Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2066

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
2200251611
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in georganiseerd verband op aanzienlijke schaal schuldig gemaakt aan mensensmokkel en het uit winstbejag behulpzaam zijn van vreemdelingen bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland d.m.v. schijnrelaties. Daarbij heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan valsheid in geschriften. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de forse geldbedragen die met het plegen van vorenstaande strafbare feiten zijn verdiend. De verdachte had een centrale rol in de criminele organisatie die zich bezig hield met de mensensmokkel. De thans 72-jarige verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 10.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002516-11

Parketnummer(s): 09-754183-09

Datum uitspraak: 10 juli 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1943,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 9, 16 en 26 juni 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief,

3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na een wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – ten laste gelegd hetgeen staat vermeld op de aan dit arrest gehechte bijlage A.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verzoek tot het horen van [getuige 1], althans [getuige 1] als getuige

Bij pleidooi heeft de raadsman verzocht [getuige 1], althans [getuige 1], als getuige te doen horen over de interpretatie van een specifiek telefoongesprek tussen de verdachte en deze persoon.

Het hof stelt vast dat ter zitting van 13 november 2012 deze persoon als getuige is toegewezen. Geboortedatum, adres- en woonplaatsgegevens waren niet voorhanden. Deze persoon is niet gehoord als getuige door de rechter-commissaris. Een proces-verbaal waarin door de rechter-commissaris gerelateerd wordt of en welke naspeuringen zijn gedaan naar deze persoon is niet voorhanden. Ter zitting van 9 juni 2015 heeft het hof dit aan de orde gesteld. Ook toen waren nadere identificerende gegevens ten aanzien van deze persoon niet voorhanden. De raadsman heeft op die zitting aangegeven te zullen persisteren bij zijn verzoek tot het horen van [getuige 1], althans

[getuige 1], als getuige, wat hij ter terechtzitting van

16 juni 2015 ook heeft gedaan. Het hof heeft toen beslist dat het hof ervan uitgaat dat een nieuw verzoek voorligt en dit verzoek afgewezen. Daarbij is overwogen dat de tapgesprekken tussen de verdachte en [getuige 1], althans

[getuige 1], niet tot het bewijs zullen worden gebezigd en dat, gelet hierop, redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van deze persoon in zijn verdediging zal worden geschaad.

Er is geen verandering in deze situatie opgetreden. Ook thans ontbreken nadere identificerende gegevens zoals geboortedatum, adres en woonplaats. Het hof blijft bij zijn oordeel dat dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat verdachte door het niet horen van deze persoon als getuige in zijn verdediging wordt geschaad, aangezien de tapgesprekken tussen de verdachte en deze persoon niet voor het bewijs zullen worden gebezigd. Daarnaast is niet te verwachten dat de getuige binnen aanvaardbare termijn zal verschijnen.

Vrijspraak

Partiële vrijspraak van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, voor zover dit feit ziet op de vreemdelingen [vreemdeling 1], [vreemdeling 2],

[vreemdeling 3] en [vreemdeling 4]. Het hof heeft niet in voldoende mate kunnen vaststellen dat de verdachte wist dat de relaties tussen voornoemde vreemdelingen en de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] een schijnkarakter hadden. Daar komt bij dat ook onvoldoende is gebleken dat de verdachte bewust en nauw met de medeverdachten heeft samengewerkt bij het behulpzaam zijn van voornoemde vreemdelingen bij het aanvragen en verkrijgen van een verblijfvergunning. Dientengevolge dient de verdachte gedeeltelijk te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Wat betreft het voortgezet verblijf van deze vreemdelingen is onvoldoende bewijs voorhanden om winstbejag bij de verdachte bewezen te kunnen achten, doordat onvoldoende gebleken is dat betalingen door of ten behoeve van deze vreemdelingen zijn verricht. Het onderzoek naar de contante stortingen op de bankrekening van de medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]]/[reisbureau] biedt daartoe onvoldoende concrete en specifieke aanknopingspunten.

Gelet op het vorenstaande kan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen dan wel uitlokken van het valselijk opmaken van de geschriften die betrekking hebben op vragenlijsten en/of relatieverklaringen die horen bij de vergunningaanvragen van de vreemdelingen [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4]. De verdachte dient derhalve gedeeltelijk te worden vrijgesproken van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde voor zover deze feiten betrekking hebben op geschriften opgemaakt ten behoeve van de dienstbetrekking tussen

[medeverdachte 8] en [reisbureau] .

In hiernavolgende bewijsoverweging (blz. 10 e.v. van dit arrest) zal de feitelijke betrokkenheid van [verdachte] bij het opstellen van bescheiden inzake het dienstverband van [medeverdachte 8] bij [reisbureau] beschreven worden.

Dat de betrokkenheid van [verdachte] bij het vervalsen en het gebruik van die bescheiden inzake het dienstverband van [medeverdachte 8] bij [reisbureau] zodanig bewust en nauw was dat geconcludeerd kan worden tot medeplegen van [verdachte] bij het uitvoeren van deze handelingen, kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen. Weliswaar is onder 3 en 4 subsidiair de uitlokking van deze handelingen ten laste gelegd, maar niet enige vorm van medeplichtigheid in de zin van art. 48 Wetboek van Strafrecht. Dat sprake is van opzettelijke uitlokking tot het verrichten van deze handelingen door hen een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en/of te overhandigen indien zij die geschriften zouden opmaken/laten opmaken, kan niet worden aangenomen op gronden als hierna omschreven.

Vrijspraak van het overigens onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde

Ook ten aanzien van hetgeen onder 4 primair en subsidiair is ten laste gelegd dient verdachte te worden vrijgesproken, behoudens voor zover het betreft de vreemdeling [vreemdeling 5]. Naar het hof begrijpt op grond van de tekst van de tenlastelegging bezien tegen de achtergrond van het dossier staat onder 4 het gebruik van valse geschriften centraal. Naar het oordeel van het hof is in onvoldoende mate gebleken dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met anderen ten aanzien van het gebruik van de bedoelde documenten door deze te doen toekomen aan de IND. Ten aanzien van de vreemdeling [vreemdeling 5] heeft [medeverdachte 7] verklaart dat de verdachte deze formulieren heeft doen toekomen aan de IND. In zoverre zal verdachte worden veroordeeld voor hetgeen haar onder 4 primair verweten wordt.

Wat betreft de onder 4 subsidiair aan verdachte verweten uitlokking tot gebruik van valse/vervalste geschriften overweegt het hof als volgt. Ten laste is gelegd dat personen opzettelijk gebruik hebben gemaakt van valse geschriften, terwijl dat gebruik maken hierin bestond dat die bedoelde personen die geschriften hebben doen toekomen aan de IND teneinde een fictieve relatie aan te tonen. Vervolgens is in extenso beschreven waaruit de vervalsing/valsheid bestond. De verdachte wordt verweten deze personen tot dit gebruik te hebben uitgelokt door hen een of meer geldbedragen in het vooruitzicht te stellen of te overhandigen indien hij/zij gebruik zou maken van dat valse geschrift (blz. 34-35 van de gewijzigde tenlastelegging).

