Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2143

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
200.161.026/01 en 200.161.028/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13324
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Welk vermogen behoort tot het te verrekenen vermogen. Vrouw heeft overgespaard inkomen voor een bedrag van € 360.000 verkeerd belegd. Geen rechtsgrond dat zij de helft van de vervlogen belegging alsnog aan de man moet voldoen.

Waarderingsgrondslag ondernemingsvermogen. De advocaten moeten het hof nader informeren omtrent de waarderingsgrondslag. Benoeming van een deskundige voor de vaststelling van de waarde van de onderneming. Een regie zitting. Hof vraagt conform 22 RV stukken op met betrekking tot de vennootschappen en het pensioen in eigen beheer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/133 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
PFR-Updates.nl 2015-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 juli 2015

Zaaknummer : 200.161.026/01 en 200.161.028/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 13-6653 en FA RK 14-2121

Zaaknummers rechtbank : C/09/449550 en C/09/462556

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Moszkowicz te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 9 december 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 september 2014 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 23 januari 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 9 maart 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 7 april 2015 een brief van 3 april 2015 met bijlagen;

- op 10 april 2015 een brief van diezelfde datum;

- op 14 april 2015 een brief van 10 april 2015 met bijlagen;

- op 15 april 2015 een brief van diezelfde datum;

- op 16 april 2015 een brief van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de man:

  • -

    op 7 april 2015 een akte houdende aanvullend verweer/ verzoeken tevens akte overlegging producties;

  • -

    op 8 april 2015 een faxbericht van diezelfde datum.

- op 14 april 2015 een brief van diezelfde datum;

- op 15 april 2015 een brief van diezelfde datum.

De zaak is op 17 april 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de vrouw, bijgestaan door zijn kantoorgenote mr. H.Kashefi-Majd;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover in hoger beroep van belang – :

  • -

    bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, uitvoerbaar bij voorraad, tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 475,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

  • -

    de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 11.287,25 in verband met de door de man noodzakelijk gemaakte onderhoudskosten met betrekking tot de woning te [woonplaats] , te voldoen binnen twee weken na betekening van deze beschikking;

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 180.250,- zulks ten titel van vergoeding van de schade die de man door het onrechtmatig handelen van de vrouw jegens hem heeft geleden, te voldoen binnen twee weken na de datum van deze beschikking;

  • -

    afgewezen het vrouw om vergoeding door de man aan de vrouw een bedrag van €40.000,-.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheiding is op [in] 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, eventueel onder verbetering en/of aanvulling van de gronden:

  • -

    het verzoek van de man aangaande de matiging van de partneralimentatie vanwege de aantasting van de lotsverbondenheid alsnog af te wijzen;

  • -

    te bepalen dat de man een partneralimentatie aan de vrouw zal voldoen van € 17.820,- per maand, dan wel een bijdrage als het hof juist acht;

  • -

    het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 11.287,25 aan de man in verband met onderhoudskosten met betrekking tot de woning te [woonplaats] , alsnog af te wijzen;

  • -

    te bepalen dat de Porsche aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting om de helft van € 67.500,- althans de helft van € 52.500,-, althans de helft van een door een deskundige te taxeren waarde aan de vrouw te voldoen;

  • -

    het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 180.250,- aan hem op grond van onrechtmatige daad alsnog af te wijzen;

  • -

    de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 43.959,22, zulks ten titel van vergoeding van hetgeen de man ten bate van zichzelf heeft onttrokken aan het vermogen van de vrouw, althans aan het vermogen van de vrouw had dienen toe te voegen;

  • -

    de man te veroordelen om te bewerkstelligen dat [naam] B.V. een door het hof te bepalen bedrag zal betalen aan een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar ter zake van pensioenverevening;

  • -

    de man de veroordelen om te bewerkstelligen dat [naam] B.V. een door het hof te bepalen bedrag zal betalen aan een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar ter afstorting van de ten behoeve van haar opgebouwde pensioenreserves;

onder bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, in hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

