Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2197

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
200.134.396-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Onbehoorlijke taakvervulling door stichtingsbestuurder bij het laten doorgaan van een conferentie en het aangaan van financiële verplichtingen in dat verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1509
RO 2015/68
JONDR 2015/1006
OR-Updates.nl 2015-0309
INS-Updates.nl 2015-0167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 26 mei 2015

Zaaknummer : 200.134.396

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/418957 / HA ZA 12-589

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.H. Pelle (Den Haag),

tegen

mr. E.S. EBELS q.q.,

als curator in het faillissement van de Stichting Urban Organism 2009,

kantoorhoudende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. E.S. Ebels (Den Haag).

Het verdere verloop van het geding

Bij arrest van 22 oktober 2013 is een ‘comparitie na aanbrengen’ gelast. De comparitie is gehouden op 17 januari en 9 mei 2014. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Van de zijde van [appellant] zijn bij gelegenheid van de laatste zitting stukken in het geding gebracht. Nadat de zaak, na afloop van de comparitie, weer op de rol was geplaatst is door [appellant] een memorie van grieven ingediend (met producties) en door de curator een memorie van antwoord tevens vermeerdering van eis (met producties). Vervolgens heeft [appellant] een akte (met producties) genomen en de curator een antwoordakte. Daarna is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

inleiding

1. [appellant] is op een daartoe strekkende vordering van de curator door de rechtbank veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De grond voor de veroordeling is dat [appellant] als (middellijk) bestuurder van de failliet - de Stichting Urban Organism (hierna: UO) - ‘ten aanzien van de periode vanaf eind mei 2009 een ernstig verwijt als bedoeld in art. 2:9 BW treft en [..] uit dien hoofde jegens UO aansprakelijk is [..] voor de daardoor veroorzaakte schade’. [appellant] is het hier niet mee eens.

enkele feiten

2.1

UO heeft een op 2 september 2009 gehouden conferentie georganiseerd onder de naam ‘Urban Organism 2009’. De conferentie - die plaatsvond in het Bel Air hotel in Den Haag - is bezocht door 43 betalende deelnemers.

2.2

De conferentie zou eerst plaatsvinden op 20 mei 2009. Kort voor die datum heeft UO echter besloten de conferentie toen niet door te laten gaan, naar [appellant] stelt om reden dat afspraken en sponsortoezeggingen niet werden nagekomen. Twee externe bureaus die door UO waren ingeschakeld voor het organiseren van de conferentie hebben voor hun werkzaamheden over de periode januari tot en met mei 2009 -onbetaald gebleven - rekeningen ingediend bij de curator.

2.3

UO is vervolgens in contact gekomen met - het eveneens in 2011 gefailleerde -

Clockround Events (Clockround Evenementen B.V.), welk bedrijf te kennen gaf later in 2009 alsnog de conferentie te kunnen organiseren voor 500 tot 700 deelnemers, die elk € 295,- exclusief BTW zouden betalen. Met Clockround Events is UO daarop eind mei 2009 overeengekomen dat deze de ‘all-in organisatie’ zou verzorgen voor een conferentie op 2 september 2009. In de overeenkomst is een betaalschema opgenomen van twee voorschotnota’s (met 1 juli en 1 augustus 2009 als betaaldata) en een nacalculatie. In juli 2009 rees een conflict tussen Clockround Events en UO en is de samenwerking beëindigd. Clockround Events heeft ter zake van de eerste voorschotnota een vordering van € 54.002,70 ingediend bij de curator.

2.4

Na de beëindiging van de relatie met Clockround Events heeft UO aan bureau [R] ([R] B.V.) opdracht gegeven om de conferentie (verder) te organiseren. [R] heeft op 28 juli 2009 een voorschotnota van € 35.700,- aan UO gestuurd. De advocaat van [R] schrijft daarover bij brief van 21 augustus 2009 aan UO: ‘Ondanks herhaald verzoek en rappel is deze declaratie tot dusverre onbetaald gebleven, waarmee u in verzuim bent komen te verkeren.’ De brief houdt verder o.a. in: ‘Door cliënte aangeschreven door u opgegeven sponsors hebben tot dusverre ofwel niet gereageerd ofwel laten weten dat zij ten onrechte als zodanig waren aangemerkt. [..] Cliënte is bovendien ter ore gekomen dat de stichting een zeer twijfelachtige debiteurenstatus heeft. De optie op het World Forum, die aanvankelijk tot 12 augustus 2009 is verleend, is in overleg met u tot 19 augustus verlengd, maar inmiddels geannuleerd. Op 19 augustus jl. heeft cliënte u bericht de opdracht terug te geven. U hebt dit kennelijk niet willen accepteren, doch te kennen gegeven dat er nog diezelfde middag een oplossing zou komen. Betaling is evenwel uitgebleven.’