Echter, de door de verdachte volgens het Openbaar Ministerie feitelijk gehanteerde werkwijze bestaat erin dat zij referenten in het vooruitzicht stelt dat een geldbedrag overhandigd wordt wanneer door de IND voor de betrokken vreemdeling een Machtiging tot Voorlopig Verblijf (MVV) dan wel een Vergunning tot Verblijf (VTV) wordt verstrekt. Met andere woorden, het in het vooruitzicht gestelde geldbedrag of overhandigde geldbedrag staat niet in relatie tot het insturen van valse bescheiden naar de IND, maar tot het behalen van een specifiek omschreven resultaat, de verlening van een vergunning. Het insturen van de bedoelde papieren vormt een relatief ongecompliceerd onderdeel van de gehele procedure. Van de referenten wordt daarnaast verwacht dat zij in staat zijn vervolgens in een gesprek of hoorzitting of controle niet door de mand te vallen ten aanzien van het karakter van de relatie waarvoor gezinshereniging wordt of is aangevraagd. Eerst wanneer dit goed is afgerond en een vergunning daadwerkelijk verleend is, komt betaling van een geldbedrag aan de orde. Dit brengt mee dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 4 subsidiair omschreven uitlokking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen staat vermeld op de aan dit arrest gehechte bijlage B.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

De verklaringen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8]

De raadsman van de verdachte heeft - overeenkomstig zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2015 overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota -benoemd dat [medeverdachte 7] ter terechtzitting in eerste aanleg tijdens de behandeling van haar eigen strafzaak is teruggekomen op de door haar tegenover de politie afgelegde en voor de verdachte belastende verklaring en dat de rechtbank ten onrechte van deze verklaring is uitgegaan.

Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt

De verklaring van [medeverdachte 7]

De verklaring van [medeverdachte 7], afgelegd bij de politie op 9 juni 2010 behelst – kort en zakelijk weergegeven – het navolgende.1

In november of december van 2006 heeft [medeverdachte 7] via [verdachte], [vreemdeling 3] ontmoet. [vreemdeling 3] was in Nederland voor zijn studie en hij wilde graag een vergunning zodat hij in Nederland kon blijven. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 7] gevraagd of zij hierbij wilde helpen. Alles is doorgesproken en er zijn formulieren opgevraagd bij de IND. [vreemdeling 3] is vervolgens teruggegaan naar Suriname, alwaar hij een visum heeft gekregen om weer naar Nederland te gaan. [medeverdachte 7] heeft een bedrag van

€ 7.500,- contant ontvangen van [vreemdeling 3]. [verdachte] was daarbij. Het geld zat in een gesloten enveloppe. Dit bedrag heeft [medeverdachte 7] op haar girorekening gestort toen zij de leges van € 830,- aan de IND had betaald ten behoeve van de aanvraag MVV.

Eind 2007, begin 2008 heeft [verdachte] aan [medeverdachte 7] gevraagd of zij [vreemdeling 5] wilde helpen. Zij heeft [vreemdeling 5] vervolgens een aantal malen bij [verdachte] thuis ontmoet, waar toen dingen zijn doorgesproken en foto’s zijn gemaakt. Hierna is [vreemdeling 5] teruggegaan naar India om een MVV aan te vragen. Nadat [vreemdeling 5] op 8 augustus 2008 Nederland is in gereisd, heeft

[verdachte] formulieren opgevraagd bij de IND welke formulieren op 20 augustus 2008 door [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5] in het bijzijn van [verdachte] zijn ingevuld en door [verdachte] naar de IND zijn verzonden. [medeverdachte 7] heeft €10.000,- ontvangen voor haar hulp. Dit bedrag heeft zij contant van [verdachte] ontvangen, toen [vreemdeling 5] eind 2008 ‘zijn pasje’ kon ophalen. [vreemdeling 5] heeft nooit met

[medeverdachte 7] samengewoond, maar hij kwam zijn post bij haar ophalen.

Omtrent [vreemdeling 1] heeft [medeverdachte 7] verklaard dat hij haar neef is, die door [medeverdachte 3] is geholpen om naar Nederland te komen. De relatie tussen [medeverdachte 3] en [vreemdeling 1] was niet echt; [vreemdeling 1] woonde bij haar en niet bij [medeverdachte 3]. Voor de relatie is een bedrag van

€ 7.500,- aan [medeverdachte 3] betaald door de familie. [medeverdachte 7] heeft ten behoeve van de betaling € 5.000,- gevraagd aan haar broer in Utrecht en dit bedrag op 26 januari 2006 overgemaakt aan [reisbureau]. [vreemdeling 1] heeft de resterende € 2.500,- in contant uit Suriname meegenomen en aan [medeverdachte 3] gegeven. Dit alles is zo geregeld door [verdachte]. [verdachte] heeft dit ook aan [medeverdachte 3] gevraagd.2

De verklaring van [medeverdachte 8]

De verklaring van [medeverdachte 8] (hierna te noemen [medeverdachte 8]) afgelegd bij de politie op 9 juni 2010 behelst – kort en zakelijk weergegeven – het navolgende.3

Ze is tien jaar geleden in contact gekomen met [verdachte] via [reisbureau]. [verdachte] heeft [medeverdachte 8] in 2008 benaderd om een relatie aan te gaan met [vreemdeling 6]. Zij heeft [vreemdeling 6] vervolgens voor het eerst ontmoet in de woning van [verdachte] in het bijzijn van

[medeverdachte 7] en medeverdachte [medeverdachte 3]. Aan haar werd verteld dat zij tegenover de IND moest verklaren dat zij een relatie had met [vreemdeling 6]. [medeverdachte 7] en medeverdachte [medeverdachte 3] wisten dat de voorgeschiedenis zoals voorgehouden aan de IND niet waar was. Na haar eerste ontmoeting met [vreemdeling 6] heeft [medeverdachte 8] wekelijks telefonisch contact met hem gehouden om zaken op elkaar af te stemmen. [vreemdeling 6] is geen enkele keer bij haar thuis geweest.

[medeverdachte 8] ontving niet voldoende inkomsten met haar werk bij de [werkgever medeverdachte 8] om als verblijfsgever van [vreemdeling 6] op te treden. Zij is daarom een arbeidsovereenkomst aangegaan met [reisbureau] te Leiden om het resterende bedrag per maand te ontvangen. Deze overeenkomst is door haar en [medeverdachte 1]] ondertekend in de woning van

[verdachte]. De overeenkomst is opgemaakt om naar de IND te sturen. [medeverdachte 8] heeft drie of viermaal geld gestort gekregen van [reisbureau] op haar bankrekening. Voor dit geld heeft zij niet gewerkt bij [reisbureau].

Verder heeft [medeverdachte 8] verklaard dat zij in 2008 samen met [verdachte] naar ‘[het advocatenkantoor]’ is geweest en ene mevrouw [secretaresse advocatenkantoor] heeft ontmoet, waar toen, in het bijzijn van [verdachte] door [secretaresse advocatenkantoor] papieren zijn ingevuld ten behoeve van de aanvraag van de verblijfsvergunning. De kosten hiervoor werden door [verdachte] betaald. [medeverdachte 8] is eenmaal gehoord door de IND in Den Bosch. Zij is toen met de auto door [medeverdachte 1]] gebracht naar het kantoor van de IND. [medeverdachte 1]] wilde eerst dat [medeverdachte 8] met de trein of taxi naar Den Bosch zou afreizen, maar [medeverdachte 8] vond dit te duur.

[medeverdachte 8] heeft voor het aangaan van de relatie € 5.000,- betaald gekregen van [verdachte]. Hiervan heeft [medeverdachte 8] de kosten voor het maken van het inburgeringsexamen door [vreemdeling 6] en de leges voor de aanvraag MVV moeten betalen. Het geld is aan haar overhandigd in de woning van [verdachte] rond de tijd dat zij de leges voor de MVV moest voldoen.

Oordeel van het hof

Met betrekking tot de gang van zaken bij de politieverhoren van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]4 respectievelijk [verbalisant 3] en [verbalisant 4]5 bij de rechter-commissaris gehoord. Zij hebben verklaard op welke manier de verhoren van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] hebben plaatsgevonden en dat er regelmatig overleg is geweest tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en hun advocaten. Het hof leidt hieruit af dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de verhoren hebben plaatsgevonden onder ongeoorloofde druk. Ook overigens is het hof niet gebleken van enige omstandigheid waaruit volgt dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] niet uit vrije wil bij de politie hebben verklaard.