4. In het incidentele hoger beroep verzoekt de man het hof

- de bestreden beschikking, voor zover aan het hof voorgelegd, te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad en op de gronden ter zake voormeld, opnieuw rechtdoende:

o primair: het verzoek van de vrouw tot verkrijging van een bijdrage in haar levensonderhoud af te wijzen, dan wel

o subsidiair: indien en voor zover het primair verzochte niet kan worden toegewezen, de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen, dan wel de hoogte en de duur van door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in het levensonderhoud te matigen naar een bedrag en te limiteren tot een termijn korter dan 12 jaar als het hof in goede justitie redelijk acht;

  • -

    primair: de vrouw te veroordelen om de man te betalen een bedrag van € 180.250,- zulks binnen twee weken na betekening van de te dezen te geven beschikking in hoger beroep, dan wel

  • -

    subsidiair: indien en voor zover het primair verzochte niet kan worden toegewezen, de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen, mét bepaling dat die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn;

  • -

    de bestreden beschikking ten aanzien van de veroordeling van de vrouw om aan de man € 11.287,25 te betalen, te bekrachtigen, mét bepaling dat die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn;

  • -

    de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 57.500,- ten titel van vergoeding van door de vrouw uit de levenslooprekeningen van partijen onttrokken gelden voor privé gebruik;

  • -

    een deskundige, zijnde een register valuator geregistreerd bij het Nederlands Instituut voor Register Valuators, te benoemen die als opdracht zal krijgen de waarde per 13 december 2011 te bepalen van de door de vrouw gehouden aandelen in [naam] B.V. en de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag ter grootte van de helft van die waarde.

Kosten rechtens.

5. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de man in zijn incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hetgeen door de man is verzocht af te wijzen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden. Kosten rechtens.

6. In zijn aanvullend verzoek verzoekt de man bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht, dan wel vast te stellen, dat de vrouw sedert 6 oktober 2014, danwel subsidiair sedert 19 december 2014, danwel meer subsidiair met ingang van een door het hof te bepalen datum, met de heer [naam] samenleeft als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Voorts verzoekt de man, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van €10.556,07 ten titel van vergoeding van door de man gemaakte kosten voor het onderzoek door [naam] B.V.

Partneralimentatie

7. De vrouw heeft haar grieven ter zake van de partneralimentatie in zoverre ingetrokken dat slechts nog in geschil is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 475,- per maand over de periode van 6 oktober 2014 tot 30 maart 2015. De vrouw stelt dat zij met ingang van 30 maart 2015 is gaan samenwonen met haar nieuwe partner en derhalve met ingang van 30 maart 2015 niet langer aanspraak maakt op partneralimentatie. Over de periode van 6 oktober 2014 tot 30 maart 2015 verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te bekrachtigen.

8. De man stelt dat de vrouw al eerder dan 30 maart 2015 is gaan samenwonen met haar nieuwe partner. Om dit te bewijzen heeft de man onderzoeksbureau [naam] B.V. ingeschakeld en heeft hij de vrouw van 19 december 2014 tot en met 2 april 2015 laten volgen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de vrouw in ieder geval al vanaf 19 december 2014 samenleefde met haar nieuwe partner als ware zij gehuwd, aldus de man. De man heeft ter zitting verklaard slechts akkoord te kunnen gaan met een partneralimentatie van € 475,- per maand over voornoemde periode indien de vrouw de helft van de kosten van het onderzoeksbureau zal dragen. Nu partijen ter zitting hier geen overeenstemming over hebben bereikt, zal het hof een beslissing geven.