2.5

UO heeft na de conferentie tevergeefs getracht de gemeente Den Haag te bewegen het tekort te dekken.

2.6

Voor verdere feiten wordt verwezen naar de in hoger beroep niet bestreden weergave daarvan in het vonnis onder 2.

overwegingen van de rechtbank

3. De rechtbank heeft - zakelijk weergegeven - het volgende overwogen:

a. a) toen UO in 2008 begon met de organisatie van de conferentie was er geen sprake van een startkapitaal en evenmin van een (start)begroting;

b) niettemin valt [appellant] geen verwijt te maken van het toen gaan organiseren van de conferentie, ook niet van het in verband daarmee aangaan van verplichtingen, noch van het vervolgens genomen besluit om de conferentie in mei 2009 niet door te laten gaan;

c) de uitgangspositie voor het (alsnog) organiseren van de conferentie was toen - eind mei 2009 - niet rooskleurig, in welk verband de rechtbank zes omstandigheden noemt, waarvan de laatste is dat UO toen feitelijk in een toestand van faillissement verkeerde;

d) deze omstandigheden waren onveranderd toen opdracht werd gegeven aan Clockround Events, terwijl het toen voorliggende plan ambitieuzer was geworden, de organisatieperiode erg kort was en de opdracht een forse investering vergde;

e) het komt er op neer dat in dezelfde, niet rooskleurige, omstandigheden waarin de conferentie kort daarvoor was afgelast, werd besloten tot de uitvoering van een veel ambitieuzer plan voor het organiseren van de conferentie, terwijl dat plan bovendien in zeer korte tijd gerealiseerd moest worden en een nieuwe forse investering vergde;

f) [appellant] treft een verwijt ten aanzien van dit besluit dat geen redelijk handelend bestuurder in deze omstandigheden zou hebben genomen;

g) toen na de breuk met Clockround Events werd besloten de conferentie (verder) te organiseren, waren de eerder bedoelde, niet rooskleurige, omstandigheden onverminderd aan de orde en was de tijdsdruk verder toegenomen; een dergelijk besluit zou geen redelijk handelend bestuurder hebben genomen: terwijl een paar weken voor de geplande conferentiedatum geen/nauwelijks zicht was op genoeg betalende deelnemers of andere inkomsten werd doorgegaan met het maken van forse kosten;

h) de cessie van de gepretendeerde vordering op de ANWB brengt hierin geen verandering; ook na die cessie verkeerde UO feitelijk in een faillissementstoestand;

i. i) uit niets blijkt dat UO in redelijkheid kon verwachten dat de gemeente Den Haag na afloop van de conferentie een bijdrage zou verlenen in verband met het tekort.

bespreking van de grief

4. Er is één grief aangevoerd. Deze is als volgt geformuleerd:

‘Deze grief richt zich tegen de [..]overwegingen 4.5 tot en met 4.14 van het vonnis [..], resulterend in de slotsom [..] dat [appellant] ten aanzien van de periode vanaf eind mei 2009 een ernstig verwijt treft als bedoeld in artikel 2:9 BW en dat hij uit dien hoofde jegens de curator (in [..]overweging 4.15 vermeldt de rechtbank abusievelijk UO) aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade [..].’

5. Een eerste opmerking naar aanleiding van deze grief is dat niet juist is dat de rechtbank in overweging 4.15 per abuis UO zou hebben genoemd als degene jegens wie [appellant] aansprakelijk is. De bestuurdersaansprakelijk als bedoeld in art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:11 BW) is er één jegens de rechtspersoon. Ingeval van een faillissement van de rechtspersoon is het de curator die, ten behoeve van de boedel, de bestuurder uit hoofde van die aansprakelijkheid kan aanspreken.

