Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2124

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
BK-14-01486
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:11446, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil

a.of de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd;

b.of terecht een verzuimboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht;

c.bij bevestigende beantwoording van vraag c: of de verzuimboete en de heffingsrente (verder) dienen te worden verminderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1980
V-N Vandaag 2015/1697
V-N 2015/52.7
mr.drs. R. Steenman annotatie in NTFR 2015/2530

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01486

Uitspraak d.d. 29 juli 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 september 2014, nummer SGR 14/1975, betreffende na te vermelden aanslagen en beschikkingen.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag IB/PVV 2010) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000, zonder verrekening van voorheffingen, met inachtneming van een heffingskorting van € 2.853. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 226 (hierna: de boetebeschikking) en € 164 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: de aanslag Zvw 2010) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 15.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 56 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1 en 1.2 vermelde aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt.

1.4

De Inspecteur heeft in twee geschriften uitspraak op de bezwaren van belanghebbende gedaan. Bij brief van 17 februari 2014 heeft hij de bezwaren tegen de aanslag IB/PVV 2010, de aanslag Zvw 2010 en de gelijktijdig met deze aanslagen gegeven beschikkingen heffingsrente afgewezen en het bezwaar tegen de gelijktijdig met de aanslag IB/PVV 2010 gegeven boetebeschikking gedeeltelijk toegewezen. De cijfermatige uitwerking van de beslissing op het bezwaar tegen de boetebeschikking is gegeven in de door de Belastingdienst/Centrale administratie te Apeldoorn verzonden brief van 4 maart 2014. Daarbij is de verzuimboete met € 177 verminderd tot € 49.

1.5

Belanghebbende heeft bij brief van 10 maart 2014, aangevuld bij brief van 7 april 2014, tegen de onder 1.4 vermelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

1.6

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Op 8 juni 2015 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de Inspecteur.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 juni 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

In onderdelen 1.1 tot en met 4 van haar uitspraak heeft de rechtbank de volgende feiten vastgesteld, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“1.1 Eiseres beschikte in het jaar 2010 over een bankrekening bij de [… 1] bank.

In het jaar 2010 is er onder meer een bedrag ad. € 10.375 gestort op genoemde bankrekening en is er € 1.075 naar deze rekening overgemaakt (€ 575 afkomstig van [A] en € 500 van [B] . Uit de rekeningafschriften volgt niet wie deze stortingen heeft verricht en waar deze stortingen op zagen. Uit de rekeningafschriften van die bankrekening blijkt voorts dat in 2010 de volgende betalingen ten behoeve van [C] Makelaars (het bedrijf van de broer van eiseres) zijn verricht:

- op 16 februari 2010 wordt € 392,70 afgeschreven met als omschrijving ‘ [C] Makelaars: posters’

- op 26 april 2010 wordt € 247,00 afgeschreven met als omschrijving ‘Jaloezieën fabriek [D] , [C] makelaars, bestelnummer 56204, bestelling 4 stuks jaloezieën’;

- op 17 mei 2010 wordt € 490,88 afgeschreven ten gunste van [E 1] met als omschrijving ‘ [C] makelaars & Consult. contributie 2e kwartaal, [… 2] ’;

- op 23 juni 2010 wordt € 490,88 afgeschreven ten gunste van [E 1] met als omschrijving ‘contributie 1e kwartaal [C] makelaars & consultants, [Z] ’;

- op 23 juni 2010 wordt € 41,65 afgeschreven ten gunste van [E 1] met als omschrijving ‘Kosten collectieve plaatsing op funda panden mei 2010 [… 1] .

1.2

Eiseres was in de periode 8 mei tot en met 5 november 2010 houder van een Mercedes Benz, C 180 Sport Sedan, bouwjaar 1994. Deze auto had een catalogusprijs van € 29.065.

2. Eiseres is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2010. Deze aangiftes moesten vóór 1 juni 2013 zijn ingediend. Met dagtekening 28 juni 2013 is aan eiseres een herinnering tot het doen van aangiften gestuurd en met dagtekening 2 augustus 2013 is een aanmaning inzake de aangifte IB/PVV verzonden. Hierin stond dat die aangifte uiterlijk 16 augustus 2013 bij verweerder moest zijn ingediend.