9. Het hof overweegt als volgt. Het hof zal het verzoek van de vrouw om vaststelling van een partneralimentatie ten laste van de man afwijzen. Het hof is van oordeel dat de vrouw zowel haar behoefte als haar behoeftigheid niet danwel onvoldoende heeft aangetoond. De vrouw heeft haar grieven ter zake de partneralimentatie ingetrokken en verzoekt thans om een bijdrage van € 475,- per maand. De vrouw onderbouwt niet waarom zij specifiek aan dit bedrag nog behoefte heeft terwijl zij eerder een behoefte stelde te hebben van € 17.820,- per maand. De vrouw maakt niet inzichtelijk hoe zij in haar levensonderhoud voorziet waardoor voor het hof niet is vast te stellen of er werkelijk een behoeftigheid respectievelijk behoefte is van € 475,- per maand. Het hof betrekt in haar oordeel tevens de omstandigheid dat de vrouw is gaan samenwonen met haar nieuwe partner. Hoewel de vrouw stelt dat zij pas op 30 maart 2015 is gaan samenwonen, is naar het oordeel van het hof niet exact na te gaan wanneer de vrouw is gaan samenwonen. Immers uit het rapport van het door de man ingeschakelde onderzoeksbureau blijkt dat de vrouw reeds voorafgaand aan 30 maart 2015 veelvuldig in de woning van haar nieuwe partner verbleef. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat de vrouw reeds op 2 maart 2015 naar de notaris is gegaan om een samenlevingsovereenkomst op te maken en dat de vrouw het hof en de man hierover pas op 16 april 2015 heeft geïnformeerd nadat het door de vrouw verzochte uitstelverzoek was afgewezen. Deze feiten in onderlinge samenhang bezien leiden ertoe dat de door de vrouw gecreëerde onduidelijkheid omtrent haar samenwoning en de wijze waarop zij in haar behoefte kan voorzien voor rekening van de vrouw dienen te komen. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de vrouw over de periode van 6 oktober 2014 tot 30 maart 2015 in haar eigen levensonderhoud kon voorzien.

10. Ter zake de door de man gemaakte kosten van het onderzoeksbureau overweegt het hof als volgt. Gelet op het oorspronkelijke verzoek van de vrouw tot betaling van een partneralimentatie van €17.280,- per maand acht het hof de beslissing van de man om een onderzoeksbureau in te schakelen in de gegeven omstandigheden begrijpelijk. Nu de vrouw al geruime tijd samenwoonde danwel wist dat zij zou gaan samenwonen met ingang van 30 maart 2015, had van de vrouw verwacht mogen worden dat zij hierover reeds eerder duidelijkheid aan de man zou hebben geschapen. De man had dan geen onderzoekbureau in hoeven schakelen. De keuze van de vrouw om de man hierover pas enkele dagen voor de zitting in hoger beroep te informeren en pas nadat zij al was gaan samenwonen, dient voor rekening van de vrouw te komen op grond waarvan het hof de vrouw zal veroordelen in de kosten van het onderzoek. De kosten van het onderzoek stelt het hof vast op € 10.556,07.

11. De grieven 2 tot en met 5 behoeven geen bespreking, nu de vrouw deze heeft ingetrokken.

Reparatie van de woning

12. De man heeft onderhoudswerkzaamheden aan het rieten dak van de voormalige echtelijke woning in [woonplaats] laten verrichten. Door de rechtbank is de vrouw veroordeeld tot betaling van de helft van deze kosten nu het reparatiekosten betreft aan een gemeenschappelijk woning. De kosten van de reparatie bedroegen € 22.574,49. De vrouw betwist de noodzaak en de hoogte van de onderhoudskosten.

13. Het hof overweegt als volgt. Uit hetgeen door de man ter zitting onbestreden is gesteld, is het hof van oordeel dat de reparatie van het dak noodzakelijk was. Voorts staat onbestreden vast dat de man de vrouw schriftelijk heeft geïnformeerd over de reparatie en de kosten daarvan en de vrouw daarbij heeft uitgenodigd om een tweede deskundige in te schakelen voor een second opinion. De vrouw heeft nagelaten hierop te reageren. Nu de man zorg diende te dragen voor het onderhoud van de woning heeft de man het dak terecht laten repareren. Aangezien de woning voor de helft in eigendom van de vrouw is, is de vrouw gehouden voor de helft bij te dragen in de kosten. Het hof verwerpt de grief van de vrouw en zal de bestreden beschikking te dienaangaande bekrachtigen.

