Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2177

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
K14/0166
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Sv.

Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om beklaagde, niet te vervolgen ter zake van poging tot doodslag, dan wel (poging tot) zware mishandeling. Klager is door beklaagde neergeschoten tijdens zijn aanhouding na een nachtelijke woninginbraak.

Het hof wijst het beklag af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[naam klager],

klager,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. Th.U. Hiddema, advocaat, kantoor houdende aan de Wilhelminasingel 109 te (6221 BH) Maastricht.

1. Het beklag

Het klaagschrift is op 28 maart 2014 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om [beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen ter zake van poging tot doodslag, dan wel (poging tot) zware mishandeling. Klager is door beklaagde neergeschoten tijdens zijn aanhouding na een nachtelijke woninginbraak.

2. Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 27 augustus 2014 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3. De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de Rijksrecherche opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht van de recherche officier van justitie te Rotterdam van 22 april 2014 en het aanvullend ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van 11 mei 2015.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een aanvullend proces-verbaal van de Rijksrecherche d.d. 25 februari 2015.

4. De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft op 22 oktober 2014 de behandeling van het beklag om proceseconomische redenen voor onbepaalde tijd aangehouden als geformuleerd in het proces-verbaal van die zitting. Klager en zijn raadsman waren opgeroepen en zijn daarvan in kennis gesteld. Beklaagde was niet opgeroepen.

De meervoudige beklagkamer heeft op 14 januari 2015 het klaagschrift in raadkamer behandeld.

Klager en zijn raadsman mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, zijn verschenen en hebben het beklag toegelicht. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtvaardiging was voor het vuurwapengebruik tegen klager en dat er geen grond is voor een sepot, gelet op de gevolgen en mogelijke gevolgen voor klager die volgens de raadsman door puur geluk niet zeer ernstig gewond is geraakt maar nog steeds lichamelijke ongemakken ondervindt.

Beklaagde was voor die zitting niet opgeroepen.

De advocaat-generaal mr. M.A. Veneberg heeft in raadkamer - overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag - geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.

Het hof heeft de behandeling van de klacht aangehouden teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over een aantal vragen van het hof en om beklaagde op te roepen, zoals geformuleerd in het proces-verbaal van die zitting.

De meervoudige beklagkamer heeft op 15 juli 2015 het klaagschrift in raadkamer verder behandeld.

Beklaagde en zijn raadsvrouw mr. E.M. Veringa, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen en gehoord, overeenkomstig de door de raadsvrouw overgelegde pleitaantekeningen, die in het dossier zijn gevoegd.

Klager en zijn raadsman mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

De advocaat-generaal mr. P. Blanken heeft in raadkamer - overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag - geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.

De raadslieden hebben naar aanleiding van die conclusie een reactie gegeven en hun standpunten herhaald weergegeven.

5. De beoordeling van het beklag

5.1

Het hof merkt ten eerste op dat de politie bij de uitoefening van de taken op gebied van preventie van - en optreden tegen strafbare feiten onder meer beschikt over een op wetgeving gebaseerd geweldsmonopolie. De daarbij geoorloofde, andere dan fysieke, geweldmiddelen daarvoor zijn limitatief opgesomd, waaronder een vuurwapen.

Aan de rechter ter beoordeling voorgelegd geweld dat is uitgeoefend door politiefunctionarissen in het kader van de uitoefening van politietaken wordt primair getoetst aan de strafwetgeving, artikel 7 van de Politiewet en de Ambtsinstructie.

Op grond van artikel 7 van de Politiewet zijn politieambtenaren bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van hun bediening geweld toe te passen, voor zover dit noodzakelijk is en de mate van geweld passend is in verhouding tot het beoogde doel.

Volgens artikel 7, eerste lid, onder b van de Ambtsinstructie is het gebruik van een vuurwapen onder andere toegestaan ter aanhouding van een persoon die zich aan zijn aanhouding of voorgeleiding tracht te onttrekken of heeft onttrokken en die wordt verdacht van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer.

In de Nota van Toelichting bij de Ambtsinstructie wordt aangegeven dat er sprake moet zijn van delicten met een strafbedreiging van vier jaren of meer die gericht zijn tegen de lichamelijke integriteit of tegen de persoonlijke levenssfeer en worden daarbij voorbeeld situaties beschreven.

Allereerst dient derhalve, in gevallen waarbij de politie geweld heeft toegepast, te worden vastgesteld of sprake is geweest van een rechtmatig optreden. Vervolgens of het noodzakelijk was om geweld toe te passen teneinde hetgeen de politie wilde realiseren te bewerkstelligen. Voorts

dient het toegepaste geweld te worden getoetst aan beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Vervolgens dient indien de geweldsaanwending die toetsing niet doorstaat, in het kader van de artikel 12 Sv beklagprocedure bovendien de vraag te worden beantwoord of een strafvervolging opportuun is.