6. Verder wordt geconstateerd dat, hoewel de grief zich zegt te richten tegen de overwegingen 4.5 tot en met 4.14 van het vonnis, veel van wat daarin is overwogen onbesproken en dus ook onbestreden blijft in de toelichting op de grief. Als voorbeelden worden genoemd de overweging van de rechtbank (i) dat toen eind mei 2009 werd besloten de conferentie later in het jaar te doen plaatsvinden UO feitelijk in staat van faillissement verkeerde en (ii) dat de cessie van de vermeende vordering op de ANWB daar geen wijziging in bracht. Ter zijde wordt genoteerd dat op evenmin bestreden is dat [appellant] ex art. 2:9 (juncto 2:11) BW aansprakelijk kan worden gehouden voor een eventuele onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van UO.

7.1

Waar [appellant] ook niet gemotiveerd op in gaat is de hiervoor onder 3.i bedoelde overweging van de rechtbank dat uit niets blijkt dat UO in redelijkheid kon verwachten dat de gemeente Den Haag na afloop van de conferentie een bijdrage zou verlenen in verband met het tekort.

7.2

Wat [appellant] wel stelt is dat de gemeente Den Haag de conferentie ‘kon ondersteunen’. Maar als dat al zo zou zijn, levert dat geen juridische afdwingbare verbintenis op, noch een voldoende basis voor een gerechtvaardigd vertrouwen op een daadwerkelijke financiële bijdrage. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat Clockround Events, althans de aan haar verbonden Ruud Wijkniet, goede relaties met de gemeente Den Haag onderhield maakt dit niet anders.

7.3

Daarnaast is er de stelling van [appellant] dat de gemeente Den Haag achteraf heeft ‘toegezegd dat zij de financiële problemen van de stichting zou oplossen, althans daar een substantiële bijdrage in zou leveren’. Wie van de gemeente Den Haag op welk moment deze toezegging in welke vorm/bewoordingen zou hebben gedaan, heeft [appellant] daarbij echter onvermeld gelaten, terwijl die specificatie/onderbouwing wel van hem had mogen worden verwacht. Ook vermeldt hij niet hoe deze stelling zich verhoudt tot bijvoorbeeld de (meer neutrale) mededeling in de brief van 15 juni 2012 van drs. [betrokkene 1] aan de curator dat er in het najaar (vruchteloze) gesprekken zijn geweest met de gemeente Den Haag ‘om alsnog tot een financiële aanvulling te komen van de voorbije conferentie’. Die laatste mededeling past meer bij hetgeen de curator reeds in de inleidende dagvaarding van 2 mei 2012 stelde (punt 22):

‘Wel is bekend dat [appellant] na het congres een poging heeft ondernomen om subsidie van € 300.000 te krijgen van de gemeente ’s-Gravenhage. Kennelijk wilde hij het exploitatietekort dat was ontstaan achteraf nog dichten door deze subsidie. [appellant] verwees in zijn subsidieaanvraag namelijk naar The Hague Jazz, dat (achteraf) ook een financieel fiasco bleek, maar gered werd met behulp van financiële steun van de gemeente. WOB-verzoeken en het subsidieverzoek dat [appellant] dienaangaande heeft gedaan zijn afgewezen door de gemeente.’

Het punt van de eventuele bijdrage door de gemeente Den Haag speelt dus al geruime tijd. Gelet daarop, maar ook overigens, kan de niet nader gespecificeerde stelling van [appellant] over de volgens hem gedane toezeggingen niet gelden als gemotiveerd verweer tegen de aansprakelijkheidsstelling. Zijn, in wederom algemene bewoordingen geformuleerde, stelling dat hij met WOB-verzoeken tracht ‘de onderste steen boven te krijgen’, maakt dit niet anders. Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, (i) dat ook indien de gemeente, al dan niet achteraf, financieel heeft bijdragen bij andere verliesgevende projecten, dit nog geen aanspraak of gerechtvaardigd vertrouwen oplevert op een dekking van dan wel bijdrage in de verliezen van UO en (ii) dat een eventueel achteraf toegezegde verliesdekking de verwijtbaarheid van het handelen/nalaten van [appellant] niet wegneemt, tenzij op voorhand mocht worden gerekend op verliesdekking, waarvoor echter onvoldoende is aangevoerd.