14. De man verzoekt in incidenteel appel de beschikking ter zake de veroordeling van de vrouw in de helft van de kosten van de reparatie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof zal dit verzoek van de man toewijzen nu de man gebaat is bij een spoedige betaling door de vrouw.

Waarde van de Porsche

15. Ten tijde van het huwelijk is een auto van het merk Porsche aangekocht. De vrouw heeft verklaard dat zij deze auto voor de man heeft gekocht. Nu de man de feitelijke beschikkingsmacht over de auto heeft, gaat het hof er vanuit dat de man de eigendom over de auto heeft. Partijen twisten over de waarde van de Porsche. De vrouw stelt dat de waarde van de Porsche €52.500,- bedraagt. De man heeft ter zitting gesteld dat de waarde van de Porsche € 40.000,- bedraagt.

16. Het hof overweegt als volgt. Het hof kan niet vaststellen wat de waarde van de Porsche is en zal derhalve in redelijkheid de waarde van de Porsche vaststellen op het gemiddelde van de door partijen gestelde waarde, hetgeen neerkomt op € 46.250,-.

Vordering van de man op de vrouw van € 180.250,-

17. De rechtbank heeft op grond van een vordering uit onrechtmatige daad de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 180.250,-, zijnde de helft van € 360.500,-. De vrouw heeft dit vermogen belegd. Het beleggingsresultaat was nihil. De rechtbank heeft overwogen dat de man door het onttrekken van het vermogen schade heeft geleden en de vrouw derhalve onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld.

18. De vrouw betwist dat zij een bedrag van €360.500,- aan het privévermogen van partijen heeft onttrokken en stelt dat dit bedrag afkomstig was van de vennootschappen van partijen. Nu de onttrekking geen privéonttrekking betreft, is er geen sprake van een onrechtmatige daad jegens de man en heeft de man ook geen schade ondervonden. De vordering van de man tot betaling van een bedrag van €180.250,- dient derhalve alsnog te worden afgewezen.

19. De man stelt dat wel degelijk sprake is geweest van privé onttrekkingen en specificeert in zijn verweerschrift dat de vrouw een bedrag van € 1.053.375,- heeft onttrokken van de ondernemingen en een bedrag van € 360.500,- van het privévermogen van partijen. De vrouw dient dit bedrag aan de man te vergoeden uit hoofde van de verrekenplicht, zoals opgenomen in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. Ter zitting is door de advocaat van de man aanvullend verklaard dat het betreffende privévermogen is gevormd uit overgespaarde inkomsten.

20. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet bewezen dat voornoemd bedrag enkel is onttrokken aan de vennootschappen van partijen. Nu op de vrouw de bewijslast rust van haar stelling en de vrouw hier niet in slaagt, zal het hof uitgaan van de gemotiveerde stelling van de man dat het geld afkomstig was uit het privévermogen van partijen. Ter zitting is door de man desgevraagd verklaard dat het vermogen op deze privérekening is gevormd door overgespaard inkomen en dat niet meer is te achterhalen waar deze gelden precies vandaan komen. Het hof stelt derhalve vast dat het door de vrouw aangewende vermogen om mee te beleggen klaarblijkelijk overgespaard inkomen betrof. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij het overgespaarde inkomen jaarlijks zullen verrekenen. Partijen hebben aan dit beding geen uitvoering gegeven, zodat het aanwezige overgespaarde niet gedeelde inkomen nog tussen hen moest worden verrekend. Nu sprake is van gemeenschappelijk overgespaard inkomen op een gemeenschappelijke bankrekening, was de vrouw bevoegd om over die rekening en het saldo daarvan te beschikken. Aangezien het beleggingsresultaat nihil was, staat daarmee vast dat het betreffende bedrag van € 360.500,- aan overgespaard inkomen op de peildatum niet langer aanwezig was en er derhalve niets meer te verrekenen is. Er is niet sprake van onttrekking door de vrouw aan het vermogen van de man ten bate van haar zelf. Het is niet gesteld noch gebleken dat de vrouw een positief beleggingsresultaat niet met de man zou hebben willen delen. Nu de man geen beroep op benadeling heeft gedaan ex artikel 1:139 BW- daargelaten of aan de voorwaarden voor toepassing daarvan zou zijn voldaan - ontbreekt de grondslag voor het door de man gedane verzoek en zal het hof de bestreden beschikking te dien aangaande vernietigen.

