Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2194

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
BK-14-01608 t-m 14-01610
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8589, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de aanslagen in het bedrijfsreinigingsrecht terecht zijn opgelegd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2051
JAF 2015/536 met annotatie van Van der Meijden
V-N Vandaag 2015/1796
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7077
Belastingblad 2015/417 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2015/59.3
Mr. R. van den Berg annotatie in NTFR 2015/2777
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/01608 tot en met 14/01610

Uitspraak d.d. 12 augustus 2015

in het geding tussen:

[X] V.O.F. te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2014, nummers ROT 14/2132 tot en met 14/2134, betreffende de hierna vermelde aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende zijn op 6 december 2013 aanslagen in het bedrijfsreinigingsrecht van de gemeente Rotterdam voor de jaren 2011, 2012 en 2013 opgelegd ten bedrage van € 466,36 (2011), € 702,42 (2012) en € 731,20 (2013) (hierna: de aanslagen).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 11 februari 2014 (2012) en 7 maart 2014 (2011 en 2013) heeft de heffingsambtenaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroepen bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is € 328 griffierecht geheven.

1.4.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is € 493 griffierecht geheven. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 mei 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende, gevestigd op het adres [Y] te [Z] (hierna: het perceel), dreef in 2011, 2012 en 2013 een kleinhandel in tapijten. Het perceel is eigendom van de heer [A] , een van de vennoten van belanghebbende. Belanghebbende heeft geen werknemers in dienst.

3.2.

Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 179 m2. Belanghebbende was in de onderhavige jaren de enige gebruiker van het perceel.

3.3.

In het perceel ontstaat afval.

3.4.

Schuin tegenover het perceel van belanghebbende is een door de gemeente Rotterdam geplaatste ondergrondse afvalcontainer gelegen.

3.5.

Belanghebbende had in 2011, 2012 en 2013 geen contract met een erkende inzamelaar voor het inzamelen en verwijderen van afval.

3.6.

Met dagtekening 31 oktober 2006 is aan belanghebbende een aanslag in het bedrijfsreinigingsrecht van de gemeente Rotterdam opgelegd voor het jaar 2006. Hiertegen heeft de heer [A] per brief van 28 november 2006 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

"(…)

De firma [X] valt beslist niet onder de heffing bedrijfsreinigingsrecht.

Op genoemd adres wordt niets aan bedrijfsafval geproduceerd en er wordt ook helemaal geen afval opgehaald, laat staan dat dit wekelijks zou geschieden door de Roteb. Er wordt derhalve geen enkel gebruik gemaakt van enige dienst van de Roteb waarvoor de firma [X] belast zou kunnen worden.

Er is ook niemand werkzaam in de firma [X] . Als eigenaar ben alleen ik hooguit enkele uren per week aanwezig om de post door te nemen, maar er vindt verder geen enkele activiteit plaats op het adres. Dus er is ook geen afval."

3.7.

Op 30 maart 2007 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op het onder 3.6 vermelde bezwaar gedaan. In de uitspraak op bezwaar is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

"(…)

U heeft het bezwaarschrift ingediend binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag.

Uit het onderzoek naar aanleiding van uw bezwaarschrift is gebleken dat de aanslag ten onrechte aan u is opgelegd.

Uw bezwaar wordt toegekend en de aanslag wordt vernietigd.

(…)."

Gemeentelijke verordening

4.1.

De raad van de gemeente Rotterdam heeft in zijn openbare vergadering van 11 november 2010 de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2011 (hierna: Verordening 2011) en de bijbehorende tarieventabel vastgesteld.

4.2.

De raad van de gemeente Rotterdam heeft in zijn openbare vergadering van 8 en 10 november 2011 de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2012 (hierna: Verordening 2012) en de bijbehorende tarieventabel vastgesteld.

4.3.

De raad van de gemeente Rotterdam heeft in zijn openbare vergadering van 8 en 13 november 2012 de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2013 (hierna: Verordening 2013) en de bijbehorende tarieventabel vastgesteld.

