Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2122

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
200.164.765/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling. Schending algemene beginselen van procesrecht door kantonrechter. Voorkeur van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/65.21

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 15 juli 2015

Zaaknummer : 200.164.765/01

Rekestnummers rechtbank : EJ VERZ 14-84398 en EJ VERZ 14-90192

Zaaknummers rechtbank : 3101692 en 3585187

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de verzoeker,

advocaat mr. D.H.J. Krouwel te Den Haag.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [rechthebbende] ,

thans verblijvende in [verblijfplaats] ,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. D.F.J. Sol-Thoolen te Den Haag,

2. A&O Bewindvoering & Budgetbeheer,

kantoorhoudende te Alkmaar,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De verzoeker is op 13 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 november 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

De rechthebbende heeft op 27 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de verzoeker op 12 juni 2015 een V-formulier van 11 juni 2015 met bijlagen ingekomen.

De zaak is op 25 juni 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de advocaat van de rechthebbende;

  • -

    namens de bewindvoerder: mevrouw H.H. Daniël-van Randwijk.

Ter zitting is het proces-verbaal van de zitting 13 oktober 2014 bij de rechtbank Den Haag alsmede het proces-verbaal van het verhoor van de rechthebbende van 10 november 2014 door de advocaat van verzoeker overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn – voor zover in hoger beroep van belang – de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en is A&O Bewindvoering & Budgetbeheer voornoemd tot bewindvoerder benoemd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de benoeming van A&O Bewindvoering & Budgetbeheer als bewindvoerder.

2. De verzoeker verzoekt het hof de beschikking ter zake de benoeming van A&O Bewindvoering & Budgetbeheer als bewindvoerder te vernietigen en verzoeker te benoemen tot bewindvoerder over de rechthebbende, kosten rechtens.

3. De rechthebbende bestrijdt het beroep en verzoekt het hof, onder afwijzing van het verzoek van verzoeker, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De verzoeker voert allereerst aan dat bij de behandeling in eerste aanleg sprake was van schending van de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, nu hij het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van 9 oktober 2014, in strijd met het procesreglement pas na de zitting heeft ontvangen. Verder heeft hij geen oproep ontvangen voor de zitting van 10 november 2014 te Parnassia, zodat hij niet kan verifiëren wat daar is gebeurd. Bij gebrek aan wetenschap betwist hij dan ook dat de rechthebbende de uitdrukkelijke wens tot benoeming van A&O Bewindvoering & Budgetbeheer als bewindvoerder (nogmaals) heeft bevestigd. Door zijn schizofrenie is de rechthebbende niet goed in staat zijn wens uit te spreken. Volgens de verzoeker is niet komen vast te staan dat de rechthebbende wilsbekwaam is zodat aan zijn verklaring, als die al is uitgesproken, geen waarde dient te worden gehecht. Als gevolg hiervan dient uit de feiten en omstandigheden te worden afgeleid wie het beste tot bewindvoerder voor hem kan worden benoemd. De verzoeker heeft gedurende zijn hele leven goed contact met de rechthebbende. Hij is het enige familielid dat de rechthebbende bezoekt. De verzoeker kan, ondanks de ziekte van de rechthebbende, redelijk met hem praten. Het kost hem dan echter nog dagen om te achterhalen wat de rechthebbende zou willen. De rechthebbende verblijft al meer dan dertig jaren in Parnassia, en tot een paar dagen voor de zitting in eerste aanleg - vijf maanden na het indienen van het verzoekschrift door de verzoeker - heeft Parnassia nimmer een verzoek tot bewindvoering gedaan. Voorts stelt de verzoeker dat de huidige bewindvoerder, gevestigd in Alkmaar, niet in staat is om met de rechthebbende te communiceren, nu de rechthebbende niet in staat is om naar Alkmaar te reizen en de verzoeker betwijfelt of de huidige bewindvoerder de rechthebbende zal bezoeken in Parnassia. De verzoeker stelt dan ook dat hij als bewindvoerder voor de rechthebbende benoemd dient te worden, nu hij hiertoe het beste in staat is door zijn band met de rechthebbende. Daarnaast bestaan er gegronde redenen die zich tegen benoeming van de huidige bewindvoerder verzetten, nu de rechthebbende niet in staat is zijn voorkeur voor deze bewindvoerder uit te spreken en de huidige bewindvoerder geen communicatie met de rechthebbende kan hebben.