5.2

De definiëring van artikel 7 van de Ambtsinstructie en de Nota van Toelichting brengen met zich mee dat het gebruik van het vuurwapen ter aanhouding van een op heterdaad betrapte en vluchtende woninginbreker of insluiper, tijdens de voor de nachtrust bestemde uren op heterdaad betrapt in een bewoonde woning, slechts is geoorloofd wanneer de bewoner(s) (mogelijk) thuis is/zijn en sprake is van (het vermoeden van) uitgeoefend geweld of dreiging met geweld tegen de bewoner(s).

De hoofdofficier van justitie heeft met betrekking tot het onderhavige incident zich op het standpunt gesteld dat het vuurwapengebruik van beklaagde gezien artikel 7, eerste lid, onder b van de Ambtsinstructie in casu niet geoorloofd was. Hoewel beklaagde in de veronderstelling was dat voornoemde omstandigheden in de woning het gebruik van een vuurwapen rechtvaardigden valt volgens de hoofdofficier een dergelijk situatie niet onder een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer zoals gesteld in artikel 7 van de Ambtsinstructie en de Nota van Toelichting, nu er geen sprake is geweest van (bedreiging met) geweld tegen deze bewoonster.

De hoofdofficier meent evenwel dat in deze zaak de constatering van deze onrechtmatigheid, zonder daaraan een strafvervolging te verbinden, het meest aangewezen is, nu er sprake was van een nachtelijke inbraak in een vrijstaande woning waarvan de bewoonster alleen thuis was, hetgeen bekend was bij beklaagde, omdat de bewoonster angstig en verscholen in haar huis telefonisch contact heeft gehad met de politiemeldkamer.

Bovendien acht de hoofdofficier het van belang voor het nemen van de beslissing dat het letsel bij klager niet blijvend was.

De advocaat-generaal heeft zich hierbij aangesloten en overwogen dat beklaagde heeft gedwaald ten aanzien van de Ambtsinstructie. Met de hoofdofficier van justitie is de advocaat-generaal van mening dat niet een strafrechtelijke maar een disciplinaire afhandeling voorstaat. Daarbij heeft hij opgemerkt dat van blijvende gevolgen van het schotletsel zoals die door klager worden gesteld niet is gebleken.

Beklaagde en zijn raadsvrouw hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het vuurwapengebruik van beklaagde gezien de Ambtsinstructie wel geoorloofd was, subsidiair dat er sprake is van verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de Ambtsinstructie.

5.3

Het hof heeft tijdens de raadkamerzitting van 14 januari 2015 – alvorens een beslissing te nemen – een aantal vragen geformuleerd aan de advocaat-generaal met het verzoek nadere informatie te verstrekken, zoals geformuleerd in het proces-verbaal van die zitting. Naar aanleiding daarvan is een aanvullend proces-verbaal door de Rijksrecherche opgemaakt en daaruit blijkt onder meer dat beklaagde was getoetst en gecertificeerd voor het gebruik van een vuurwapen. Beklaagde heeft naar aanleiding van deze situatie bijscholing gekregen van docenten van het IBT. De IBT docent merkt op dat het resultaat van de door beklaagde gevolgde modules in vergelijking met anderen bovengemiddeld is en dat beklaagde nooit voor een toets is gezakt. De IBT docent heeft verklaard dat het voor een IBT deelnemende politieambtenaar niet altijd helder is welke situaties onder de term ‘ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer’ vallen. De IBT docent kan zich goed voorstellen dat gezien de complexheid van dit onderdeel de beklaagde heeft gemeend dat hij gerechtvaardigd was om in de onderhavige situatie te schieten. De IBT docent heeft voorts verklaard dat juist naar aanleiding van deze casus er nu tijdens de instructie meer en gericht aandacht wordt geschonken aan de Nota van Toelichting.

Er is geen disciplinaire straf aan beklaagde opgelegd. Er heeft wel een reactie naar beklaagde plaatsgevonden met een verplichtend karakter dat niet zozeer gericht was op sanctionering maar meer op het aanscherpen van de vaardigheden, aldus de rapportage van de Rijksrecherche.

5.4

Het hof realiseert zich dat het achteraf oordelen over een situatie als de onderhavige, met meer en andere kennis dan welke beschikbaar was op het actuele moment waarop beklaagde zich in die situatie begaf en moest beslissen binnen een fractie van het moment, niet eenvoudig is.