4.4.

De onder 4.1 tot en met 4.3 vermelde verordeningen zijn op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

4.5.

In de Verordening 2011 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

"Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. bedrijf: natuurlijke dan wel rechtspersoon niet zijnde een particuliere huishouding;

b. (…)

c. bedrijfsafvalstoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

d. (…)

e. erkende inzamelaar: bedrijven die krachtens artikel 10.45 bevoegd zijn bedrijfsafvalstoffen in te zamelen.;

f. (…)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'bedrijfsreinigingsrechten' worden rechten geheven met betrekking tot het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen en voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten en het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn.

Artikel 3 Belastingplicht

De bedrijfsreinigingsrechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die gebruik maakt van de voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 4 Vrijstelling

Geen bedrijfsreinigingsrecht wordt geheven voor zover ter zake van een in artikel 2 bedoeld belastbaar feit:

a. de gemeente langs andere weg een vergoeding ontvangt; of

b. van degene die in het bezit is van een geldig contract voor al het aan te bieden bedrijfsafval met een wettelijk erkende inzamelaar en die geen gebruik maakt van de gemeentelijke inzamelvoorzieningen."

4.6.

In zowel de Verordening 2012 als in Verordening 2013 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

""Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. bedrijf: een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet 2007 en de daarop gebaseerde bepalingen die of waarin men zich van bedrijfsafvalstoffen ontdoet, voornemens te ontdoen of moet ontdoen;

b. (…)

c. (…)

d. bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;

e. (…)

f. erkende inzamelaar: bedrijven die krachtens artikel 10.45 bevoegd zijn bedrijfsafvalstoffen in te zamelen.

Artikel 2 Belastbaar feit

1. Onder de naam 'bedrijfsreinigingsrechten' worden rechten geheven met betrekking tot het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen en voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten en het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn.

2. Iedere onderneming wordt geacht zich van bedrijfsafvalstoffen te ontdoen, voornemens te zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan te moeten ontdoen, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.

Artikel 3 Belastingplicht

[als artikel 3 van de Verordening 2011]

Artikel 4 Vrijstelling

Geen bedrijfsreinigingsrecht wordt geheven, ingeval:

a. de gemeente langs andere weg een vergoeding ontvangt; of

b. een geldig contract met een erkende inzamelaar voor al het aan te bieden bedrijfsafval kan worden overgelegd en verder geen gebruik van de gemeentelijke inzamelvoorzieningen wordt gemaakt."

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de aanslagen terecht zijn opgelegd.

5.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.

5.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de aanslagen.

6.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil overwogen:

"1. [Belanghebbende] exploiteert op het adres [Y] te [Z] een winkel in vloerbedekking (Oosterse tapijten) onder de naam “ [X] ”.

Het winkelpand is eigendom van [A] , een van de vennoten van [belanghebbende].

2. [Belanghebbende] stelt zich in alle zaken op het standpunt dat op het adres niets aan bedrijfsafval wordt geproduceerd en er geen enkele activiteiten plaatsvinden, waardoor zij geen bedrijfsreinigingsrecht is verschuldigd. Volgens [belanghebbende] is niemand werkzaam in de winkel en alleen de eigenaar is hooguit enkele uren per week aanwezig.

[Belanghebbende] meent dat de opgelegde aanslagen in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel, omdat de laatste aanslag dateert van 2006 en deze aanslag is (na bezwaar) vernietigd. Aldus heeft [de heffingsambtenaar] - zo stelt [belanghebbende] - het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt bij [belanghebbende] dat zij niet belastingplichtig is voor de betreffende heffing.

Daarnaast voert [belanghebbende] aan dat zij niet op de juiste wijze omtrent de verhoging van de aanslag bedrijfsreinigingsrecht per 1 januari 2012 op de hoogte is gesteld.

Ook is [belanghebbende] door [de heffingsambtenaar] niet in de gelegenheid gesteld om een contract af te sluiten met een erkende inzamelaar van bedrijfsafval.