3. Verweerder heeft met dagtekening 23 oktober 2013 ambtshalve een aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000. Gelijktijdig is aan eiseres bij beschikkingen € 164 heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 226 wegens het niet dan wel het niet tijdig indienen van de aangifte. Voorts heeft verweerder met diezelfde dagtekening ambtshalve een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2010 naar een bedrag van € 742 vastgesteld. Daarbij is bij beschikking € 56 heffingsrente in rekening gebracht.

4. Op 4 november 2013 heeft eiseres een digitaal bezwaarschrift tegen de in 3 hiervoor vermelde aanslagen en verzuimboete en een digitale aangifte IB/PVV 2010 ingediend. In de aangifte heeft eiseres een verzamelinkomen van nihil vermeld.”

3.2.

Nu partijen geen bezwaren hebben aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor aangehaald, zal ook het Hof van deze feiten uitgaan.

3.3.1.

In aanvulling hierop stelt het Hof het volgende vast.

3.3.2.

In de onder 2.2 genoemde nadere stukken van belanghebbende is een verklaring opgenomen van de heer [H] , de vader van belanghebbende, met onder meer de volgende inhoud:

“Hierbij verklaar ik, de heer [H] (geboren [in] 1953), dat ik mijn dochter [X] (geboren [in] 1983) in het jaar 2010 heb voorzien in de kosten van haar levensonderhoud.

Tot en met medio december 2010 heeft mijn dochter in het ouderlijke huis gewoond. Na haar huwelijk dat op [in] 2010 plaatsvond is zij verhuisd naar de [Y] te ’ [Z] .”

3.3.3.

In de onder 2.2 genoemde nadere stukken van belanghebbende is voorts een overzicht van de RDW opgenomen met betrekking tot de in onderdeel 1.2 van de uitspraak van de rechtbank genoemde auto (hierna: de auto), waarin onder meer is vermeld dat de auto in de periode van 8 mei 2010 tot 5 november 2010 op naam van belanghebbende stond.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil

  1. of de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd;

  2. of terecht een verzuimboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht;

  3. bij bevestigende beantwoording van vraag c: of de verzuimboete en de heffingsrente (verder) dienen te worden verminderd.

Belanghebbende beantwoordt de vragen a. en b. ontkennend en vraag c. bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de vragen a. en b. bevestigend en vraag c. ontkennend.

4.2.

Ter ondersteuning van haar standpunt voert belanghebbende - kort samengevat - het volgende aan.

  1. De bankbetalingen ten behoeve van [C] , de eenmanszaak van haar broer, zijn vanwege de familieband gedaan om haar broer te helpen. Het enkele feit dat deze (geringe) bankbetalingen zijn gedaan rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende werkzaamheden voor [C] heeft verricht.

  2. Uit het strafrechtelijk onderzoek [F] , waaraan de Inspecteur refereert, is niet gebleken dat belanghebbende enige betrokkenheid heeft gehad bij de werkzaamheden van [C] .

  3. De contante stortingen betreffen bijdragen van de ouders van belanghebbende ter voorziening in haar levensonderhoud nu zij in het onderhavige jaar niet heeft gewerkt, onder meer in verband met de voorbereidingen van haar huwelijk.

  4. De in overweging 1.2 van de uitspraak van de rechtbank genoemde auto (hierna: de auto) is in 1994 door de vader van belanghebbende aangeschaft. Haar vader heeft de auto in mei 2010 op haar naam laten zetten, omdat zij de auto tijdelijk zou gebruiken. De auto heeft slechts een korte periode (tot en met november 2010) op haar naam gestaan;

  5. De tenlastelegging die de Inspecteur in hoger beroep heeft overgelegd vormt geen bewijs dat belanghebbende makelaarsactiviteiten heeft verricht.

4.3.

