Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2191

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
200.155.247/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

na-isolatie woonhuis, toerekenbare tekortkoming, informatieplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.155.247/01

Zaaknummer rechtbank : 2878336 CV EXPL 14-2170

arrest van 18 augustus 2015

inzake

[appellant],

wonende te Hendrik-Ido-Ambacht,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.M.C. Wessels te Zwijndrecht,

tegen

Pluimers Isolatie B.V.,

gevestigd te Rijssen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Pluimers,

advocaat: mr. G. Janssen te Den Haag.

Het geding

Voor de loop van het geding tot 28 oktober 2014 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum. Bij dit tussenarrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Voorafgaand aan de comparitie hebben beide partijen producties in het geding gebracht. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Pluimers de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Geen grieven zijn gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Ook het hof zal hiervan in hoger beroep uit gaan. Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om het volgende:

Pluimers heeft in of omstreeks de maand oktober 2011 in opdracht en voor rekening van [appellant] werkzaamheden verricht, bestaande uit spouwmuurisolatie aan het woonhuis van [appellant] (hierna: de werkzaamheden aan het woonhuis). Pluimers heeft hiervoor € 3.750 (inclusief BTW) in rekening gebracht.

[appellant] heeft de rekening onbetaald gelaten.

2.2.

In eerste aanleg heeft Pluimers in conventie betaling gevorderd van dit bedrag, te vermeerderen met rente en kosten, waaronder € 600 buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] heeft zijn vordering in reconventie als volgt verwoord: “eiser te veroordelen tot het oplossen van het probleem, door weghalen van isolatie, het zij door schoonmaken van de gevel (…) subsidiair eiser te veroordelen tot vergoeding van de aangebrachte schade (…) [v]erminderd met het bedrag van € 3750,00 voor het isoleren.”.

2.3.

De kantonrechter heeft de vordering in conventie toe- en de vordering in reconventie afgewezen.

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis in reconventie gewijzigd. Thans vordert hij – kort en zakelijk weergegeven – (i) een verklaring voor recht dat Pluimers aansprakelijk is voor alle door [appellant] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de werkzaamheden aan het woonhuis en (ii) veroordeling van Pluimers tot betaling van die schade, nader op te maken bij staat, met proceskosten. Pluimers heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en deze is naar het oordeel van het hof ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal bij de beoordeling van het hoger beroep dan ook uitgaan van de gewijzigde eis.

2.4.

Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] aldus dat hij aan zijn gewijzigde eis ten grondslag legt dat Pluimers toerekenbaar tekortgeschoten is in haar verbintenissen uit de overeenkomst tot het verrichten van de werkzaamheden.

2.5.

In grief 1 beklaagt [appellant] zich dat de kantonrechter ten onrechte het beroep op dwaling en vernietiging van de overeenkomst heeft gepasseerd. Ook grief 2 gaat er van uit dat een beroep op vernietiging [appellant] kan baten en wordt kennelijk in dat licht voorgesteld. Alleen al omdat in hoger beroep vernietiging van de overeenkomst niet is gevorderd in het petitum van de dagvaarding of van de memorie van grieven kunnen deze grieven niet slagen. Het enkel suggereren van een beroep op dwaling en/of vernietiging van de overeenkomst in het lichaam van de memorie van grieven is onvoldoende. Het beroep op art. 3:54, lid 2 BW in de toelichting op grief 2 ontbeert iedere grond, nu [appellant] ten aanzien van misbruik van omstandigheden geen stellingen heeft ontwikkeld.

2.6.

Het hof begrijpt dat [appellant] met de grieven 3 en 4 aan het hof wil voorleggen dat de toerekenbare tekortkoming van Pluimers is gelegen in het optreden van schimmelvorming en algengroei aan de buitenzijde van het woonhuis na het verrichten van de werkzaamheden door Pluimers, welke schimmelvorming en algengroei het gevolg zijn van die werkzaamheden en als een gebrek dienen te worden aangemerkt. Pluimers heeft dit gemotiveerd betwist. Kern van de grieven lijkt blijkens de inleiding op de grieven te zijn dat Pluimers [appellant] had moeten wijzen op de mogelijkheid van schimmel-, mos-, of algenvorming.

2.7.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming als bedoeld in 2.6 dient beoordeeld te worden of Pluimers bij het verrichten van de werkzaamheden heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Daarnaast kan van belang zijn of Pluimers een garantie heeft gegeven met betrekking tot schimmelvorming en mos- of algengroei aan de buitengevel na de isolatie. De stelplicht dat Pluimers toerekenbaar tekortgeschoten is in haar verbintenissen op grond van de overeenkomst – en bij betwisting van de gestelde feiten – de bewijslast daarvoor rust op [appellant].

2.8.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door Pluimers heeft [appellant] onvoldoende geconcretiseerd dat Pluimers niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Niet in geschil is dat de isolatie technisch goed is uitgevoerd, zodat in zoverre geen sprake kan zijn van toerekenbaar tekortschieten. Dat de keuze voor ander isolatiemateriaal het risico op schimmel-, mos-, en algenvorming heeft doen toenemen, zodanig dat daarvan had moeten worden afgezien, is onvoldoende onderbouwd. Ook de stelling dat er vocht van binnen naar buiten migreert is niet nader onderbouwd. Tegenover de betwisting door Pluimers en het gegeven dat een buitengevel bloot staat aan invloeden van weer en wind had een dergelijke onderbouwing wel mogen worden verwacht. Het hof gaat aan deze bezwaren voorbij.