Het hof acht deze verklaringen betrouwbaar en zal deze bezigen voor het bewijs nu de inhoud voor wat betreft de gang van zaken met betrekking tot het aangaan van de schijnrelaties en de betaling daarvoor grotendeels overeen komt en bevestiging vindt in de nagenoemde verklaring van [medeverdachte 9]. De verklaringen vinden bovendien steun in de hierna genoemde bewijsmiddelen.

De verklaring van [medeverdachte 9].

[medeverdachte 9], die als verblijfsgeefster voor de vreemdeling [vreemdeling 7] is opgetreden heeft verklaard dat zij door [verdachte] is geholpen bij het aanvragen van een verblijfsvergunning voor [vreemdeling 7]. [verdachte] heeft haar hierbij de nodige uitleg gegeven en papieren opgevraagd bij de IND. Ook is zij met [verdachte] naar een advocatenkantoor geweest, alwaar een secretaresse een vragenlijst heeft ingevuld welke zij vervolgens heeft ondertekend. [medeverdachte 9] heeft verklaard geen duurzame en exclusieve relatie te hebben (gehad) met [vreemdeling 7] en ook niet met hem te hebben samengewoond. Voor haar hulp heeft [medeverdachte 9] een bedrag van € 15.000,- contant ontvangen van [verdachte], van welk bedrag 10% moest worden betaald aan [verdachte] voor haar bemiddeling.6

Het hof ziet zoveel overeenkomsten in de gang van zaken zoals beschreven door [medeverdachte 9] met de inhoud van door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] tegenover de politie afgelegde verklaringen, dat het hof de door hen tegenover de politie afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar acht om tot het bewijs te bezigen. Het verweer dat de door [medeverdachte 8] tegenover de politie afgelegde verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs wordt verworpen.

1 Schijnrelatie tussen [medeverdachte 8] en [vreemdeling 6]

A. Feiten en omstandigheden

[vreemdeling 6] (hierna te noemen [vreemdeling 6]) heeft op 11 mei 2009 bij de Nederlandse Ambassade te New Delhi (India) een MVV aangevraagd.7 Op een vragenlijst betreffende de aanvraag MVV van [vreemdeling 6] staat vermeld dat [vreemdeling 6] de partner is van [medeverdachte 8] en dat zij een duurzame en exclusieve relatie met elkaar hebben.8 Als referenten die de relatie tussen [vreemdeling 6] en [medeverdachte 8] kunnen bevestigen worden opgeven de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3].

In aanvulling op de vragenlijst wordt op 2 juni 2009 door [secretaresse advocatenkantoor] (hierna te noemen [secretaresse advocatenkantoor], een medewerkster van [het advocatenkantoor]) aan de IND toegestuurd de arbeidsovereenkomst tussen [medeverdachte 8] en [reisbureau].9 [reisbureau]is een reisbureau en touroperator gevestigd aan de [woning van de verdachte] te Leiden.10 Vennoten zijn (geweest): [medeverdachte 1]] (van 1 juni 2004 tot in ieder geval 25 augustus 2010), [medeverdachte 2] (van 1 juni 2004 tot 14 juli 2008) en [medeverdachte 5] (van 14 juli 2008 tot in ieder geval 25 augustus 2010).11

In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat [medeverdachte 8] met ingang van 8 juni 2009 in dienst treedt bij [reisbureau] als interieurverzorgster/administratief medewerkster voor gemiddeld 10 uur per week tegen een loon van € 435, - bruto per maand. De duur van de arbeidsovereenkomst is 24 maanden.12 Dit staat eveneens vermeld in de op 8 juni 2009 door [medeverdachte 1]], de verdachte, ingevulde werkgeversverklaring.13 De arbeidsovereenkomst en werkgeversverklaring zijn door [medeverdachte 1]], de verdachte, en [medeverdachte 8] ondertekend en bevinden zich in het IND-dossier inzake [vreemdeling 6].14

[secretaresse advocatenkantoor] heeft voorts op 8 oktober 2009 loonstroken van de maanden juli, augustus en september 2009 betreffende dit dienstverband aan de IND gestuurd. Uit deze loonstroken, gedateerd 31 juli 2009, 31 augustus 2009 en 30 september 2009 volgt dat [medeverdachte 8] in die maanden steeds € 272,44 aan nettoloon zou hebben ontvangen.15 Uit het dossier volgt voorts dat [medeverdachte 8] tot en met december 2009 loon van [reisbureau] zou hebben ontvangen.16

Gebleken is dat de voorwaarden die aan een MVV aanvraag worden gesteld onder meer betreffen het overleggen van bewijsstukken waaruit het inkomen van de referent hier te lande volgt. Deze referent dient nog minimaal één jaar over voldoende middelen van bestaan, afkomstig uit arbeid, te beschikken. De norm bij gezinsvorming ligt op € 1.554,08 per maand.17 Uit een werkgeversverklaring van de [werkgever medeverdachte 8] betreffende [medeverdachte 8] die aan de IND is overgelegd, volgt dat [medeverdachte 8] aldaar werkzaam was vanaf 1 november 2003 en een nettoloon van € 1.215,96 ontving.

Op 28 oktober 2008 heeft bij de IND in Den Bosch een hoorzitting met [medeverdachte 8] plaatsgevonden. Rond dat tijdstip vond eveneens een verhoor met [vreemdeling 6] plaats op de Nederlandse Ambassade te New Delhi.18 Bij beschikking van 3 december 2009 is de aanvraag MVV door de IND afgewezen aangezien de antwoorden op de hoorzittingen niet geheel met elkaar overeenkwamen en [vreemdeling 6] en [medeverdachte 8] niet aannemelijk hebben kunnen maken dat zij een exclusieve en duurzame relatie hadden.19

[medeverdachte 8] heeft op 9 juni 2010 tegenover de politie – verklaard zoals hiervoor is weergegeven, kort samengevat inhoudende dat zij tegen betaling een schijnrelatie met [vreemdeling 6] heeft gehad en een fictief dienstverband met [reisbureau] is aangegaan.20

De verklaring van [medeverdachte 8] wordt op onderdelen ondersteund door de navolgende tapgesprekken:

- Op 14 september 2009 om 18:11 uur en 20:05 uur heeft [medeverdachte 8] gebeld naar [verdachte] en doorgegeven dat zij op 23 oktober 2009 een hoorzitting heeft in Den Bosch. [verdachte] antwoordt hierop dat zij zich geen zorgen hoeft te maken.21

- Op 16 september 2009 om 13:45 wordt [verdachte] gebeld door [vreemdeling 6]. [verdachte] vraagt aan [vreemdeling 6] of hij de naam van [medeverdachte 8] en haar geboortedatum weet. Als hij antwoordt dat hij weet dat zij [medeverdachte 8] heet, zegt [verdachte] dat hij nog niets van haar weet en dat als hij een fout maakt hij een afwijzing krijgt. [verdachte] zegt vervolgens dat hij haar naam, geboortedatum en volledig adres uit zijn hoofd moet kennen. En ook wanneer en waar zij elkaar hebben ontmoet. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 8] een brief heeft ontvangen dat zij 8 of 23 oktober moet gaan. Hierop zegt [vreemdeling 6] dat hij de op de 24ste gaat.22

