken passagierschip de Birknack te vergoeden onder een (vloot)cascopolis, terwijl het in de procedure tussen CCC en Oranje gaat om de vraag of Oranje als assurantietussenpersoon in haar taak is tekortgeschoten. Nu het enerzijds een verzekeringsrechtelijk dekkingsgeschil betreft en anderzijds een kwestie van beroepsaansprakelijkheid, zijn in beide procedures andere rechtsvragen aan de orde.

Daarnaast stelt het hof vast dat in beide procedures CCC partij is, maar het verder verschillende (soorten) tegenpartijen betreft, namelijk in de ene procedure verzekeringsmaatschappijen en in de andere procedure een assurantietussenpersoon.

Ook de omstandigheid dat eerst een uitspraak dient te komen in de procedure tussen CCC en de Verzekeraars alvorens kan worden geoordeeld over de procedure tussen CCC en Oranje (hoewel in laatstgenoemde procedure juist reeds een memorie van grieven is genomen) maakt dat niet anders. Niet valt in te zien waarom is vereist dat de Verzekeraars, omdat een einduitkomst in de procedure tussen CCC en de Verzekeraars van belang kan zijn voor de aansprakelijkheid van de tussenpersoon, betrokken dienen te worden in een (gevoegde) procedure tussen CCC en Oranje.

Alles afwegende, komt het hof dan ook tot het oordeel dat de procedures niet zijn verknocht, althans dat zij niet een zodanige connexiteit vertonen dat een gezamenlijke berechting uit het oogpunt van doelmatigheid is geboden. De incidentele vordering tot voeging wordt afgewezen.

6. CCC zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het incident moeten dragen.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- wijst de vordering tot voeging af;

- veroordeelt CCC in de kosten van de procedure in het incident in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Verzekeraars bepaald op € 894 aan salaris van de advocaat;

en in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 29 september 2015 voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van CCC.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, M.C.M. van Dijk en S.R. Mellema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.