5. De rechthebbende betwist hetgeen de verzoeker stelt. Hoewel de verzoeker pas op de zitting op de hoogte werd gesteld van het verweer en tevens zelfstandig verzoek van de rechthebbende, is daarna voldoende ruimte geweest hierop te reageren. De verzoeker heeft dit ook gedaan. Daarnaast heeft de verzoeker zich na de mondelinge behandeling nog schriftelijk uitgelaten, welke brief ook in de beschikking is meegenomen. De kantonrechter heeft ter zitting aangegeven de rechthebbende aan zijn adres te zullen horen, nu de verzoeker niet wilde geloven dat de rechthebbende niet hem maar de huidige bewindvoerder als bewindvoerder zou wensen. Op 10 november 2014 heeft de kantonrechter de rechthebbende gehoord. De rechthebbende betwist dan ook dat sprake is van schending van een goede procesorde en van het beginsel van hoor en wederhoor. Uit de in eerste aanleg overgelegde medische verklaring volgt dat de rechthebbende, ondanks zijn ziekte, altijd zeer consistent is geweest in zijn uitlatingen omtrent zijn financiële zaken. Daarnaast is de rechthebbende zeer wel in staat zijn mening te vormen ten aanzien van zijn belangenbehartiging. Gezien de consistente houding van de rechthebbende en het oordeel op dit punt van een specialist, moet de rechthebbende – in ieder geval op dit punt – wilsbekwaam worden geacht. De rechthebbende vindt het evenwel lastig de confrontatie met de verzoeker aan te gaan. Op grond van artikel 1:435 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), dient de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene te volgen, tenzij er gegronde redenen zijn die zich tegen een zodanige benoeming verzetten. In de onderhavige zaak is van dit laatste geen sprake. De huidige bewindvoerder is weliswaar gevestigd in Alkmaar, maar houdt eveneens kantoor in [woonplaats] . Daarnaast worden cliënten die niet in staat zijn om naar kantoor te komen, door de bewindvoerder bezocht.

6. Namens de bewindvoerder is ter zitting te kennen gegeven dat zij om de twee maanden bij de rechthebbende langs gaat. Zij heeft de rechthebbende het voorstel gedaan om met de verzoeker een gesprek te hebben in haar aanwezigheid maar de rechthebbende heeft dit voorstel afgeslagen omdat de verzoeker zich naar zijn mening te veel met hem bemoeit op een manier die hem niet zint. Er is sprake van een eigen vermogen en een vermogen dat hij van zijn moeder heeft geërfd. De bewindvoerder heeft desgevraagd te kennen gegeven het eigen vermogen van de rechthebbende te beheren maar niet het vermogen uit de nalatenschap van de moeder van de rechthebbende. Voorts heeft de bewindvoerder te kennen gegeven bij de kantonrechter reeds een boedelbeschrijving te hebben ingediend. Desgevraagd heeft zij voorts verklaard dat in haar hoedanigheid als mentor door de rechthebbende reeds een beroep op haar is gedaan. De bewindvoerder spreekt de hoop uit dat de verzoeker er, ongeacht hetgeen het hof zal beslissen, voor de rechthebbende zal zijn wanneer deze hem nodig heeft.