- Op 17 september 2009 om 19:01 uur heeft [verdachte] gebeld naar [medeverdachte 8]. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 8] op 8 oktober moet gaan. [medeverdachte 8] zegt dat zij die dag een brief heeft ontvangen en dat ‘ze’ ook drie loonstroken van [medeverdachte 1] vragen. [verdachte] vraagt [medeverdachte 8] of zij deze al heeft. Vervolgens is op de achtergrond te horen dat [medeverdachte 1], de dochter van [verdachte] (het hof begrijpt de thans geheten [medeverdachte 1]]), zegt dat zij er één heeft. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 8] moet kijken sinds wanneer zij een contract heeft; vanaf die tijd krijgt zij loonstroken. Dan is op de achtergrond te horen dat [medeverdachte 1]]zegt dat hij voor haar zal maken.23

- Op 20 september 2009 om 14:26 uur wordt [verdachte] gebeld door [vreemdeling 6]. [verdachte] geeft het telefoonnummer van [medeverdachte 8] aan [vreemdeling 6] en zegt hem dat hij haar kan bellen en haar van alles kan vragen, zoals de geboortedatum van [dochter van medeverdachte 8] (N.B. [medeverdachte 8] heeft bij de politie verklaard dat haar dochter [dochter van medeverdachte 8] heet) en de datum van overlijden en crematie van haar oma.24

- Op 21 september 2009 om 16:10 uur wordt [verdachte] gebeld door [vreemdeling 6]. [vreemdeling 6] vertelt dat hij alles heeft opgeschreven. Haar dochter heet [dochter van medeverdachte 8] en is geboren op [geboortedatum van de dochter van medeverdachte 8]. Haar oma is overleden op 14 augustus en gecremeerd op de 27ste.25

- Op 15 oktober 2009 om 15:52 uur wordt [medeverdachte 1]], gebeld door [verdachte]. [verdachte] vraagt hem om “dikke [medeverdachte 8]” op 28 oktober naar Den Bosch te brengen.26

- Op 15 oktober 2009 om 18:52 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 8]. [medeverdachte 8] zegt dat zij om 11:15 uur een afspraak heeft en dat zij naar de Heren Tocht in Den Bosch moet. [verdachte] zegt dat zij dan om 09:00 uur moet vertrekken. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 8] alleen de dingen moet zeggen die ze hebben ingevuld en dat hij als personen die hem kennen de namen van [reisbureau], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] heeft opgegeven.27

- Op 20 oktober 2009 om 11:36 uur wordt [medeverdachte 1]] gebeld door [verdachte]. [verdachte] zegt [medeverdachte 1]] dat hij niet moet vergeten om dikke [medeverdachte 8] mee te nemen. Zij moet om 10:15 uur in Den Bosch zijn (hof: op 28 oktober 2009). [verdachte] zegt dat zij alle papieren al heeft en dat hij haar onderweg goed uitleg moet geven en een beetje moed moet inspreken. De papieren moet ze in de auto achterlaten.28

Uit het IND dossier van [vreemdeling 6] blijkt voorts dat mevrouw [secretaresse advocatenkantoor], een secretaresse bij het advocatenkantoor [het advocatenkantoor], op 8 oktober 2009 drie salarisstroken van [reisbureau] betreffende [medeverdachte 8] naar de IND heeft gestuurd. Ook heeft op 28 oktober 2009 in Den Bosch een hoorzitting met [medeverdachte 8] plaatsgevonden.29

B. Oordeel van het hof

Uit de bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte 8] – welke verklaring het hof betrouwbaar acht -om redenen als hiervoor overwogen – volgt dat [vreemdeling 6] en [medeverdachte 8] geen exclusieve en duurzame relatie met elkaar hadden. Mitsdien was sprake van een schijnrelatie. Door zich voor te doen als de partner van [vreemdeling 6] bij de aanvraag MVV is [medeverdachte 8] [vreemdeling 6] behulpzaam geweest bij het zich proberen te verschaffen van toegang tot Nederland.

Naar het oordeel van het hof volgt bovendien uit de verklaring van [medeverdachte 8] en de hiervoor weergegeven tapgesprekken dat de medeverdachte [verdachte] wist van het schijnkarakter van de relatie tussen [medeverdachte 8] en [vreemdeling 6], alsook dat [verdachte] bewust en nauw met [medeverdachte 1]], [medeverdachte 8] en [vreemdeling 6] heeft samengewerkt bij het proberen aan [vreemdeling 6] toegang tot Nederland te verschaffen, terwijl zij allen wisten dat [vreemdeling 6] hiertoe niet gerechtigd was. Gebleken is immers dat [verdachte] [medeverdachte 8] heeft benaderd met het verzoek een relatie aan te gaan met [vreemdeling 6] en dat door [verdachte] in het bijzijn van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 8] is verteld wat zij moest verklaren tegenover de IND. Verder is gebleken dat [verdachte] [medeverdachte 8] heeft vergezeld naar het advocatenkantoor waar [secretaresse advocatenkantoor] werkzaam was, teneinde de papieren in orde te maken voor de aanvraag van de vergunning. Vast staat dat door [secretaresse advocatenkantoor] in aanwezigheid van verdachte formulieren zijn ingevuld, terwijl verdachte ervan op de hoogte was dat hetgeen werd vermeld in strijd met de waarheid was. Uit voornoemde verklaring en getapte telefoongesprekken is ook af te leiden dat

[medeverdachte 1]] wist van de schijnrelatie tussen [vreemdeling 6] en [medeverdachte 8], alsmede dat ook [medeverdachte 1]] hiertoe met hen heeft samengewerkt. Uit de verklaring van [medeverdachte 8] volgt immers dat de door haar en [medeverdachte 1]] ondertekende arbeidsovereenkomst in strijd met de waarheid is opgemaakt met het doel deze naar de IND te sturen en dat zij nooit voor [reisbureau] heeft gewerkt.

Uit de hiervoor weergegeven telefoongesprekken volgt bovendien dat [medeverdachte 8] op 17 september 2009 naar

[verdachte] heeft gebeld toen de IND haar vroeg om loonstroken te overleggen, waarbij [medeverdachte 1]] op de achtergrond van het gesprek is te horen en zegt dat hij deze voor haar zal maken. Vervolgens worden op 8 oktober 2009 loonstroken van [reisbureau] over de maanden juli, augustus en september 2009 aan de IND overgelegd.

Ten slotte volgt uit de getapte telefoongesprekken dat [medeverdachte 1]] op 15 en 20 oktober 2009 is gebeld door [verdachte] met het verzoek om “dikke [medeverdachte 8]” (het hof begrijpt: [medeverdachte 8]) op 28 oktober naar Den Bosch te brengen, waarbij [verdachte] op 20 oktober tegen de [medeverdachte 1]] zegt dat hij haar goed uitleg moet geven en moed moet inspreken. Uit de verklaring van [medeverdachte 8] volgt dat

[medeverdachte 1]] haar op 28 oktober 2009 voor de hoorzitting naar de Visadienst in Den Bosch heeft gebracht.

2 Schijnrelatie tussen [medeverdachte 6] en [vreemdeling 8]

A. Feiten en omstandigheden

[vreemdeling 8] (verder te noemen [vreemdeling 8]) verbleef vanaf september 2005 in Nederland in verband met een te volgen studie. De beoogde studieduur was tot 1 september 2009. Ten behoeve van zijn verblijf is steeds een Vergunning tot Verblijf (hierna afgekort tot VTV) aan hem verstrekt door de IND.30 Op 7 september 2009 is vervolgens een aanvraag wijziging verblijfsdoel verblijfsvergunning ingediend door [vreemdeling 8] waarin als verblijfgever is opgegeven [medeverdachte 6] (hierna te noemen [medeverdachte 6] of de verdachte).31 Op de bij de aanvraag bijgevoegde relatieverklaring is ingevuld [vreemdeling 8] en [medeverdachte 6] een exclusieve relatie met elkaar onderhouden en daartoe vanaf 2 juli 2009 een gemeenschappelijke huishouding voeren en met elkaar samenwonen aan de [adres medeverdachte 6] te Rotterdam, alsmede dat [vreemdeling 8] de levenspartner van [medeverdachte 6] is.32 Deze relatieverklaring is zowel door [vreemdeling 8] als [medeverdachte 6] ondertekend.33 Op 2 oktober 2009 is de aanvraag ingewilligd door de IND onder de beperking “verblijf bij partner.”34

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij destijds op zoek was naar een partner om de kosten en zijn leven mee te delen. Via een vriend kwam hij terecht bij [verdachte], die hem mogelijk aan iemand zou kunnen koppelen. [verdachte] heeft hem vervolgens bij [vreemdeling 8] geïntroduceerd.