[Belanghebbende] betoogt tevens dat [de heffingsambtenaar] niet meerdere aanslagen in een keer mag opleggen.

3.1.

Op grond van artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet kunnen rechten worden

geheven ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

3.2

In de Verordening Bedrijfsreinigingsrecht 2011 respectievelijk de Verordening Bedrijfsreinigingsrecht 2012 en de Verordening Bedrijfsreinigingsrecht 2013 (hierna: de Verordeningen) worden de voor de heffing relevante factoren als volgt omschreven.

Voor de toepassing van de Verordening 2011 wordt in artikel 1, onder a, verstaan onder “bedrijf”: natuurlijke dan wel rechtspersoon niet zijnde een particuliere huishouding.

Voor de toepassing van de Verordeningen 2012 en 2013 wordt in artikel 1, onder a, verstaan

onder “bedrijf”: een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet 2007 en de daarop gebaseerde bepalingen die of waarin men zich van bedrijfsafvalstoffen ontdoet, voornemens te ontdoen of moet ontdoen.

In artikel 3 van de Verordeningen is bepaald dat de bedrijfsreinigingsrechten worden geheven van een ieder bedrijf op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die gebruik maakt van de voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Op grond van artikel 4 van de Verordeningen wordt geen bedrijfsreinigingsrecht geheven,

ingeval:

a. de gemeente langs andere weg een vergoeding ontvangt;

b. een geldig contract met een erkende inzamelaar voor al het aan te bieden bedrijfsafval kan worden overgelegd en verder geen gebruik van de gemeentelijke inzamelvoorzieningen wordt gemaakt.

4. Niet is in geschil dat de Verordeningen op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de bekendmakingen in het Gemeenteblad (2010/nummer 172, 2011/nummer 114 en 2012/nummer 117). De tarieven zijn tevens op de

website van [de heffingsambtenaar] (onder Gemeentebelastingen) gepubliceerd. [De heffingsambtenaar] heeft aldus voldaan aan zijn informatieplicht.

[De heffingsambtenaar] heeft voorts aangegeven dat hij - hoewel hij daartoe niet is verplicht - alle ondernemers in de gemeente, waaronder [belanghebbende], per brief van 4 december 2011 heeft geïnformeerd over onder meer de tariefswijziging per 1 januari 2012. In deze brief is vermeld wat de nieuwe regelgeving voor gevolgen heeft en is informatie verstrekt en zijn vindplaatsen gegeven op basis waarvan een ondernemer zou moeten kunnen bepalen wat de gevolgen voor de tariefswijziging in individuele gevallen zijn. Uit het vorenstaande volgt dat [de heffingsambtenaar] heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplicht.

5. Met [de heffingsambtenaar] is de rechtbank van oordeel dat een vrijstelling van bedrijfsreinigingsrecht alleen mogelijk is wanneer [belanghebbende] een geldig contract heeft afgesloten met een wettelijk erkende inzamelaar van bedrijfsafval. Niet in geschil is dat [belanghebbende] geen contract met een erkend inzamelaar van bedrijfsafval heeft overgelegd, dat geldig is voor de gehele periode waarop de aanslagen 2011, 2012 en 2013 betrekking hebben.

6. Het betoog van [belanghebbende] dat zij geen bedrijfsreinigingsrecht is verschuldigd, omdat op het adres niets aan bedrijfsafval wordt geproduceerd en er geen enkele activiteiten plaatsvinden, faalt.

De Wet Milieubeheer draagt de gemeente op ervoor zorg te dragen dat ten minste eenmaal per week afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel

waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan (inzamelplicht). Niet van belang is of

deze afvalstoffen daadwerkelijk ontstaan. Dat er geen bedrijfsactiviteiten in de winkel zouden plaatsvinden, zoals door [belanghebbende] - overigens niet nader onderbouwd - gesteld, doet niet af aan de objectieve geschiktheid voor het plaatsvinden van exploitatie-activiteiten en de daaraan verbonden mogelijkheid dat geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan.

