Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2221

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
22-002511-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1288, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van medeplegen van doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof is van oordeel dat de handelingen van de verdachte en de medeverdachte – te weten het op de grond liggende slachtoffer meermalen met kracht tegen het hoofd/gezicht schoppen – kunnen worden aangemerkt als voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Zij hebben ertoe hebben geleid dat de ruit waar het slachtoffer voor lag is gebroken en het slachtoffer door die ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen. Die handelwijze van de verdachte en de medeverdachte is een onmisbare schakel geweest tot het gevolg, de dood van het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof kan het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002511-14

Parketnummer: 09-842477-13

Datum uitspraak: 18 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

4 augustus 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair:


hij op of omstreeks 18 augustus 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam geslagen en/of (met al dan niet geschoeide voet) geschopt en/of een of meer (andere) gewelddadige handeling(en) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] verricht en/of aangewend, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] door een ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen op een stenen ondergrond en/of (vervolgens) is overleden;

subsidiair:


hij op of omstreeks 18 augustus 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] (meermalen) opzettelijk (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of (met al dan niet geschoeide voet) te schoppen en/of een of meer (andere) gewelddadige handeling(en) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te verrichten en/of aan te wenden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] door een ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen op een stenen ondergrond, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:


hij op of omstreeks 18 augustus 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] (meermalen) opzettelijk (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of (met al dan niet geschoeide voet) heeft geschopt en/of een of meer (andere) gewelddadige handeling(en) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft verricht en/of aangewend, ten gevolge waarvan die D. [slachtoffer] door een ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen op een stenen ondergrond, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, terwijl het voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:


hij op 18 augustus 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam geslagen en (met al dan niet geschoeide voet) geschopt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] door een ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen op een stenen ondergrond en is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe, onder meer, aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake was van opzet op doodslag.

Aanleiding onderzoek.

Op 18 augustus 2013 omstreeks 02.23 uur treffen verbalisanten het slachtoffer aan op het binnenterras van een flatgebouw aan de Bakhuizenstraat te Den Haag.

Het slachtoffer ligt op zijn buik met zijn hoofd in een plas bloed en is overleden. Uit het sectierapport blijkt dat de letsels goed passen bij een val van grote hoogte.

Het slachtoffer ligt recht onder een aantal ramen, direct naast het trappenhuis; één van de ramen op een hoger gelegen etage is gebroken.

Op de verdieping waar het raam gebroken is, zien verbalisanten in het trappenhuis bij de liften een gebroken draadglas ruit direct vanaf de grond met een hoogte van ongeveer 60 centimeter en een breedte van 2 meter.

Op de gang treffen de verbalisanten een bewoner aan, [getuige], die verklaart getuige geweest te zijn van een ruzie. De getuige zegt tegen de verbalisanten dat hij heeft gezien dat twee mannen in het trappenhuis op het slachtoffer aan het inschoppen waren.

De verdachte en de medeverdachte worden die ochtend om 11.20 uur aangehouden.

Camerabeelden.

In het flatgebouw zijn beveiligingscamera’s aanwezig. Deze camera’s nemen beelden op zodra een beweging wordt gedetecteerd. Op de camerabeelden is de plaats waar het slachtoffer naar beneden is gevallen, niet te zien. Er zijn wel beelden van de gang waarop het slachtoffer, de verdachte en medeverdachte te zien zijn – en wel bij de voordeur van het appartement waarin zij zich bevonden.

Verklaring verdachte.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de medeverdachte en hij het slachtoffer meerdere keren hebben geschopt en geslagen. Op de vraag of ze hard hadden geslagen, verklaart hij dat het volgens hem hard gegaan is.

Verklaring medeverdachte.

De medeverdachte heeft aanvankelijk bij de politie ontkend zelf enig geweld tegen [slachtoffer] te hebben gebruikt. Naderhand heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] een duw bij de voordeur heeft gegeven. Dit blijkt ook uit de camerabeelden. De medeverdachte heeft verklaard dat daarna alleen de verdachte geweld heeft gebruikt door [slachtoffer] te slaan en meermalen hard in het gezicht te schoppen. Door een schop van de verdachte in het gezicht van [slachtoffer], viel het slachtoffer tegen een raam, waarna de ruit brak en het slachtoffer door het raam heen naar beneden viel, aldus de medeverdachte.

Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige].

De getuige heeft direct toen de verbalisanten voor het eerst ter plaatse kwamen verklaard dat hij getuige was en gezien heeft dat twee mannen op het slachtoffer aan inschoppen waren.

Diezelfde nacht, ruim een uur later, om 03.15 uur, legt de getuige zijn eerste verklaring tegenover de politie af. Hij verklaart dat hij mensen hoort schreeuwen, zijn voordeur opendoet en ziet dat aan het einde van de gang bij de liften twee mannen een derde man aan het slaan waren. Hij ziet de derde man naar de grond vallen. De mannen blijven het slachtoffer slaan en met kracht tegen het hoofd van de man op de grond schoppen. Het slachtoffer verweert zich, maar doet niets terug. Wanneer hij ziet dat beide mannen zijn kant op komen lopen, gaat hij zijn woning binnen.