De Inspecteur stelt ter onderbouwing van zijn standpunt - samengevat - het volgende. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar tegen een vergoeding werkzaamheden verricht voor [C] . Dit blijkt uit stortingen op de bankrekening van belanghebbende, betalingen die van de rekening van belanghebbende zijn gedaan ten behoeve van [C] , de omstandigheid dat de auto, naar volgt uit het door belanghebbende overgelegde overzicht van de RDW, in de periode van 8 mei 2010 tot 5 november 2010 op naam van belanghebbende stond, een proces-verbaal van verhoor van belanghebbende in het [F] -onderzoek en de vervolging van belanghebbende waarbij haar oplichting ten laste is gelegd.

4.4

Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat volgens informatie die is opgenomen in het desbetreffende bestand van de Belastingdienst de auto na 5 november 2010 op naam van de vader van belanghebbende heeft gestaan maar dat het bestand voor wat betreft de periode vóór 8 mei 2010 geen informatie met betrekking tot de (de registratie van) de auto bevat.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV 2010 tot een naar belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, vermindering van de aanslag Zvw 2010 tot een bijdrage-inkomen van nihil, dienovereenkomstige herziening van de beschikkingen heffingsrente en vernietiging van de boetebeschikking.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende overwogen:

De aanslag IB/PVV 2010

8. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is bepaald dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Vast staat dat verweerder geen informatiebeschikking heeft afgegeven. Dit brengt mee dat voor toepassing van omkering van de bewijslast verweerder aannemelijk dient te maken dat, zoals verweerder stelt, eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

9. Indien vaststaat dat een belanghebbende pas bij zijn bezwaarschrift tegen de primitieve aanslag de aangifte heeft gedaan en het hem kan worden aangerekend dat hij te laat aangifte heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat niet de vereiste aangifte is gedaan (zie Hoge Raad 2 maart 2007, nr. 42.311, ECLI:NL:HR:2007:AZ9676, BNB 2007/191).

10. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de in 2 hiervoor vermelde aanmaning heeft ontvangen. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij op 1 augustus 2013 de aangifte IB/PVV 2010 bij verweerder heeft ingediend. De rechtbank acht, mede gelet op het feit dat eiseres geen enkel bewijs van tijdige indiening van de aangifte heeft overgelegd, aannemelijk dat verweerder niet eerder dan bij het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2010 de (digitale) aangifte IB/PVV 2010 heeft ontvangen. Gelet hierop heeft eiseres, hoewel daartoe te zijn uitgenodigd, en na daartoe te zijn aangemaand, niet tijdig (i.e. vóór de in de aanmaning gestelde uiterlijke indieningsdatum van 16 augustus 2013) aangifte IB/PVV 2010 gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan het eiseres worden aangerekend dat zij te laat aangifte heeft gedaan. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om tijdig aangifte te doen. De rechtbank is geen enkele omstandigheid gebleken op grond waarvan het eiseres niet is aan te rekenen dat zij niet tijdig aangifte heeft gedaan. Gelet hierop dient eiseres te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar van verweerder onjuist is.

11. Verweerder stelt dat eiseres in het jaar 2010 tegen een vergoeding werkzaamheden heeft verricht voor het makelaarskantoor van haar broer genaamd ‘ [C] ’. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar de in 1 hiervoor vermelde bankbetalingen ten behoeve van [C] en de niet toegelichte bijschrijvingen en stortingen op de bankrekening van eiseres. Verweerder stelt dat de in 1.1 hiervoor vermelde stortingen de vergoedingen voor die werkzaamheden betreffen. Verweerder wijst voorts op het feit dat eiseres in 2010 houder was van de in 1.2 vermelde auto. Gelet hierop is volgens verweerder met € 15.000 een redelijke schatting van het belastbare inkomen uit werk en woning van eiseres gemaakt. Eiseres heeft daartegenover gesteld dat zij in het jaar 2010 door haar familie werd onderhouden en dat uit een rapport genaamd ‘ [G] volgt dat eiseres in 2010 geen inkomsten had. Verweerder heeft over het ‘ [G] rapport’ gesteld dat daarna meer informatie beschikbaar is gekomen over inkomsten van eiseres in het jaar 2010. Wat betreft de auto is verweerder uitgegaan van een bedrag van € 3.550. De rechtbank begrijpt verweerder aldus dat eiseres in 2010 € 3.550 heeft betaald voor die auto en dat zij die aankoop heeft gefinancierd met door haar verzwegen (belastbare) inkomsten.

12. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd te doen blijken dat de uitspraak op bezwaar van verweerder onjuist is. De rechtbank acht, gelet op de betalingen die eiseres in het jaar 2010 voor [C] heeft gedaan, aannemelijk dat zij in 2010 werkzaamheden verrichte voor [C] . De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiseres geen enkele verklaring heeft gegeven voor die betalingen. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat zij een vergoeding heeft ontvangen voor die werkzaamheden. De rechtbank acht het, gelet op het voorgaande, niet onredelijk of willekeurig om aan te nemen dat de in 1 vermelde bedragen, behalve het door eiseres van haar moeder ontvangen bedrag van € 500, verband houden met de werkzaamheden voor [C] . Eiseres heeft met haar enkele stelling, mede gelet op het voorgaande, niet doen blijken dat de ontvangen bedragen door eiseres zijn ontvangen ter voorziening in haar levensonderhoud. Met betrekking tot de auto heeft eiseres geen rekening of betalingsbewijs overgelegd. Met de stelling dat de opbrengst van de verkoop van de auto na het jaar 2010 is gebruikt ter aflossing van belastingschulden van haar vader, doet eiseres niet blijken dat zij die auto niet in 2010 heeft gekocht. Met de omstandigheid dat verweerder de auto bij openbare veiling voor € 800 heeft verkocht, toont eiseres voorts ook niet aan dat het door verweerder in aanmerking genomen bedrag van € 3.550 onjuist is.

13. Toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast mag er niet toe leiden dat de aanslag naar willekeur wordt vastgesteld. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting van de inkomsten (zie Hoge Raad 28 maart 2003, nr. 38.039, ECLI:NL:HR:2003:AF6486, BNB 2003/203).

14. Naar het oordeel van de rechtbank kan de schatting van verweerder niet als willekeurig of onredelijk worden bestempeld. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverwegingen 11 en 12 hiervoor. Hoewel de van haar moeder ontvangen € 500 mogelijk niet ziet op een vergoeding voor werkzaamheden voor [C] , acht de rechtbank het niet onredelijk een dergelijk bedrag toch als verzwegen inkomsten aan te nemen nu niet is uit te sluiten dat eiseres mogelijk meer inkomsten heeft gehad dan de andere in 1.1 vermelde stortingen en bijschrijvingen. Voorts komt het de rechtbank niet onaannemelijk voor dat eiseres in 2010 € 3.550 heeft betaald voor de auto. Dat de auto na het jaar 2010 voor € 800 op een openbare veiling door verweerder is verkocht, maakt de schatting van verweerder niet onredelijk noch willekeurig. Nu niet is gebleken van andere inkomsten is het niet onredelijk aan te nemen dat zij deze auto heeft gefinancierd met niet opgegeven (belastbare) inkomsten. Gelet hierop is de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting. De enkele omstandigheid dat de aanslag IB/PVV 2010 eerst door de administratie van de Belastingdienst is opgelegd en later door verweerder nader is onderbouwd, maakt niet dat dat de aanslag (uiteindelijk) naar willekeur wordt vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat verweerder zijn bewijsmiddelen heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (zie Hoge Raad 1 juli 1992, nr. 26.331, BNB 1992/306). Evenmin is aannemelijk dat verweerder misbruik van het recht heeft gemaakt.

