Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2204

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
22-005486-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging van haar toenmalige huisgenote.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005486-13

Parketnummers: 10-701139-13 en 10-272018-11 (TUL)

Datum uitspraak: 9 juni 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2013 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 mei 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 275 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijke werkstraf opgelegd bij vonnis onder parketnummer 10-272018-11.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
zij op of omstreeks 24 mei 2013 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- de keel van die [benadeelde partij] heeft vastgehouden terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag en/of terwijl verdachte gespreid met haar benen op de buik van die [benadeelde partij] zat en/of

- ( vervolgens) (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken naar en/of in de richting van het gezicht, althans het lichaam, van die [benadeelde partij], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:
zij op of omstreeks 24 mei 2013 te Rotterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga je dood maken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van feit 1

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is dat zij de aangeefster met een mes heeft aangevallen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft steeds verklaard dat zij wel heeft gevochten met de aangeefster en ook boven op haar heeft gezeten, maar tevens dat zij daarbij geen mes heeft gebruikt. De aangeefster heeft – kort gezegd – verklaard dat zij door de verdachte met een mes is gestoken, terwijl de verdachte bovenop haar zat.

Het door de aangeefster aangewezen mes is door de politie in beslag genomen, maar het is niet veilig gesteld en er is ook geen DNA-onderzoek of ander onderzoek op verricht, waaruit zou kunnen blijken dat verdachte het mes heeft vast gehad en/of dat daarop bloed of andere biologische sporen van aangeefster aanwezig waren.

In het dossier bevindt zich voorts geen geneeskundige verklaring omtrent de aard van het letsel van de aangeefster. Uit de zich in het dossier bevindende foto’s van het letsel van de aangeefster kan het hof niet eenduidig concluderen dat dit letsel met een mes is toegebracht.

[getuige], de enige getuige die bij een deel van het incident aanwezig was, heeft een verklaring afgelegd bij de politie die de verklaring van de aangeefster ondersteunt. De aangeefster heeft echter als tolk opgetreden bij het afleggen van die verklaring, omdat [getuige] de Nederlandse taal niet spreekt. Voorts is [getuige] een familielid van de aangeefster en hebben [getuige] en de aangeefster, in de periode tussen het incident en het verhoor door de politie, tijd gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Vervolgens is [getuige] naar het buitenland vertrokken en is het onmogelijk gebleken om nog met haar in contact te komen, als gevolg waarvan de verdediging haar niet heeft kunnen ondervragen.

Gelet op deze omstandigheden is de betrouwbaarheid van de zich in het dossier bevindende verklaring ten name van [getuige] naar het oordeel van het hof zodanig gecompromitteerd, dat het daarin gestelde niet voor het bewijs tegen de verdachte gebezigd kan worden.

Het hof is al met al van oordeel dat met name op gronden zoals door de verdediging aangevoerd en zoals hiervoor genoemd niet buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat de verdachte de aangeefster met een mes heeft gestoken.

De feitelijke gedragingen als omschreven bij feit 1, eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging kunnen voorts naar het oordeel van het hof niet (zelfstandig) de conclusie dragen dat deze een poging doodslag dan wel een poging zware mishandeling zouden inhouden, en evenmin dat verdachte daarop de opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) zou hebben gehad.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
zij op of omstreeks 24 mei 2013 te Rotterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga je dood maken,” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 275 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging van haar toenmalige huisgenote. Het gebeurde is blijkens de verklaring van het slachtoffer beangstigend voor haar geweest, in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de verdachte bovenop haar zat en haar vasthield op het moment dat zij de bedreiging uitte.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 23 augustus 2013, waarin wordt geadviseerd om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met een meldplicht en een behandelverplichting als bijzondere voorwaarden. Voorts heeft het hof acht geslagen op het rapport van psychologisch onderzoek d.d. 4 september 2013.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 9 maart 2012 onder parketnummer 10-272018-11 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met bevel dat die werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering tot tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van het centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag of een soortgelijke instelling, teneinde zich te laten behandelen voor haar agressieproblematiek, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de voorwaarden zoals die worden gesteld door de reclassering.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 9 maart 2012, parketnummer 10-272018-11, te weten een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. A. Kuijer, mr. C.J. van der Wilt en mr. H.A. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. F.P. van Straelen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2015.

Mr. H.A. Holthuis is buiten staat dit arrest te ondertekenen.