21. Gelet op het vorenstaande behoeft de incidentele grief van de man ter zake de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring geen bespreking.

Vordering van de vrouw op de man van € 40.000,-

22. De man heeft een bedrag van € 40.000,- onttrokken aan de privérekening van de vrouw. De man dient dit bedrag aan de vrouw te vergoeden, aldus de vrouw. De vrouw bestrijdt de stelling van de man dat hij voornoemd bedrag heeft aangewend voor de betaling van de dividendbelasting over 2011.

23. De man verwijst naar de brief van 4 juli 2012 waaruit, zo stelt de man, ondubbelzinnig blijkt dat het bedrag van €40.000,- onderdeel was van de te betalen dividendbelasting van in totaal € 95.750,-. Voorts bestrijdt de man dat het bedrag toebehoorde tot het privévermogen van de vrouw en stelt hij dat er sprake was van gemeenschappelijk vermogen.

24. Het hof overweegt als volgt. Indien de vrouw vergoeding verzoekt van een bedrag van € 40.000,-, ligt het op de weg van de vrouw om aan te tonen dat het betreffende bedrag toebehoorde tot het privévermogen van de vrouw. De vrouw heeft dit niet aangetoond, zodat het hof het er voor houdt - in het licht van het hiervoor overwogene - dat sprake is van overgespaard inkomen en de vrouw derhalve evenmin een vergoedingsrecht heeft op de man. De grief van de vrouw slaagt niet. Het hof zal de bestreden beschikking te dienaangaande bekrachtigen.

Vordering salaris

25. De vrouw stelt dat na de feitelijke scheiding van partijen op 13 december 2011 de gezamenlijke bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] is voortgezet en dat het salaris van de vrouw over de maanden december 2011 tot en met november 2012 op deze rekening is gestort. De man heeft deze salarisbetalingen niet dan wel slechts gedeeltelijk naar de privérekening van de vrouw overgemaakt. De man heeft aldus een bedrag van € 43.959,22 aan het vermogen van de vrouw onttrokken ten bate van zichzelf en dient voormeld bedrag aan de vrouw te vergoeden.

26. De man stelt primair dat dit verzoek niet door de vrouw voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Indien de vrouw wel wordt ontvangen in haar verzoek stelt de man dat hij niet verantwoordelijk is voor het al dan niet opnemen van het salaris door de vrouw. De vrouw had toegang tot de gezamenlijke bankrekening van partijen en kon derhalve beschikken over het geld. Voor zover de man in zijn administratie heeft kunnen nagaan heeft de vrouw de bedragen waar zij recht op had ontvangen en is zij, zoals gebruikelijk ten tijde van het huwelijk, voor de helft blijven bijdragen in de kosten van de huishouding.

27. Het hof overweegt als volgt. De vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek, nu dit verzoek voldoende connexitieit heeft met haar verzoek in eerste aanleg. Ter zitting is door de advocaat van de vrouw erkend dat de vrouw vrijelijk kon beschikken over de gemeenschappelijke rekening. Voorts is niet bestreden dat het gebruikelijk was dat partijen deelden in de kosten van de huishouding. Nu de man de stelling van de vrouw gemotiveerd heeft bestreden en de vrouw haar stelling dat de man vermogen van de vrouw ten bate van zichzelf heeft onttrokken niet nader heeft onderbouwd slaagt de grief van de vrouw niet en zal deze worden verworpen.