Op grond van het vorenstaande wordt aangenomen dat op het adres bedrijfsafval is ontstaan,

omdat er (minimale) bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, ongeacht de omvang en frequentie

daarvan. Nu niet in geschil is dat de relevante regelgeving voldoende bekend is gemaakt, is

[belanghebbende] terecht in de heffing betrokken.

7. Het beroep van [belanghebbende] op het vertrouwensbeginsel, faalt.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2014

(ROT 13/4832 en 13/4833 (A17)).

Van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts sprake zijn, wanneer een

bestuursorgaan uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan

die bij betrokkene een gerechtvaardigde verwachting hebben gewekt.

Voor alle onderhavige zaken betekent het vorenstaande dat het beroep van [belanghebbende] op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als [de heffingsambtenaar] aan [belanghebbende] in 2006 ondubbelzinnig heeft meegedeeld dat [de heffingsambtenaar] in de toekomst geen aanslagen aan [belanghebbende] zal opleggen. Van een dergelijke toezegging is hier niet gebleken. De aanslag bedrijfsreinigingsrecht 2006 is vernietigd zonder opgave van reden, zoals blijkt uit kennisgeving van vermindering bedrijfsreinigingsrecht van 30 maart 2007.

8. Ook het betoog van [belanghebbende], dat [de heffingsambtenaar] niet meerdere aanslagen in een keer mag opleggen, faalt. Op grond van artikel 11, derde lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) is de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag bepaald op drie jaar. Nu de Verordeningen bepalen dat het heffingstijdvak het kalenderjaar is, volgt hieruit dat [de heffingsambtenaar] bevoegd is tot het vaststellen van de aanslag over de jaren 2011, 2012 en 2013. Noch uit de AWR of andere regelgeving volgt dat [de heffingsambtenaar] deze aanslagen niet bij één beschikking mag opleggen.

9. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de aanslagen bedrijfsreinigingsrecht 2011, 2012 en 2013 terecht aan [belanghebbende] zijn opgelegd.

10. Het beroep in alle zaken is dan ook ongegrond."

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

De heffingsambtenaar dient, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken dat door of vanwege het gemeentebestuur aan belanghebbende diensten zijn verleend bestaande uit het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen en het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn. Hierin is de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof geslaagd. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking.

8.2.

Uit de stukken van het geding en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd blijkt dat belanghebbende in 2011, 2012 en 2013 in het perceel een kleinhandel in tapijten (hierna: de winkel) dreef, dat de winkel tenminste enkele uren per week was geopend en dat de heer [A] gedurende die uren in de winkel aanwezig was. Deze omstandigheden zijn voldoende onderbouwing van het standpunt van de heffingsambtenaar dat de activiteiten van belanghebbenden in het perceel, ook al waren deze zeer bescheiden van omvang, tot het ontstaan van afvalstoffen hebben geleid. Gelet op het bepaalde in artikel 1 aanhef en onderdeel c van de Verordening 2011 alsmede artikel 1 aanhef en onderdeel d van de Verordeningen 2012 en 2013 dienen de afvalstoffen die in het perceel zijn ontstaan te worden aangemerkt als bedrijfsafvalstoffen, aangezien zij niet afkomstig zijn uit particuliere huishoudens en evenmin gevaarlijke afvalstoffen zijn. Niet in geschil is dat zich schuin tegenover de winkel een door of vanwege het gemeentebestuur geplaatste afvalcontainer bevond waarin belanghebbende de uit het perceel afkomstige bedrijfsafvalstoffen kon deponeren. Naar het oordeel van het Hof dient deze afvalcontainer te worden aangemerkt als een voor de openbare dienst bestemde gemeentebezitting in de zin van artikel 229 lid 1 aanhef en onderdeel a van de Gemeentewet alsmede artikel 2 van de Verordeningen. Verder heeft de heffingsambtenaar gesteld en heeft belanghebbende niet, althans onvoldoende, weersproken dat de gemeente in de straat waaraan het perceel gelegen is, de aldaar aangeboden afvalstoffen inzamelt.