Doorslaggevend voor de beoordeling van de vraag of beklaagde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

was om klager aan te houden en daarbij gerechtigd was zijn vuurwapen te gebruiken ter aanhouding van de verdachte, is of beklaagde i.c. in redelijkheid kon en mocht menen, dat hij zich in een situatie bevond als beschreven in artikel 7.1.b. van de Ambtsinstructie, meer in het bijzonder of hij kon menen dat sprake was van verdenking van een zodanig ernstig strafbaar feit als bedoeld in de Ambtsinstructie en dat sprake was van een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, waardoor dat gebruik gerechtvaardigd was en dat dit ook noodzakelijk was en voldeed aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Daartoe acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 7 september 2013 kwam bij de politiemeldkamer tijdens de nachtelijke uren een melding binnen van een inbraak in een woning. Volgens deze melding van de bewoonster van genoemde woning zou op dat moment worden ingebroken. Zij hoorde breekgeluiden en glasgerinkel. Er zouden twee, mogelijk meerdere verdachten aanwezig zijn in de woning, die volgens haar de trap opkwamen. De bewoonster was alleen thuis en gaf aan onder de omstandigheden bijzonder angstig te zijn.

De politie eenheid [eenheid] werd aan het incident gekoppeld en door de meldkamer werd aan de zich ter plaatste begevende agenten doorgegeven wat de berichten van de inbellende bewoonster waren.

Bij het genoemde adres zagen de agenten, onder wie beklaagde, een ingeslagen ruit en meerdere personen uit de richting van de woning komen. Er diende dus rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte(n) beschikten over een hard voorwerp waarmee een ruit kon worden ingeslagen. Vanaf het moment dat de politiemensen de verdachten in zicht kregen is door hen geen verdere aanvullende informatie meer van de meldkamer ontvangen, zodat omtrent de feitelijke situatie in de woning op dat moment geen zekerheid bestond.

Hoewel daarvoor geen concrete aanwijzingen waren heeft beklaagde ter zitting verklaard dat hij in het achterhoofd – gegeven de situatie – rekening hield met de mogelijkheden dat de verdachten bewapend waren.

Door één van de politiemensen werd te voet een achtervolging ingezet achter een van de verdachten. Deze heeft, na herhaaldelijk roepen dat de verdachte moest stoppen een waarschuwingsschot gelost en vervolgens getracht een aanhoudingsschot te lossen. Dit laatste is echter vanwege een storing met zijn vuurwapen niet gelukt. Ondertussen was zijn collega, beklaagde, met het politievoertuig in de richting van deze zelfde verdachte gereden. Toen de verdachte trachtte via het weiland weg te vluchten is beklaagde uit zijn voertuig gestapt en heeft ook hij een waarschuwingsschot gelost nadat hij herhaaldelijk had geroepen dat de verdachte moest stoppen. Hierna heeft hij een gericht aanhoudingsschot gelost waarbij de verdachte werd geraakt, viel en in het weiland bleef liggen. De verdachte bleek later een in- en uitschot in zijn rechter bovenbeen te hebben.

Achteraf is gebleken dat er geen geweld, dreiging met geweld tegen - of feitelijk contact tussen verdachten en bewoonster is geweest en dat klager niet beschikte over een wapen of een voorwerp waarmee angst ingeboezemd kon worden.

Het hof is dan ook van oordeel dat achteraf is komen vast te staan dat niet volledig sprake was van een situatie als beschreven in artikel 7.1.b. van de Ambtsinstructie.

Het hof meent evenwel dat beklaagde in het korte moment waarop hij moest beslissen over het afvuren van een waarschuwingsschot, gevolgd door een aanhoudingsschot, gelet op de hem ter beschikking staande informatie en de door hem aangetroffen situatie ter plaatse, verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de feitelijke situatie van het moment. Naar het oordeel van het hof kon beklaagde in redelijkheid menen dat het vuurwapengebruik in de door hem veronderstelde situatie gerechtvaardigd was.

Het hof deelt niet de visie van het openbaar ministerie dat er sprake is van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de Ambtsinstructie.

Naar het oordeel van het hof is voor strafbaarheid geen plaats wanneer de gedraging wordt verontschuldigd door een bij de dader aanwezige onjuiste voorstelling van

zaken ten gevolge van een dwaling ten aanzien van de feitelijke realiteit.

Het hof acht aannemelijk dat bij een voorlegging van deze zaak aan de strafrechter beklaagde zich om die reden met vrucht op een strafuitsluitingsgrond zou kunnen beroepen.

Mede gelet op de beantwoording van de vragen die het hof zich gesteld zag en de verklaring van beklaagde, alsmede de toelichting in het aanvullend proces-verbaal van de Rijksrecherche, waaruit onder meer blijkt dat met beklaagde na dit incident gesprekken zijn gevoerd met betrekking tot de geldende regelgeving en voorschriften, acht het hof – alles afwegende – een voorlegging van deze zaak aan een strafrechter niet aangewezen.

Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken de overige vragen, zoals die naar de proportionaliteit, geen verdere bespreking behoeven.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

7. De beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 4 augustus 2015 door mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. A.W. Beelaerts van Blokland en mr. N. Zandbergen, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Kiela, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.