[verdachte] had hem verteld dat de vergunning van [vreemdeling 8], die op dat ogenblik in de eindfase van zijn studie zat, in september 2009 zou verlopen waarna [vreemdeling 8] Nederland zou moeten verlaten. Omdat [medeverdachte 6] [vreemdeling 8] graag beter wilde leren kennen, heeft hij [vreemdeling 8] geholpen bij het aanvragen van de verlenging van zijn VTV.35


[medeverdachte 6] heeft voorts verklaard dat [verdachte] tijdens hun eerste contact allerlei informatie over [vreemdeling 8] aan hem heeft gegeven, zodat hij kon optreden als referent. [medeverdachte 6] heeft [verdachte] na die eerste introductie verteld dat hij er nog even over moest nadenken.

[verdachte] adviseerde hem echter om [vreemdeling 8] alvast te laten inschrijven op het adres [adres medeverdachte 6] te Rotterdam. Mocht [medeverdachte 6] niets voor hem voelen, dan kon hij hem altijd weer laten uitschrijven. Zowel [verdachte] als [vreemdeling 8] waren aanwezig bij de inschrijving op het stadsdeelkantoor.36
Hij is tevens drie of vier keer met [verdachte] op een advocatenkantoor geweest, waar mevrouw [secretaresse advocatenkantoor] papieren voor hem heeft ingevuld die hij heeft ondertekend. Bij deze papieren zat ook de relatieverklaring.37

[medeverdachte 6] heeft tevens verklaard dat van een exclusieve relatie met [vreemdeling 8] als bedoeld door de IND nimmer sprake is geweest. Ook hebben zij geen duurzame relatie in de [adres medeverdachte 6] gehad zoals in de relatieverklaring is vermeld.38

Voor zijn hulp bij de aanvraag van de verlenging VTV zou [medeverdachte 6] een bedrag van € 15.000,- krijgen bij wijze van garantiestelling. Dit had hij afgesproken met [verdachte]. [verdachte] heeft hem € 7.000,- contant betaald. Het geld kwam van [vreemdeling 8] en [verdachte] zorgde ervoor dat het geld bij [medeverdachte 6] kwam. [verdachte] heeft geld achter gehouden voor haar bemiddeling.39 De verdachte heeft met een deel van het verkregen geld zijn achterstallige hypotheek betaald. Ook heeft hij € 1.500,- gestort op zijn bankrekening.40 [verdachte] heeft hem gevraagd referenten te zoeken, maar hij heeft haar aan het lijntje gehouden.41

Gedurende het politieonderzoek is de telefoon van

[verdachte] afgeluisterd. Gebleken is dat de navolgende telefoongesprekken hebben plaatsgevonden:

- Op 13 september 2009 om 17:19 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 6]. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 6] dat zij vijfduizend heeft en resterende deel dinsdag ontvangt. [medeverdachte 6] zegt dat hij er op had gerekend. [verdachte] zegt dan dat [medeverdachte 6] nu kan komen halen wat zij al binnen heeft als hij het hard nodig heeft. [verdachte] zegt hem straks te zullen bellen en aan hem te zullen zeggen dat zij het dinsdag voor 10:00 uur wil hebben.42

- Op 1 oktober 2009 om 11:51 uur wordt [verdachte] gebeld door [vreemdeling 8]. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 6] de beslissing heeft ontvangen en aan haar heeft laten zien. In de beslissing stond dat zij alles hebben ontvangen en dat hij nu acht weken moet wachten.43

- Op 6 oktober 2009 om 14:02 wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] zegt dat het is goedgekeurd met ingang van 30 september 2009 tot 30 september 2010. De beschikking is gestuurd naar mevrouw [secretaresse advocatenkantoor]. [verdachte] zegt dan dat zij daar dadelijk een afspraak heeft.44

- Op 6 oktober 2009 om 14:20 belt [verdachte] naar [vreemdeling 8]. [vreemdeling 8] en [verdachte] feliciteren elkaar. [verdachte] zegt vervolgens dat zij bij de advocaat zit en de papieren meeneemt. [vreemdeling 8] mag de papieren die avond komen ophalen en moet dan “samaan” (het hof begrijpt: spullen of geld) meenemen. Hij moet minimaal zeven of acht meenemen.45

- Op 6 oktober 2009 om 20:15 uur belt [medeverdachte 6] naar [verdachte]. [verdachte] zegt dat zij hem tot 18 oktober de tijd heeft gegeven. [medeverdachte 6] zegt dat de afspraak was dat hij zijn deel zou krijgen wanneer het in orde zou zijn. Hij wil nu zijn deel, omdat het nu al in orde is.46

- Op 13 oktober 2009 om 14:27 uur belt [verdachte] naar [vreemdeling 8]. [verdachte] vraagt of [vreemdeling 8] het “samaan” gereed heeft. [vreemdeling 8] zegt dat hij de helft heeft en de rest over een uur van een vriend krijgt. [verdachte] zegt dat zij die dag alles aan [medeverdachte 6] wil geven en dat [vreemdeling 8] later de rest aan haar mag betalen.47

- Op 16 oktober 2009 om 12:18 uur wordt [verdachte] gebeld door [vreemdeling 8]. [vreemdeling 8] zegt dat hij van [medeverdachte 6] heeft gehoord dat er een brief is. [verdachte] zegt dat de brief is ontvangen en dat [vreemdeling 8] hem zondag mag komen halen. [vreemdeling 8] zegt dat zijn vriendin de brief komt ophalen, omdat hij zondag op Ameland is.48

- Op 16 oktober 2090 te 19:08 wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] zegt dat hij nog iemand heeft, namelijk zijn overbuurman. Hij woont alleen en verdient meer dan genoeg. [medeverdachte 6] zegt dat het een Afrikaan is, maar wel een betrouwbare. [verdachte] moet maar zeggen wanneer zij wil dat [medeverdachte 6] en zijn overbuurman langskomen.49

In de woning van de verdachte aan de [woning van de verdachte] te Leiden is op 13 april 2010 aangetroffen en inbeslaggenomen een notitieboekje met daarin de aantekening: “Ontvangen van [verdachte], geb. [geboortedatum verdachte], het bedrag van € 7.000,- (zevenduizend euro). Nog te ontvangen € 7.200,-.” De aantekening is gedagtekend 14 september 2009 en voorzien van een handtekening.50 [medeverdachte 6] heeft over dit geschrift verklaard dat het zijn handschrift is, hij deze notitie van [verdachte] moest opmaken en dat hij deze notitie heeft ondertekend.51

B. Oordeel van het hof

Uit de vorenstaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 6] en [vreemdeling 8] ten tijde van het ondertekenen van de relatieverklaring en in de periode daaraan voorafgaand geen exclusieve en/of duurzame relatie met elkaar onderhielden, noch daartoe een gemeenschappelijke huishouding voerden en samenwoonden aan de [adres medeverdachte 6] te Rotterdam, zoals wel in de door [medeverdachte 6] en [vreemdeling 8] ondertekende relatieverklaring stond vermeld. Het hof stelt vast dat in zoverre sprake is geweest van een schijnrelatie tussen [medeverdachte 6] en [vreemdeling 8]. Door zich voor te doen als de partner van [vreemdeling 8] en als zijn verblijfgever op te treden bij de aanvraag wijziging verblijfsdoel verblijfsvergunning, is [medeverdachte 6] [vreemdeling 8] behulpzaam geweest bij het verschaffen van voortgezet verblijf in Nederland.