15. Gelet op het voorgaande is de aanslag IB/PVV 2010 terecht en naar een juist bedrag aan eiseres opgelegd.

De aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2010

16. De rechtbank stelt voorop dat eiseres enkel heeft betwist dat zij inkomsten heeft genoten in 2010. Zij heeft niet betwist dat zij in het jaar 2010 verzekeringsplichtige voor de Zvw was. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Zvw is het bijdrage-inkomen van een jaar het gezamenlijke bedrag van onder meer hetgeen door de verzekeringsplichtige in dat jaar is genoten aan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bepaald volgens de regels van afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met uitzondering van de in de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde werkzaamheden. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres in het jaar 2010 tegen een vergoeding werkzaamheden verrichte voor [C] . De rechtbank acht aannemelijk dat, zoals verweerder stelt, de vergoedingen dienen te worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden als hiervoor bedoeld. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het niet aannemelijk is dat een werknemer dergelijke bedragen als vermeld in 1 hiervoor ten behoeve van zijn werkgever betaalt. Verweerder heeft de bijdrage Zvw berekend aan de hand van het percentage voor het jaar 2010 en met een bijdrage-inkomen van € 15.000. Gelet hierop is de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw terecht en naar een juist bedrag aan eiseres opgelegd.

Verzuimboete

17. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de Awr, kan aan de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn heeft gedaan een verzuimboete van ten hoogste € 4.920 worden opgelegd.

In § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is het bedrag van de terzake van een aangifteverzuim bij de inkomstenbelasting op te leggen boete, nader bepaald op € 226. Naar het oordeel van de rechtbank is terecht een verzuimboete aan eiseres opgelegd gelet op hetgeen in 10 hiervoor is overwogen. De rechtbank acht een verzuimboete van € 49 passend en geboden.

Conclusie

18. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep voor zover dat betrekking heeft op de aanslagen en de verzuimboete ongegrond verklaren.

19. Eiseres heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. De rechtbank is niet gebleken dat de bepalingen inzake de heffingsrente onjuist zijn toegepast door verweerder, zodat het beroep in zoverre eveneens ongegrond is.”

Beoordeling van het hoger beroep

Uitstelverzoek

7.1.1.

Bij brief van 4 juni 2015 heeft de gemachtigde van belanghebbende gevraagd om uitstel van de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 17 juni 2015. Daartoe voerde belanghebbende aan dat zij de gemachtigde eerst op 3 juni 2015 heeft verzocht haar bij te staan in de procedure en dat de gemachtigde zich nader in het dossier moest verdiepen. Het Hof heeft het verzoek afgewezen.

7.1.2.

De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat ingeval een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak met redenen te omkleden (vgl. onder meer Hoge Raad 28 januari 2011, nr. 09/04360, ECLI:NL:HR: 2011:BN3529).

7.1.3.

Naar het oordeel van het Hof is het verzoek om uitstel niet tijdig gedaan en is de door belanghebbende aangevoerde reden onvoldoende zwaarwegend, gelet op alle bij de behandeling van de zaak betrokken belangen. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking. Belanghebbende heeft pas enkele weken na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting, die op 11 mei 2015 per aangetekende brief aan haar is gezonden, een gemachtigde ingeschakeld. Een reden voor de late inschakeling van de gemachtigde heeft zij niet gegeven. Zo zij na ontvangst van de uitnodiging zonder dralen is begonnen met het zoeken naar een gemachtigde, had zij het Hof toen al om uitstel van de mondelinge behandeling kunnen vragen. Belanghebbende heeft het Hof echter pas om uitstel van de mondelinge behandeling gevraagd toen het voor het Hof in verband met de wettelijke termijn voor het uitnodigen van partijen niet meer mogelijk was een andere zaak te appointeren.

De aanslagen en beschikkingen heffingsrente

7.2.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht beslist dat de bewijslast op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen omgekeerd en verzwaard dient te worden. Het Hof maakt deze beslissing alsmede de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden tot de zijne.

7.2.2.

Gelijk de rechtbank in onderdeel 13 van haar uitspraak heeft geoordeeld, mag omkering en verzwaring van de bewijslast er niet toe leiden dat de aanslag naar willekeur wordt vastgesteld. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting.

7.2.3.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd de hoogte van zijn schatting van het belastbare bedrag niet zodanig onderbouwd met feitelijke stellingen dat de schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vergelijk Gerechtshof ’s Gravenhage, 7 maart 2006, ELCI:NLGHSGR:2006:AX9422). Het Hof overweegt hiertoe nader als volgt.