Dat Pluimers heeft gegarandeerd dat als gevolg van de isolatie geen vochtuitslag, schimmel-, mos-, of algengroei zal ontstaan aan de buitengevels dan wel dat [appellant] om een dergelijke garantie heeft gevraagd, is tegenover de gemotiveerde betwisting door Pluimers onvoldoende onderbouwd, zodat ook hieraan voorbij zal worden gegaan. De in de folder “energiekosten besparen, milieu ontzien, BEHAAGLIJK WONEN?” (Pluimers betwist dat deze van toepassing is) opgenomen zinsnede “het resultaat is een winddichte laag die perfect isoleert en niet gevoelig is voor schimmel.” kan niet worden gezien als een dergelijke garantie. Redelijkerwijs kan met het woord “die” niet iets anders worden bedoeld dan de isolatielaag.

2.9.

Resteert de vraag of Pluimers [appellant] had moeten wijzen op de mogelijkheid van schimmel-, mos-, of algenvorming. Dienaangaande geldt het volgende.

Voor zover het zo zou zijn dat de schimmel-, mos-, en algenvorming aan de buitenzijde al aanwezig was voordat Pluimers met de werkzaamheden begon, behoefde Pluimers [appellant] niet over deze schimmel-, mos-, en algengroei te informeren omdat [appellant] immers ook zelf de aanwezige schimmel-, mos-, of algengroei had kunnen waarnemen. Het in dit verband gedane beroep van [appellant] op artikel 5, lid 3 van de algemene voorwaarden van Pluimers faalt. Van een ondeugdelijke ondergrond, die het woonhuis ongeschikt maakt voor isolatie, zoals een buitengevel van betonstenen, gekliste kalkzandsteen met een open structuur of een gereinigde gevel, waarbij aanvullende maatregelen moeten worden getroffen of onderzocht ter voorkoming vochtdoorslag, is onvoldoende gebleken. Dat van een van de overige in dit artikellid bedoelde situaties sprake is, is onvoldoende gesteld of gebleken.

Voor zover het zo zou zijn dat de schimmel-, mos-, of algenvorming zou zijn verergerd door de werkzaamheden geldt het volgende. Bij na-isolatie van spouwmuren is van belang dat – en het hof acht dit van algemene bekendheid – de verbetering van het binnenmilieu (vermindering van stookkosten, tegengaan van vochtinwerking van buiten naar binnen) centraal staat. Dat [appellant] in het bijzonder hechtte aan de effecten op de buitengevel, behoefde Pluimers, zonder expliciete melding hiervan door [appellant], niet te bevroeden. Dat [appellant] dit met zoveel woorden aan de orde heeft gesteld heeft hij tegenover de betwisting door Pluimers onvoldoende geconcretiseerd. Het hof gaat hieraan voorbij.

Voor zover reeds opgetreden schimmel-, mos-, en algenvorming door de isolatie is verergerd omdat de buitengevel minder snel droogt nu als gevolg van de isolatie geen warmte meer naar buiten en vocht naar binnen kan migreren is dit een met isolatie samenhangend effect. Het optreden daarvan – voor zover het zich op een gebruikelijke schaal voordoet – kan Pluimers niet worden tegengeworpen en daarvoor behoeft Pluimers niet te waarschuwen. Dat de schimmel-, mos-, en algenvorming zich aan de woning voordoet op een meer dan gebruikelijke schaal is gesteld noch gebleken. Daarbij is van belang dat op 8 mei 2013 een inspecteur van IKOB-BKB een bezoek gebracht heeft aan het woonhuis. Blijkens het ter gelegenheid daarvan opgemaakte inspectierapport betrof dit een certificeringsinspectie, waar het uitvoerend bedrijf (Pluimers: hof) niet voorafgaand over wordt geïnformeerd. In dat rapport staat vermeld: “Mos/algaangroei: Goed: Diverse alggroei aan alleen het voegwerk bij gevels die regenbelast worden. Voorgevel en linkergevel. Sommige zijn groen, merendeel witte uitslag. Het betreft geen gebrek en is een normaal verschijnsel bij nageïsoleerde gevels.”

2.10.

De overige argumenten van [appellant] leiden niet tot een ander oordeel. Voor zover de stellingen van [appellant] inhouden dat de schimmel-, mos- en algengroei na de isolatie plotseling is opgetreden, terwijl deze tevoren niet aanwezig was, is dit onvoldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat Pluimers in de brief van 10 januari 2012 al heeft aangegeven dat de algvorm in de aangetroffen vorm een kwestie is van jaren en niet van maanden.

2.11.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven falen. Het bestreden vonnis dient bekrachtigd te worden.

Het algemene bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd omdat het onvoldoende is betrokken op voldoende gespecificeerde stellingen en niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen. Voor het inschakelen van een deskundige ziet het hof geen grond.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Pluimers begroot op € 704 aan verschotten en € 1.264 aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, S.R. Mellema en H.J.M. Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.