Enkele uren later die dag, om 07.14 uur, legt de getuige een aanvullende verklaring af. Opnieuw verklaart hij over het geweld van de twee mannen gericht tegen het slachtoffer, waarbij het slachtoffer op de grond valt en dat de beide mannen het slachtoffer vervolgens diverse malen tegen zijn hoofd en buik trappen. Tevens verklaart hij dat hij die nacht na zijn eerste verhoor een aantal tekeningen heeft gemaakt van de geweldshandelingen van de twee verdachten tegen het slachtoffer. Op deze tekeningen is onder meer te zien dat het slachtoffer op de grond ligt terwijl hij door de verdachten in zijn gezicht wordt geschopt. Daarbij heeft de getuige gevisualiseerd dat een van de verdachten eerst met zijn been naar achteren uithaalt en vervolgens het slachtoffer in het gezicht trapt.

Het hof is van mening dat in de verklaringen van de getuige verschillen zijn aan te wijzen met betrekking tot hetgeen hij gezien heeft direct voorafgaand aan de val van het slachtoffer, maar dat doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen over het toegepaste geweld niet af. Hierover heeft de getuige van meet af aan consistent verklaard.

Intensiteit schoppen.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat het slachtoffer meermalen met kracht tegen zijn gezicht en hoofd is geschopt, terwijl hij op de grond lag. Ook de medeverdachte verklaart dat de schoppen hard waren. Dat er daadwerkelijk met grote kracht geschopt is vindt voorts steun in de omstandigheid dat het slachtoffer zodanig is geschopt dat hij vanuit een liggende positie op de grond door de ruit heen naar beneden is gevallen.

Opzet.

De verdachte en de medeverdachte hebben het op de grond liggende slachtoffer meermalen met kracht tegen het hoofd/gezicht geschopt.

Naar het oordeel van het hof levert deze handelwijze van de verdachte en de medeverdachte mede gelet op de intensiteit waarmee dat schoppen gepaard is gegaan, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat bij dergelijk geweld tegen zo’n kwetsbaar onderdeel van het lichaam als het gezicht en hoofd, zodanig ernstig letsel wordt toegebracht dat het slachtoffer ten gevolge daarvan overlijdt. Zodanig letsel kan ook ontstaan doordat het hoofd als gevolg van het uitgeoefende geweld met kracht tegen de harde gebouwelijke omgeving (zoals vloer of muur) terecht komt. De verdachte heeft die aanmerkelijke kans door te handelen als voormeld willens en wetens aanvaard.

Dood ten gevolge van val van 4e verdieping.

Op grond van de bevindingen van de patholoog valt niet vast te stellen of en zo ja welk letsel het slachtoffer had opgelopen op het moment dat hij door de ruit naar beneden viel. Het hof gaat ervan uit dat de val door de ruit de directe doodsoorzaak is geweest.

Causaliteit.

De beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat tussen de gedragingen van een verdachte en het gevolg, in casu de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van de redelijke toerekening.

De handelingen van de verdachte en de medeverdachte hebben ertoe geleid dat de ruit waar het slachtoffer voor lag is gebroken en het slachtoffer door die ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen. Die handelwijze van de verdachte en de medeverdachte is een onmisbare schakel geweest tot het gevolg, de dood van het slachtoffer.

De volgende vraag is of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Immers, het slachtoffer lag op de grond op de 4e verdieping van het flatgebouw vlak voor een ruit. Door de intensiteit van het schoppen tegen het lichaam van het slachtoffer, was te voorzien dat de ruit zou kunnen breken. Omdat de ruit aan de onderzijde geheel tot aan de vloer doorliep, hadden de verdachte en de medeverdachte (tevens) de mogelijkheid dat het slachtoffer door de ruit heen naar buiten zou vallen en vanaf de 4e verdieping een dodelijke val zou maken, moeten en kunnen voorzien.

Het hof acht derhalve het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan doodslag. De verdachte en zijn mededader hebben zich samen tegen het slachtoffer opgedrongen en hem de hoek ingedreven. De verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer zodanig geschopt en geslagen, dat als gevolg daarvan het slachtoffer door een ruit naar beneden is gevallen en is komen te overlijden. Nadat het slachtoffer door het raam naar beneden is gevallen, hebben de verdachte en de medeverdachte zich niet meer om het slachtoffer bekommerd, noch via 112 of anderszins hulp ingeroepen. Zij gaan in plaats daarvan de woning van de verloofde van het slachtoffer binnen en gaan, nadat zij nog een potje hebben gekaart, slapen.

De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven en heeft – samen met zijn mededader - het slachtoffer zijn meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Hij heeft bovendien de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed aangedaan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juli 2015.

Het hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen omtrent de persoon van verdachte naar voren is gebracht in de Pro Justitia rapportages van F. Koeken, psychiater, d.d. 18 december 2013 en M.H. de Groot, GZ-psycholoog, d.d. 21 december 2013. De psychiater heeft geadviseerd om de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde. De psycholoog heeft geadviseerd om de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde.

Gelet op de daaraan ten grondslag liggende beschouwingen, kan het hof zich in deze conclusies vinden. Het hof neemt deze conclusies dan ook over en maakt die tot de zijne.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De betekenis van de verminderde toerekeningsvatbaarheid is echter niet zodanig dat dit tot een matiging ten opzichte van de aan de medeverdachte op te leggen straf leidt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen wordt beslist overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn onder de nummers 1 tot en met 29 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn onder de nummers 30 tot en met 37 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van

€ 1.500,-.

Het hof ziet thans geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu onbekend is door wie welke schade is geleden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder de nummers 30 tot en met 37 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, zoals vermeld onder de nummers 1 tot en met 29 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. R.C. Langeler en mr R.C. Schlingemann, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 augustus 2015.

Mr. R.C. Schlingemann is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.