8.1

De rechtbank heeft - het standpunt van de curator volgend - ten aanzien van zowel het besluit tot het laten organiseren van het congres door Clockround Events als het besluit tot het doorgaan met de organisatie na de breuk met Clockround Events overwogen dat dit besluiten zijn die geen redelijk handelend bestuurder zou hebben genomen. Het had daarom op de weg van [appellant] gelegen om ten minste in hoger beroep gemotiveerd uit een te zetten waarom hierover ook anders kan worden geoordeeld.

8.2

Wat het laatste besluit betreft - en meer in het bijzonder het inschakelen van [R] - heeft [appellant] echter slechts aangevoerd dat [R] goede contacten had, onder meer met de gemeente Den Haag waarvoor [R] al eerder een bijeenkomst had georganiseerd. Daarmee is echter niet gezegd dat [appellant] er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat UO, die al een schuldenpositie had opgebouwd en feitelijk in staat van faillissement verkeerde, [R] zou kunnen betalen voor de voorbereidende werkzaamheden. Kennelijk heeft hij de slechte financiële positie en het ontbreken van middelen om de voorschotnota(’s) te voldoen niet met [R] gecommuniceerd; vergelijk de hiervoor onder 2.4 aangehaalde brief waarin is te lezen ‘Cliënte is bovendien ter ore gekomen dat de stichting een zeer twijfelachtige debiteurstatus heeft.’ In die brief wordt ook geschreven dat wel doorgegeven informatie niet bleek te kloppen. Daar gaat [appellant] evenmin op in.

8.3

Ten aanzien van het eerdere besluit tot het contracteren van Clockround Events luidt het verweer in hoger beroep dat Clockround Events te kennen had gegeven in staat te zijn geweest om ‘The Hague Jazz te organiseren met 22.000 bezoekers, met een groot aantal sponsoren en een goede samenwerking met de gemeente Den Haag.’ ‘Een aantal van 500-700 deelnemers aan de conferentie was zeker haalbaar’, aldus [appellant]. Wat echter uit zijn stellingen niet volgt en ook anderszins niet blijkt is dat het in een kort tijdbestek zorgen voor ca. 500 betalende deelnemers (€ 295,- exclusief BTW per deelnemer) aan een ‘urban organism-conferentie’, met als ondertitel ‘duurzame stad, stad van de toekomst’ een vergelijkbare activiteit is als het organiseren van een jaarlijks jazzfestival. Uit zijn verweer volgt evenmin dat er financiële dekking of althans een regeling was voor de aanloopkosten, waardoor de organisatie niet reeds daar op zou stuklopen. Wel wijdt hij uit over de slechte financiële situatie bij Clockround Events en over de verkeerde intenties die zij zou hebben gehad; volgens hem heeft Clockround Events ‘in het geheel niets voor de organisatie van de conferentie gedaan’. Bij die bewering - die niet zonder meer te rijmen is met bijvoorbeeld de mededeling in de brief van 6 augustus 2000 van [betrokkene 2] aan [betrokkene 3] dat Clockround Events ‘25.000 exemplaren heeft laten drukken’, maar dit terzijde - gaat [appellant] evenwel voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid van de bestuurder. Tot zijn taak als (middellijk) bestuurder behoorde het om, gegeven de slechte financiële positie van UO, de feitelijke en financiële haalbaarheid van het alsnog op korte termijn organiseren van een conferentie met voldoende betalende deelnemers serieus te onderzoeken, zodat door UO geen verplichtingen werden aangegaan waarvan hij redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat UO die niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te stellen dat van zodanig onderzoek sprake is geweest ontbreekt een behoorlijke onderbouwing.