7. Het hof overweegt ten aanzien van het beroep op de beginselen van de goede procesorde en hoor en wederhoor, als volgt. Uit de stukken van het geding blijkt dat verzoeker door de kantonrechter in de gelegenheid is gesteld na de zitting te reageren op het verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoek met bijlagen, waarin het standpunt is neergelegd dat de rechthebbende geen rol voor familie weggelegd ziet voor financiële ondersteuning en dat hij A&O Budgetbeheer & Bewind als bewindvoerder wenst. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruikt gemaakt en zijn reactie behoort tot de stukken van het geding. In zoverre is geen sprake van schending van voornoemde beginselen. Dat verzoeker geen advocaat had, leidt niet tot een ander oordeel, nu niet is gebleken dat verzoeker zijn standpunt niet goed naar voren heeft kunnen brengen.

8. Ter zake van het horen door de kantonrechter van de rechthebbende op zijn woonadres stelt het hof voorop dat de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 809 lid 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet beslist dan na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening kenbaar te maken. Ingevolge het bepaalde in artikel 802 Rv heeft de rechter de bevoegdheid de rechthebbende op zijn verblijfplaats te ondervragen. De omstandigheid dat de kantonrechter de rechthebbende heeft gehoord buiten de aanwezigheid van verzoeker leidt niet tot schending van het bepaalde in artikel 802 Rv, nu genoemd artikel niet voorschrijft dat het verhoor moet plaatsvinden in aanwezigheid van de overige belanghebbenden. De andersluidende stelling van verzoeker faalt dan ook. De stelling dat verzoeker niet kan verifiëren of de rechthebbende tijdens het verhoor van 10 november 2014 zijn uitdrukkelijke wens voor de benoeming van A&O Bewindvoering & Budgetbeheer tot bewindvoerder heeft bevestigd, faalt eveneens. Op grond van vaste jurisprudentie is de vaststelling van het verhandelde ter terechtzitting, of in dit geval de vaststelling van verhandelde tijdens een verhoor, voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Het is het hof niet gebleken dat de rechthebbende tijdens het verhoor anders zou hebben verklaard. Integendeel in hoger beroep huldigt de rechthebbende nog immer dat standpunt.

9. Voor zover het hof de stelling dat verzoeker ten onrechte geen oproep heeft ontvangen om bij het verhoor van de rechthebbende aanwezig te zijn, moet opvatten als het betoog dat verzoeker ten onrechte niet heeft kunnen reageren op het proces-verbaal van het verhoor, oordeelt het hof als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank, aldus handelende, het recht op hoor en wederhoor heeft geschonden, dient het volgende tot uitgangspunt. Het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, zoals ook neergelegd in artikel 19 Rv, omvat het recht van partijen om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de grondslag van dit recht mede het vertrouwen dat rechtzoekenden dienen te kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak (HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882). Hieruit volgt dat verzoeker zich had moeten kunnen uitlaten over het proces-verbaal van het verhoor van de rechthebbende. Het is immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie. Dit is anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, maar van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake te meer nu de beslissing van de kantonrechter in belangrijke mate op dit verhoor is gebaseerd. Dit brengt mee dat sprake is van een schending van hoor en wederhoor.

Nu dit gebrek evenwel door de behandeling in hoger beroep – dat mede kan dienen tot herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten – is hersteld, heeft verzoeker in hoger beroep alsnog voldoende kunnen reageren op de door rechthebbende in eerste aanleg ingenomen standpunten. Dit brengt mee dat het hoger beroep in zoverre moet worden verworpen.

10. Het hof overweegt ten aanzien van het materiële geschil als volgt. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof op juiste gronden A&O Bewindvoering & Budgetbeheer benoemd tot bewindvoerder. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daartoe mede in aanmerking dat de verzoeker de gestelde wilsonbekwaamheid van de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de inhoud van de namens de rechthebbende overgelegde ‘geneeskundige verklaring ten behoeve van een verzoek tot instellen mentor en bewindvoering’ van psychiater de heer C. Mouton van 9 oktober 2014. Ook voor het overige faalt het hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

Proceskosten

11. Het hof ziet geen aanleiding om de verzochte proceskostenveroordeling toe te wijzen en zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, de proceskosten tussen partijen compenseren.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Obbink-Reijngoud en Van Wijk, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2015.