7.2.3.2. De veronderstelling van de Inspecteur dat belanghebbende de op haar studentenrekening gestorte bedragen heeft ontvangen als tegenprestaties voor door haar verrichte arbeid vindt geen steun in de feiten, mede gelet op de op zichzelf geloofwaardige verklaringen van belanghebbende en haar vader dat genoemde bedragen bijdragen van haar ouders betroffen om in haar levensonderhoud te voorzien. Het feit dat betalingen van de rekening van belanghebbende zijn gedaan ten behoeve van [C] , maakt dit niet anders. De desbetreffende betalingen zijn gering en, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld onder verwijzing naar de overboeking van € 575 afkomstig van [A] , gedeeltelijk door haar broer terugbetaald. Dat de bankbetalingen ten behoeve van [C] door belanghebbende louter vanwege de familieband zijn gedaan om haar broer te helpen acht het Hof eveneens geloofwaardig.

7.2.3.3. De veronderstelling van de Inspecteur dat belanghebbende een substantieel bedrag heeft betaald voor de auto die in 2010 enige tijd op haar naam heeft gestaan, vindt evenmin steun in de feiten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat, tegenover de verklaring van belanghebbende dat de auto in 1994 is aangeschaft door haar vader en dat zij in de periode mei 2010 tot november 2010 de auto om niet ter beschikking heeft gekregen om naar haar aanstaande echtgenoot in Zwolle te kunnen reizen, de Inspecteur niets anders heeft aangevoerd dan dat hij in zijn systeem niet kan zien op wiens naam de auto stond voordat de auto op naam van belanghebbende werd gesteld.

7.2.3.4. Hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van verhoor van belanghebbende in het kader van het onderzoek ‘ [F] en de omstandigheid dat aan belanghebbende oplichting ten laste is gelegd, zijn evenmin voldoende om op grond daarvan te oordelen dat dat de schatting redelijk is. Naar ’s Hofs oordeel valt daaruit niet af te leiden dat belanghebbende in het onderhavige jaar tegen een vergoeding werkzaamheden heeft verricht voor [C] , nog daargelaten dat belanghebbende, naar zij onweersproken heeft gesteld, is vrijgesproken van hetgeen haar in de strafzaak ten laste is gelegd.

7.2.3.5. De Inspecteur heeft voor zijn schatting geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd en deze zijn ook niet anderszins gebleken.

7.2.4.

Het Hof ziet, mede gelet op het bepaalde in artikel 8:41a juncto artikel 8:108 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het Hof schat, gelet op hetgeen - voor zoveel nodig met omkering en verzwaring van de bewijslast - is komen vast te staan omtrent het belastbaar inkomen uit werk en woning alsmede het bijdrage-inkomen van belanghebbende, beide inkomens op nihil. Derhalve dient met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2010, de aanslag Zvw 2010 en de gelijktijdig met de aanslagen gegeven beschikkingen heffingsrente te worden beslist zoals hierna is aangegeven.

Verzuimboete

7.3.

Het Hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank omtrent de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete en maakt deze beslissing alsmede de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden tot de zijne.

Bewijsaanbod

7.4.

Belanghebbende heeft in de aanvulling van haar hogerberoepschrift te kennen gegeven in de gelegenheid gesteld te willen worden “de gronden van het beroep ter zitting - middels stukken en het horen van getuigen - toe te lichten”. Het Hof passeert dit bewijsaanbod, aangezien het belanghebbende niet in een betere positie kan brengen.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 735 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt à € 490 x 1,5 (gewicht van de zaak)), € 3,40 wegens reiskosten naar de rechtbank en € 3,40 wegens reiskosten naar het Hof, in totaal derhalve op € 741,80.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 45, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 122, in totaal derhalve € 167 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover deze de boetebeschikking betreft;

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze de aanslag IB/PVV 2010, de aanslag Zvw 2010 en de beschikkingen heffingsrente betreffen;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil;

  • -

    vermindert de aanslag Zvw 2010 tot een, berekend naar een bijdrage-inkomen van nihil;

  • -

    vernietigt de beschikkingen heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 741,80; en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 167 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. A. van Dongen en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.G. Detweiler. De beslissing is op 29 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.