8.4

Als voldoende onderbouwing kan evenmin gelden dat er een sprekerslijst was, dat de gemeente Den Haag en Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) positief stonden ten opzichte van het organiseren van het congres en dat GS zelfs € 20.000,- heeft betaald voor het organiseren van het congres. Overigens is [appellant] - ook in zijn akte na de memorie van antwoord - niet duidelijk over de wijze waarop GS betrokken is geraakt. Onduidelijk is bijvoorbeeld wat hij bedoelt met de zin: ‘Op verzoek van [GS] heeft [appellant] opdracht gekregen voor het organiseren van de Congresorganisatie [..]’ Hij verwijst naar een brief zonder datering van GS, waarin in de openingszin wordt verwezen naar een offerte van 4 augustus 2009 [van UO]. Die offerte is echter niet overgelegd. In de brief van GS wordt verder gesproken over ‘het afgesproken deel van de meerkosten ten opzichte van de deelnemersbijdragen’. Dat roept de vraag op welk beeld UO/[appellant] heeft geschetst over het aantal deelnemers, de door hen geleverde of te leveren bijdragen en het realiteitsgehalte van een en ander. Daarover heeft [appellant] zich niet uitgelaten.

9. Alle omstandigheden in aanmerking nemende moet dan ook, evenals in de eerste aanleg, de slotsom zijn dat - mede gezien hoe UO er in mei 2009 en nadien financieel voor stond - de beslissing om de conferentie op 2 september 2009 te houden en daarvoor financiële verplichtingen aan te gaan een besluit is dat door geen redelijk handelend bestuurder in diezelfde omstandigheden zou zijn genomen. Van dit besluit, dat van een onbehoorlijke taakvervulling getuigt, treft [appellant] als middellijk bestuurder een ernstig verwijt. Voor de gevolgen van deze ernstig verwijtbare onbehoorlijke taakvervulling is hij persoonlijk aansprakelijk. Dit betekent dat de grief faalt.

bewijsaanbod

10. [appellant] heeft nog wel aangeboden om zijn stellingen te bewijzen, in welk verband hij vijf getuigen noemt. In zijn stellingen ligt echter geen gemotiveerd verweer tegen de hem gemaakte verwijten besloten. Feiten of omstandigheden die, mits bewezen, de verwijtbaarheid van zijn handelen wegnemen zijn gesteld noch gebleken. Daarom wordt het bewijsaanbod als niet ter zake doende gepasseerd.

voorschot

11. De curator heeft bij wijze van eisvermeerdering een voorschot op de

schadevergoeding gevorderd. Hij stelt dit voorschot op € 88.000,-, welk bedrag is opgebouwd uit: € 25.000,- aan salaris voor de curator; ca. € 3.000 aan preferente crediteuren en ca. € 60.000 aan concurrente crediteuren sinds 20 mei 2009, exclusief de vordering van Clockround Events. [appellant] heeft bij akte gereageerd op deze eisvermeerdering. Wat de door de curator genoemde salarispost betreft merkt hij op dat een goedkeuring ontbreekt. Daarmee is echter niet gezegd dat er in het geheel geen salariskosten zijn. [appellant] ageert verder tegen de door Clockround Events ingediende vordering. Die vordering is door de curator echter buiten beschouwing gelaten in het kader van de voorschotbepaling. Het verweer van [appellant] bevat dan ook geen aanknopingspunten om de vordering tot betaling van een voorschot geheel af te wijzen. Het daarom toe te wijzen voorschot wordt bepaald op € 50.000,-. Dat er - ook afgezien van de salariskosten - door de onbehoorlijke taakvervulling tot (ten minste) dit bedrag aan schade is veroorzaakt heeft de curator genoegzaam aangetoond. Ook bestaat, alle omstandigheden in aanmerking nemende, geen aanleiding om - naar aanleiding van het beroep op matiging door [appellant] - zijn aansprakelijkheid (ex art. 6:109 BW en/of naar analogie van art. 2:248, lid 4, BW) te beperken tot een lager bedrag dan genoemd.

ten slotte

12. Aangezien de grief faalt en geen andere gronden voor vernietiging zijn gebleken volgt hieronder een bekrachtiging van het bestreden vonnis, met daarnaast een veroordeling van [appellant] tot betaling van het gevorderde voorschot. [appellant] is in het hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij en wordt daarom in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan de curator van een voorschot ten bedrage van € 50.000,- op de door hem verschuldigde schadevergoeding;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de curator bepaald op € 683,= aan verschotten en op

€ 2.682,= aan salaris voor de advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.J. van der Ven en H.J.M. Burg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015 in aanwezigheid van de griffier.