Levenslooprekening

28. De man stelt dat de vrouw een bedrag van € 65.000,- heeft onttrokken aan de levenslooprekening van de man en een bedrag van € 50.000,- aan de levenslooprekening van de vrouw. Deze levenslooprekeningen zijn gefinancierd uit overgespaard inkomen op grond waarvan de man jegens de vrouw een recht op vergoeding van € 57.500,- heeft. De man bestrijdt de stelling van de vrouw dat zij hier een Porsche voor heeft gekocht. Maar al zou de vrouw dit gedaan hebben, dan nog lijdt de man schade, nu de waarde van de Porsche veel lager is, aldus de man.

29. De vrouw stelt dat er geen verschuiving tussen de vermogens van partijen heeft plaatsgevonden en de vrouw derhalve geen vergoedingsplicht jegens de man heeft. Tevens stelt de vrouw dat een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden aangezien zij voor het opgenomen geld een Porsche heeft gekocht, die eveneens tot het te verreken vermogen behoort.

30. Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is door partijen verklaard dat het geld afkomstig van de levenslooprekening op de peildatum niet langer aanwezig was. Dit leidt ertoe dat voornoemde bedragen op de peildatum niet meer tot het te verrekenen vermogen behoren en niet tussen partijen verrekend behoeven te worden. Nu eveneens vaststaat dat sprake was van overgespaard inkomen stelt het hof vast dat geen sprake is van een vermogensverschuiving tussen partijen in die zin dat het privévermogen van de ene partij is verschoven naar het privévermogen van de andere partij. Er bestaat derhalve geen grondslag voor vergoeding, zodat het hof het verzoek van de man zal afwijzen.

Pensioenafstorting

31. De vrouw stelt dat er sprake is van een in eigen beheer van [naam] B.V. opgebouwde pensioenaanspraak van zowel de man als de vrouw. De vrouw heeft op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding recht op een deel van de pensioenaanspraken van de man. De man dient ter afstorting van de pensioenaanspraken van de vrouw een door het hof te bepalen bedrag aan een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar uit te keren. Tevens verzoekt de vrouw afstorting van haar eigen pensioenaanspraak.

32. De man stelt primair dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek nu zij in eerste aanleg heeft verzocht om verevening van de pensioenen en dit ook is toegewezen. Het rechtsmiddel hoger beroep is niet gegeven om aan een partij wier verzoek is toegewezen, de gelegenheid te bieden de door haar gevraagde beslissing ongedaan te maken, aldus de man. Indien de vrouw wel wordt ontvangen in haar verzoek stelt de man dat het verzoek alsnog dient te worden afgewezen, omdat de vrouw aandeelhouder is van [naam] B.V. en daarmee betrokken is bij de onderneming, zodat afstorting niet nodig is. Indien en voorzover afstorting zou worden toegewezen kan dit slechts voor zover de verplichte uitkeringstoets dat toelaat en dient bovendien slechts afstorting plaats te vinden van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen.

33. Gelet op de verstrekkende gevolgen voor de onderneming om het pensioen af te storten is ter zitting door de advocaat van de vrouw gesteld dat deze grief mogelijk zal worden ingetrokken. Aan de advocaat van de vrouw is de gelegenheid geboden om hier na de zitting uitsluitsel over te geven. De advocaat van de vrouw heeft na de zitting telefonisch aan het hof bericht dat de grief toch zal worden gehandhaafd.

34. Het hof overweegt als volgt. Het hof zal de vrouw ontvangen in haar beroep nu het hoger beroep ook de mogelijkheid geeft tot verbetering en aanvulling van hetgeen een partij in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. De vrouw verzoekt het hof een bedrag te vast te stellen dat uit hoofde van de pensioenverevening ten behoeve van de vrouw dient te worden afgestort. Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde stukken niet in staat om vast te stellen of afstorting mogelijk is en zo ja tot welk bedrag. Het hof zal de beslissing ter zake de pensioenverevening en de pensioenafstorting aanhouden tot na de nader te bepalen regiezitting.Tijdens deze regiezitting zal het hof met partijen en de hierna te benoemen deskundige (de mogelijkheid van) de pensioenafstorting nader bespreken.