8.3.

Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De enkele stelling van belanghebbende dat de heer [A] alle afvalstoffen die in het perceel ontstonden heeft meegenomen naar zijn woning in [B] en zich daar van deze afvalstoffen heeft ontdaan, is, tegenover de weerspreking ervan door de heffingsambtenaar daartoe onvoldoende. Belanghebbende heeft ook overigens geen feiten aangedragen op grond waarvan, indien aannemelijk, zou kunnen worden geoordeeld dat belanghebbende zich van alle binnen het perceel ontstane bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan zonder dat zich daarbij een belastbaar feit in de zin van artikel 2 van de Verordeningen heeft voorgedaan.

8.4.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat de heffingsambtenaar niet bevoegd was de aanslagen tegelijkertijd aan het eind van 2013 op te leggen. Voor zover belanghebbendes standpunt inhoudt dat een wettelijke grondslag voor het opleggen van de aanslagen ontbrak, faalt het. Het moment van oplegging van de aanslagen (6 december 2013) ligt na de tijdstippen waarop de Verordeningen in werking zijn getreden. De aanslagen zijn voorts opgelegd binnen de wettelijke termijn van drie jaar na het tijdstip waarop volgens de Verordeningen het bedrijfsreinigingsrecht verschuldigd is geworden. Geen wettelijke bepaling verplichtte de heffingsambtenaar om de aanslagen op een ander tijdstip of meer gespreid in de tijd op te leggen.

8.5.

Voor zover belanghebbendes onder 8.4 vermelde standpunt een beroep op het vertrouwensbeginsel inhoudt, overweegt het Hof het volgende. Belanghebbende betoogt dat de beslissing die de heffingsambtenaar heeft genomen op haar bezwaar tegen de voor het jaar 2006 opgelegde aanslag alsmede op de omstandigheid dat na deze beslissing geruime tijd geen aanslagen zijn opgelegd, bij haar het rechtens te honoreren vertrouwen hebben gewekt dat ook voor de jaren 2011, 2012 en 2013 heffing van het bedrijfsreinigingsrecht achterwege zou blijven. Het aldus onderbouwde beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt op de hierna onder 8.6 vermelde gronden.

8.6.

Afgezien van het zich hier niet voordoende geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de heffingsambtenaar gedurende een aantal jaren het opleggen van aanslagen achterwege heeft gelaten. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van – voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen – omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de heffingsambtenaar gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Een omstandigheid als vorenbedoeld kan onder meer zijn gelegen in de tegemoetkoming aan een bezwaar (vergelijk HR 13 december 1989, nr. 25077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179). Belanghebbende heeft de uitspraak op het bezwaar tegen de voor het jaar 2006 opgelegde aanslag opgevat en ook redelijkerwijs mogen opvatten als de aanvaarding van belanghebbendes standpunt inzake een zich in 2011, 2012 en 2013 onveranderd voordoende aangelegenheid, te weten de vraag of zij voor de van het perceel afkomstige afvalstoffen in de heffing van het bedrijfsreinigingsrecht kan worden betrokken. Het jarenlang achterwege laten van het opleggen van aanslagen in het bedrijfsreinigingsrecht heeft, in samenhang met de uitspraak op het bezwaar tegen de voor het jaar 2006 opgelegde aanslag, bij belanghebbende de indruk kunnen wekken dat daaraan een bewuste standpuntbepaling van de heffingsambtenaar ten grondslag lag. Niet gezegd kan worden dat deze standpuntbepaling zo duidelijk is strijd is met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs haar onjuistheid had moeten beseffen.

Slotsom

8.7.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep in alle zaken gegrond. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

9.1.

Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.470 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof, een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak, een factor 1 voor drie samenhangende zaken en een bedrag per punt van € 490). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

9.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 328, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 493 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraken van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslagen;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op (voor de zaken tezamen) € 1.470;

  • -

    gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 821 aan griffie-recht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. J.E.H.M. Pinckaers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 12 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak door het oudste lid van de belastingkamer ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.