Het hof acht bewezen dat verdachte wetenschap had van de schijnrelatie en bewust en nauw met [medeverdachte 6] heeft samengewerkt bij het behulpzaam zijn van [vreemdeling 8] bij het zich verschaffen van voortgezet verblijf in Nederland. De verdachte heeft immers, blijkens de verklaring van [medeverdachte 6], niet alleen de introductie verzorgd tussen hem en [vreemdeling 8] maar ook informatie aan [medeverdachte 6] gegeven over [vreemdeling 8] ten behoeve van zijn optreden als referent. Daarnaast is de verdachte meegegaan naar het stadsdeelkantoor om [vreemdeling 8] te laten inschrijven op het adres van [medeverdachte 6] en heeft zij [medeverdachte 6] meermalen begeleid naar een advocatenkantoor waar papieren zijn opgemaakt ten behoeve van de aanvraag van de verblijfsvergunning van [vreemdeling 8], terwijl verdachte wist dat hetgeen in die formulieren werd vermeld in strijd met de waarheid was. Uit de weergegeven telefoontaps volgt tot slot dat het contact tussen [medeverdachte 6] en [vreemdeling 8] over de papieren, die kennelijk betrekking hadden op de verblijfsvergunning van [vreemdeling 8], via de verdachte verliep.

Het hof acht eveneens bewezen dat de verdachte en [medeverdachte 6] uit winstbejag hebben gehandeld. Uit het voorgaande volgt dat [vreemdeling 8] geld aan de verdachte heeft betaald ten behoeve van de aanvraag voor de verblijfsvergunning en dat de verdachte € 7.000,- contant aan [medeverdachte 6] heeft gegeven. Ook volgt uit de afgeluisterde telefoongesprekken dat de verdachte meermalen contact heeft gehad met [vreemdeling 8] over het brengen van geld, waarbij zij onder andere tegen hem heeft gezegd dat zij “die dag alles aan [medeverdachte 6] wil geven en dat [vreemdeling 8] later de rest aan haar mag betalen.” Naar het oordeel van het hof volgt hieruit genoegzaam dat het handelen van de verdachte erop was gericht om zichzelf te verrijken.

Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte bewust en nauw met [medeverdachte 6] en [vreemdeling 8] heeft samengewerkt bij het valselijk opmaken van de relatieverklaring die tezamen met de aanvraag VTV van [vreemdeling 8] naar de IND is gestuurd. Uit hetgeen hiervoor door het hof is overwogen, volgt immers dat de verdachte direct betrokken was bij de aanvraag VTV van [vreemdeling 8] alsook dat zij [medeverdachte 6] naar een advocatenkantoor heeft begeleid alwaar de desbetreffende papieren zijn ingevuld en door hem zijn ondertekend.

Ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het verblijf in Nederland van [medeverdachte 6] overweegt het hof ambtshalve nog het volgende. Gebleken is dat [medeverdachte 6] onder valse voorwendselen een op zichzelf geldige verblijfstitel heeft verkregen om te verblijven in Nederland. Ter verkrijging van de verblijfstitel is immers verklaard dat hij een duurzame en/of exclusieve relatie hadden met [medeverdachte 6] en dat zij daartoe een gemeenschappelijke huishouding voerden en samenwoonden, terwijl dit feitelijk niet het geval was. Nu deze verblijfstitel op valse gronden is afgegeven, acht het hof het verblijf in Nederland wederrechtelijk. De verdachte wist dat dit verblijf wederrechtelijk was, nu zij heeft meegeholpen aan het op valse wijze verkrijgen van die verblijfstitel.

3 Schijnrelatie tussen [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5]

A. Feiten en omstandigheden

[vreemdeling 5] (hierna te noemen [vreemdeling 5]) heeft op 28 mei 2008 een MVV aangevraagd bij de Nederlandse Ambassade in New Delhi (India) met als doel verblijf bij partner [medeverdachte 7]. Op 23 juli 2008 is een MVV aan hem verstrekt, waarna hij op 8 augustus 2008 is aangekomen op de luchthaven van Wenen en Nederland is in gereisd.52 Ten behoeve van de aanvraag MVV heeft [medeverdachte 7] een vragenlijst ingevuld, waarop is vermeld dat [vreemdeling 5] haar partner is en dat zij een duurzame en exclusieve relatie met elkaar hebben.53 Op 25 augustus 2008 is door [vreemdeling 5] een VTV aangevraagd bij de IND.54 Op de bij de aanvraag gevoegde relatieverklaring is ingevuld dat [vreemdeling 5] en

[medeverdachte 7] een exclusieve relatie met elkaar onderhouden en daartoe samenwonen op het adres [adres medeverdachte 7] te Leiderdorp.55 Deze relatieverklaring is door [vreemdeling 5] en [medeverdachte 7] ondertekend.56 Vanaf 1 september 2008 is [vreemdeling 5] ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres medeverdachte 7] te Leiderdorp.57 Bij beschikking van 14 oktober 2008 is de aanvraag ingewilligd.58

[medeverdachte 7] heeft op 9 juni 2010 over haar relatie met [vreemdeling 5] bij de politie verklaard zoals hiervoor is weergegeven, kort samengevat dat zij op verzoek en met hulp van de verdachte een schijnrelatie met [vreemdeling 5] is aangegaan en zij daarvoor 10.000 euro van de verdachte heeft ontvangen.59

Gedurende het onderzoek is de telefoon van [verdachte] afgeluisterd. Gebleken is onder meer de volgende telefoongesprekken hebben plaatsgevonden:

- Op 15 november 2009 om 9:28 en 09:29 uur wordt gebeld [verdachte] gebeld door [vreemdeling 5]. [vreemdeling 5] zegt tegen

[verdachte] dat hij al twee weken in India zit.

[verdachte] vraagt waarom hij dit niet eerder heeft doorgegeven en dat er achter elkaar brieven voor hem binnenkomen. [vreemdeling 5] vraagt of [verdachte] aan [medeverdachte 7] wil doorgeven dat hij in India is.60

- Op 5 maart 2010 om 12:05 uur wordt [verdachte] gebeld door een NN-vrouw. De NN-vrouw zegt dat [vreemdeling 5] met zijn eigen zaak wil beginnen en zich daarvoor wil laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. [verdachte] antwoordt dat dit niet kan, omdat hij hier nog geen drie jaar is. De NN-vrouw zegt dat zij tegen hem heeft gezegd dat zij geen problemen wil en dat hij met de tante contact moet opnemen. De NN-vrouw zegt verder dat als zij problemen krijgt, zij hem laat uitschrijven. [verdachte] zegt dat zij hem zal bellen.61

- Op 5 maart 2010 om 12:08 uur belt [verdachte] naar [vreemdeling 5]. [verdachte] zegt tegen [vreemdeling 5] dat [medeverdachte 7] hem maandag wil laten uitschrijven en hij opzoek moet naar een ander adres. [verdachte] zegt dat hij hier nog geen drie jaar is en dat zijn klus kan mislukken als hij daarvoor op eigen houtje iets gaat doen. [vreemdeling 5] zegt dat hij op 8 augustus 2008 in Nederland is gekomen, waarop [verdachte] antwoordt dat hij dan nog 17 maanden moet doorbrengen.62

B. Oordeel van het hof

Uit vorenstaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5] geen exclusieve en duurzame relatie met elkaar onderhielden, noch daartoe een gemeenschappelijke huishouding voerden en samenwoonden aan de [adres medeverdachte 7] te Leiderdorp. Het hof stelt vast dat in zoverre sprake is geweest van eens schijnrelatie tussen [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5]. Door zich voor te doen als de partner van [vreemdeling 5] in de aanvraag MVV en VTV is [medeverdachte 7] [vreemdeling 5] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en verblijf in Nederland.