Aandelen

35. De man verzoekt de vrouw te veroordelen om aan hem te betalen de helft van de - door een deskundige te bepalen - waarde van haar aandelen in [naam] B.V. De vrouw stelt dat de onderneming een negatieve waarde behelst en er geen grond bestaat voor verrekening van de waarde van de aandelen in de holding.

36. Het hof overweegt als volgt. Ter zitting hebben partijen aan het hof verzocht een deskundige te benoemen aan te wijzen door het hof. Het hof zal een deskundige benoemen om vast te stellen wat de waarde is van de aandelen in [naam] B.V.. Tot deskundige wordt benoemd de heer mr. drs. C.F.N.M. de Boer register accountant (RA) en register valuator (RV).

37. Beide partijen zijn ter zitting door het hof gevraagd op welke wijze de aandelen in [naam] BV dienen te worden gewaardeerd en wat de grondslag dient te zijn van de waardering van het ondernemingsvermogen. Ter zitting konden de advocaten van partijen hier geen uitsluitsel over geven waarop met partijen is afgesproken dat de waarderingsgrondslagen worden besproken op de nog te houden regiezitting. Het hof wenst wel van partijen 14 dagen voor de nog nader te bepalen zitting een brief te ontvangen waarin zij aangeven voor welke grondslag zij opteren zodat tijdens de regiezitting hierover gedebatteerd kan worden.

In het geding brengen van stukken op grond van

artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

38. In het kader van het deskundige onderzoek dient de man binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking de navolgende stukken in het geding te brengen:

  • -

    de aangifte Inkomstenbelasting over de afgelopen drie jaar;

  • -

    de aangifte Vennootschapsbelasting van [naam] B.V. over de afgelopen drie jaar;

  • -

    de jaarrekeningen van [naam] B.V. over de afgelopen drie jaar;

  • -

    de statuten van [naam] B.V. ;

  • -

    een recent uittreksel van de Kamer van Koophandel van [naam] B.V..

  • -

    de aangifte Vennootschapsbelasting van [naam] B.V. en [naam] B.V. over de afgelopen drie jaar;

  • -

    de jaarrekeningen van [naam] B.V. en [naam] B.V. over de afgelopen drie jaar;

  • -

    de statuten van [naam] B.V. en [naam] B.V.;

  • -

    een recent uittreksel van de Kamer van Koophandel van [naam] B.V. en [naam] B.V.

  • -

    de pensioenbrieven van het in eigen beheer ten behoeve van beide partijen opgebouwde pensioen.

  • -

    de pensioenberekeningen van het in eigen beheer ten behoeve van beide partijen opgebouwde pensioen over de afgelopen drie jaar.

39. De man dient een afschrift van voornoemde stukken eveneens aan de deskundige en de wederpartij te doen toekomen.

Deskundigenonderzoek

40. De deskundige zal op grond van artikel 98 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris.

41. Met partijen is overeengekomen dat de vragen voor de deskundige zullen worden geformuleerd op een regiezitting alwaar eveneens aanwezig zal zijn mr. drs. C.F.N.M. de Boer RA en RV.

42. Het hof acht het eveneens gewenst dat de accountant van de vennootschap van de man tijdens de regiezitting aanwezig is. Het hof gaat ervan uit dat de man zorg draagt voor de oproeping van de accountant.

Aansprakelijkheid deskundige

43. De deskundige wenst zijn opdracht alleen te aanvaarden indien zijn algemene leveringsvoorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.

44. De deskundige dient binnen twee weken na deze beschikking zijn leveringsvoorwaarden te doen toekomen aan het hof, aan de man en aan de vrouw.

45. Partijen dienen tijdens de regiezitting zich uit te laten over de vraag of zij zich gebonden achten aan de leveringsvoorwaarden.

Klachten over de deskundige

46. De deskundige, een register accountant en register valuator, dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrag- en beroepsregels.

47. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is - na partijen en de deskundige te hebben gehoord - te beoordelen of die partij conform artikel 198 lid 3 Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

Deskundige

48. Het staat de deskundige vrij om tijdens zijn onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling tot de mogelijkheden behoort.

49. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet, zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Kosten deskundige

50. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 250,- exclusief BTW. De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren en verrichtingenstaat. Het hof zal, alvorens over te gaan tot uitbetaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal overgaan tot uitbetaling.

51. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 18.500, - inclusief omzetbelasting. Het hof acht het redelijk dat partijen dit voorschot voorlopig ieder voor de helft deponeren. Hiertoe ontvangt de man separaat een factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies. De deskundige zal met zijn onderzoek aanvangen nadat de griffier van het hof hem heeft bevestigd dat voormeld voorschot door het LDCR is ontvangen.

Deskundigenbericht

52. Het deskundigenbericht dient binnen vier maanden na de regiezitting met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

53. Indien de advocaten en/of de deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw mr. M. Braat (tel. nr. 070 - 381 1931) en bij haar afwezigheid tot mevrouw A.W.M. Verheijen (tel. nr. 070 - 381 1500).

Regiezitting

54. Voor de nadere uitwerking van de opdracht aan de deskundige vindt een op een nog nader te bepalen datum een regiezitting plaats.

55. Het hof gelast partijen, hun advocaten en de deskundige bij deze zitting aanwezig te zijn. Voorts dient aanwezig te zijn de accountant van de vennootschap.

Identificatiebewijs

56. Ten behoeve van het dossier van de deskundige dienen partijen ter zitting aan de deskundige een kopie van hun paspoort of ander rechtsgeldig identificatiebewijs te verstrekken.

Raadsheer-commissaris

57. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. A.H.N. Stollenwerck.

58. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, met betrekking tot de navolgende onderwerpen: partneralimentatie, de waarde van de Porsche, de door de vrouw aan de man te betalen somma van €180.250, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud alsnog af;

veroordeelt de vrouw om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de eventueel door de man onverschuldigd aan de vrouw betaalde partneralimentatie;

veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen een bedrag van €10.556,07 ten titel van vergoeding van door de man gemaakte kosten voor het [naam] B.V;

bepaalt dat de man ter zake van de verrekening van de waarde van de Porsche auto aan de vrouw dient te betalen de somma van € 23.125,-;

wijst alsnog af het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen ten titel van vergoeding tot betaling van een bedrag van € 180.250,-;

wijst af het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen ten titel van vergoeding tot betaling van een bedrag van € 65.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

benoemt ter zake het pensioen en de waardering van de aandelen in [naam] B.V.. de heer mr. drs. C.F.N.M. de Boer RA en RV, kantoorhoudende te 1131 DL Volendam aan de Julianaweg 190A, tot deskundige;

bepaalt dat de man de in rechtsoverweging 51 verzochte stukken in het geding brengt;

bepaalt dat ieder der partijen binnen veertien dagen na heden ieder de helft het voorschot van € 18.500,- (inclusief omzetbelasting), dient te deponeren. Hiertoe ontvangen zowel de man als de vrouw separaat een factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies;

bepaalt dat de deskundige met zijn onderzoek zal aanvangen nadat de griffier van het hof hem heeft bevestigd dat voormeld voorschot door het LDCR is ontvangen;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. A.H.N. Stollenwerck;

bepaalt een regiezitting op een nog nader te bepalen datum en gelast partijen, hun advocaten, de accountant van de man en de deskundige aanwezig te zijn. Partijen zullen hiervoor nog een afzonderlijke oproep ontvangen;

bepaalt dat de deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed binnen vier maanden na de regiezitting toezendt aan de griffier van dit hof, onder vermelding van zaaknummers 200.061.026/01 en 200.061.028/01;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

houdt iedere verdere beslissing ter zake de waardering van de aandelen en het pensioen aan;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2015.