Het hof acht bewezen dat de verdachte wetenschap had van de schijnrelatie tussen [medeverdachte 7] en B. [vreemdeling 5] en dat zij bewust en nauw met hen heeft samengewerkt bij het behulpzaam zijn van [vreemdeling 5] bij het zich verschaffen van toegang tot en verblijf in Nederland. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [medeverdachte 7] door de verdachte is benaderd om iemand te helpen en dat de verdachte haar vervolgens bij [vreemdeling 5] heeft geïntroduceerd. De verdachte was vervolgens degene die de formulieren ten behoeve van de aanvraag verblijfsvergunning voor [vreemdeling 5] heeft opgevraagd en gestuurd naar de IND, nadat deze formulieren in haar bijzijn door [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5] waren ingevuld. Voorts blijkt uit de hiervoor weergegeven tapgesprekken dat [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5] zich tot de verdachte wendden voor vragen en bij problemen, bijvoorbeeld in verband met voor hen ontvangen post van officiële instanties.

Het hof acht eveneens bewezen dat [medeverdachte 7] en [verdachte] uit winstbejag hebben gehandeld.
Gebleken is dat [verdachte] in het bijzijn van [vreemdeling 5] € 10.000 contant aan [medeverdachte 7] heeft betaald. Uit de hiervoor bij de schijnrelatie tussen [medeverdachte 6] en [vreemdeling 8] en [medeverdachte 8] met [vreemdeling 6] beschreven feiten en omstandigheden, alsmede de hierna bij de nog te bespreken schijnrelaties tussen [medeverdachte 9] en [vreemdeling 7] volgt dat telkens dezelfde handelswijze is gevolgd: de referenten werden contant betaald door, dan wel in aanwezigheid van de verdachte en kregen bedragen tussen de € 7.000,- en € 10.000,- voor hun ‘hulp’. Zowel [medeverdachte 6] als [medeverdachte 9] hebben verklaard dat de verdachte een percentage van dit bedrag als bemiddelingskosten ontving. Uit het hiervoor weergegeven getapte telefoongesprek tussen [vreemdeling 8] en verdachte volgt voorts dat ook [vreemdeling 8] geld aan de verdachte moest betalen. Het hof overweegt dat gelet op dit gesprek – en mede gelet op het excessieve en niet uit legale inkomsten te verklaren uitgavenpatroon van de verdachte, zoals hierna bij het bespreken van de witwasverdenking aan de orde zal komen- dat genoegzaam uit het dossier is gebleken dat de verdachte ook van de betrokken vreemdelingen geld voor haar bemoeienissen bij het op valse gronden verkrijgen van (voortgezette) verblijfsvergunningen ontving en dat het handelen van de verdachte erop was gericht om zichzelf te verrijken.

Voorts is het hof van oordeel dat [verdachte] bewust en nauw met [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5] heeft samengewerkt bij het valselijk opmaken van de vragenlijst behorend bij de aanvraag MVV en de relatieverklaring behorend bij de VTV van [vreemdeling 5], welke stukken naar de IND zijn gestuurd. Uit hetgeen hiervoor door het hof is overwogen, volgt immers dat [verdachte] direct betrokken was bij de aanvraag MVV en VTV van [vreemdeling 5], alsook dat zij de benodigde formulieren heeft opgevraagd; dat deze formulieren in haar bijzijn door [medeverdachte 7] zijn ingevuld; en dat zij degene is geweest die de formulieren vervolgens naar de IND heeft gestuurd. (zaaksdossier 7 blz. 55-57). De formulieren zijn overigens aangetroffen in het dossier van de IND inzake [vreemdeling 5]. Hiermee staat naar het oordeel van het hof vast dat door of namens de verdachte de bewuste geschriften zijn toegekomen aan de IND.

Ten aanzien van de wederrechtelijkheid van de toegang tot en het verblijf in Nederland van [vreemdeling 5] overweegt het hof ambtshalve nog het volgende. Gebleken is dat [vreemdeling 5] onder valse voorwendselen een op zichzelf geldige verblijfstitel heeft verkregen om toegang te verkrijgen tot en te verblijven in Nederland. Ter verkrijging van de verblijfstitel is immers verklaard dat hij een duurzame en/of exclusieve relatie had met [medeverdachte 7] en dat zij daartoe een gemeenschappelijke huishouding voerden en samenwoonden, terwijl dit feitelijk niet het geval was. Nu deze verblijfstitel op valse gronden zijn afgegeven, acht het hof de toegang tot en het verblijf in Nederland wederrechtelijk. De verdachte wist dat deze toegang en dit verblijf wederrechtelijk was, nu zij heeft meegeholpen aan het op valse wijze verkrijgen van die verblijfstitel.

Het hof verwerpt de door de raadsman in dit verband gevoerde verweren.

4 Schijnrelatie tussen [medeverdachte 9] en [vreemdeling 7]

A. Feiten en omstandigheden

[vreemdeling 7] (hierna te noemen [vreemdeling 7]) heeft op 20 februari 2008 een MVV aangevraagd bij de Nederlandse Ambassade in New Delhi (India).63 Ten behoeve van deze aanvraag heeft [medeverdachte 9] (hierna te noemen [medeverdachte 9]) een vragenlijst ingevuld waarin is vermeld dat zij de partner is van [vreemdeling 7] en dat zij een duurzame en exclusieve relatie met hem heeft.64 De MVV is op 21 april 2008 afgegeven aan [vreemdeling 7] en op 20 mei 2008 is hij Nederland in gereisd.65

Op 13 juni 2008 heeft [vreemdeling 7] vervolgens een aanvraag VTV ingediend bij de IND.66 Op de bij die aanvraag behorende relatieverklaring is vermeld dat hij en [medeverdachte 9] vanaf 2 juni 2008 een exclusieve relatie onderhouden, dat zij daartoe een gemeenschappelijke huishouding voeren en samenwonen aan de [adres medeverdachte 9] in Den Haag, alsmede dat [vreemdeling 7] de levenspartner van [medeverdachte 9] is.67 De aanvraag en relatieverklaring zijn door [vreemdeling 7] en [medeverdachte 9] ondertekend.68 Met ingang van 2 juni 2008 is [vreemdeling 7] ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op voornoemd adres.69 Bij beschikking van 24 juni 2008 is de aanvraag van [vreemdeling 7] ingewilligd en aan hem een (voorlopige) verblijfsvergunning verleend tot 13 juni 2009.70

[medeverdachte 9] heeft verklaard zoals hiervoor is weergegeven, kort samengevat dat zij een schijnrelatie heeft gehad met [vreemdeling 7], door [verdachte] is geholpen bij het aanvragen van een verblijfsvergunning voor [vreemdeling 7] en voor haar hulp 15.000 euro van [verdachte] heeft ontvangen, waarvan [verdachte] 10% bemiddelingskosten heeft afgetrokken.

B. Oordeel van het hof

Uit vorenstaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 9] en [vreemdeling 7] geen exclusieve en duurzame relatie met elkaar onderhielden, noch daartoe een gemeenschappelijke huishouding voerden en samenwoonden aan de [adres medeverdachte 9] te Den Haag. Het hof stelt vast dat in zoverre sprake is geweest van een schijnrelatie tussen [medeverdachte 9] en [vreemdeling 7]. Door zich voor te doen als de partner van [vreemdeling 7] in de aanvragen MVV en VTV is [medeverdachte 9] [vreemdeling 7] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van de toegang tot en (voortgezet) verblijf in Nederland.

Het hof acht bewezen dat de verdachte wetenschap had van de schijnrelatie en bewust en nauw met [medeverdachte 9] en [vreemdeling 7] heeft samengewerkt bij het behulpzaam zijn van [vreemdeling 7] bij het zich verschaffen van een geldige verblijfstitel om tot Nederland toe te treden en in Nederland te verblijven.

De verdachte heeft de nodige uitleg aan [medeverdachte 9] gegeven en papieren opgevraagd bij de IND. Ook heeft zij [medeverdachte 9] meegenomen naar het advocatenkantoor waar de papieren door [secretaresse advocatenkantoor] zijn ingevuld en vervolgens door [medeverdachte 9] zijn ondertekend.

Het hof acht eveneens bewezen dat de verdachte en [medeverdachte 9] daarbij uit winstbejag hebben gehandeld, reeds gelet op de verklaring van [medeverdachte 9] dat zij voor haar hulp aan [vreemdeling 7] een bedrag van € 15.000 contant van de verdachte heeft ontvangen, waarvan de verdachte 10% heeft gekregen voor haar bemiddeling bij de procedure. Het hof gaat er bovendien van uit dat ook de vreemdeling [vreemdeling 7] geld aan verdachte zal hebben betaald voor haar bemoeienissen bij het op valse gronden verkrijgen van de (voortgezette) verblijfsvergunning en verwijst naar de hetgeen bij hierover bij de schijnrelatie tussen [medeverdachte 7] en [vreemdeling 5] is overwogen.

Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte bewust en nauw met [medeverdachte 9] en [vreemdeling 7] heeft samengewerkt bij het valselijk opmaken van de vragenlijst behorend bij de aanvraag MVV en de relatieverklaring behorend bij de VTV van [vreemdeling 7], welke stukken naar de IND zijn gestuurd. Uit hetgeen hiervoor door het hof is overwogen, volgt immers dat de verdachte directe betrokkenheid bij de aanvraag MVV en VTV van [vreemdeling 7] heeft gehad, alsook dat zij de formulieren ten behoeve van de aanvragen heeft opgemaakt en [medeverdachte 9] naar een advocatenkantoor heeft begeleid alwaar de desbetreffende papieren zijn ingevuld en door [medeverdachte 9] zijn ondertekend, terwijl verdachte wist dat hetgeen in die papieren werd vermeld in strijd met de waarheid was.

Ten aanzien van de wederrechtelijkheid van de toegang tot en het verblijf in Nederland van [vreemdeling 7] overweegt het hof ambtshalve nog het volgende. Gebleken is dat [vreemdeling 7] onder valse voorwendselen een op zichzelf geldige verblijfstitel heeft verkregen om toegang te verkrijgen tot en te verblijven in Nederland. Ter verkrijging van de verblijfstitel is immers verklaard dat hij een duurzame en/of exclusieve relatie hadden met [medeverdachte 9] en dat zij daartoe een gemeenschappelijke huishouding voerden en samenwoonden, terwijl dit feitelijk niet het geval was. Nu deze verblijfstitel op valse gronden zijn afgegeven, acht het hof de toegang tot en het verblijf in Nederland wederrechtelijk. De verdachte wist dat deze toegang en dit verblijf wederrechtelijk was, nu zij heeft meegeholpen aan het op valse wijze verkrijgen van die verblijfstitel.

Het hof verwerpt de door de raadsman in dit verband gevoerde verweren.

5 Witwassen

In deze zaak gaat het om witwassen van opbrengsten van een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf.

Naar inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt te dier zake het volgende (HR 19.11.2013, ECLI: NL:HR:1356):

“Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. (…)

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (…)”

Feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van het ten laste gelegde witwassen gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

a. averdachte], de hoofdverdachte in deze zaak, heeft in de ten laste gelegde periode een uitkering op bijstandsniveau.71 [medeverdachte 1]] genoot een wao-uitkering.72 Het reisbureau [reisbureau]was in de gehele periode verliesgevend.73 Niet gebleken is dat [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 1]] inkomsten hebben genoten uit dit reisbureau. [medeverdachte 2] was in deze periode deels studerend en daarnaast parttime werkend in een praktijk voor chiropractie.74 Vanaf de tweede helft van 2008 was [medeverdachte 2] werkzaam als beginnend basisarts bij een GGZ-instelling tegen een daarvoor passend salaris.75

bmedeverdachte 2] had de beschikking over een op zijn naam staande bankrekening bij de ABN AMRO met het nummer [rekeningnummer medeverdachte 2]. Voorts had hij de beschikking over een aantal creditcards, waarvan hij er in ieder geval één aan [verdachte] ter beschikking had gesteld ten behoeve van aankopen/uitgaven. Deze creditcard stond op naam van [verdachte] en werd gevoed door de genoemde rekening. Via afschriften van de creditcard-uitgaven hield hij zicht op de uitgaven van zijn moeder. Aan deze rekening was een doorlopend krediet verbonden.76

[reisbureau]maakt gebruik van bankrekeningnummer [rekeningnummer reisbureau]. [medeverdachte 1]] deed onder meer de financiën van [reisbureau].77

cverdachte] heeft in de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2010 in totaal 371 bezoeken gebracht aan het Holland Casino in Scheveningen en Rotterdam.78 Met haar zijn door medewerkers van het Holland Casino twee keer gesprekken gevoerd over een eventuele gokverslaving. In deze gesprekken heeft zij aangegeven per bezoek € 100,- aan contant geld mee te nemen en niet te pinnen.79 In het op 14 april 2010 gehouden verhoor geeft [verdachte] aan per avond € 100,- tot € 200,- uit te geven.80 Op grond van de omstandigheid dat [verdachte] er in de gesprekken met medewerkers van het Holland Casino belang bij had haar uitgaven te bagatelliseren, gaat het hof ervan uit dat

[verdachte] tijdens deze bezoeken aan het casino gemiddeld

€ 150,- per avond uitgeeft. 371 maal € 150,- levert aan totale uitgaven een bedrag van € 55.650,- op. In het dossier bevindt zich geen informatie ter zake van de door Holland Casino aan verdachte al dan niet uitgekeerde winsten.

dIn de ten laste gelegde periode heeft [verdachte] een zeer groot aantal verre reizen gemaakt.81

In 2006 heeft [verdachte] twee maal een reis naar India gemaakt en één maal een reis naar de Verenigde Staten met een totaal aan minimale kosten van € 8.689,11.

In 2007 heeft [verdachte] één reis naar India gemaakt, twee maal een reis naar de Verenigde Staten, waarvan één cruise en een reis naar Frankrijk met een totaal aan minimale kosten van € 11.065,35.

In 2008 heeft [verdachte] één reis naar Marokko gemaakt, twee maal een reis naar India, één maal een reis naar de Verenigde Staten en één maal een reis naar Suriname met een totaal aan minimale kosten van € 6.153,84.

In 2009 heeft [verdachte] drie maal een reis naar de Verenigde Staten gemaakt, waarvan twee cruises, drie maal een reis naar India, één reis naar Dubai/China en één reis naar Portugal met een totaal aan minimale kosten van € 43.268,-.

In 2010 heeft [verdachte] één reis naar India gemaakt, één reis naar Suriname en één reis naar de Verenigde Staten gemaakt met een totaal aan minimale kosten van

€ 16.195,44. De totale minimale kosten van [verdachte] aan reizen in de ten laste gelegde periode bedragen

€85.371,74.82

eWat betreft de financiering van de kosten van deze reizen kan het volgende vastgesteld worden:83

Reis India 26 maart tot 12 april 2006 :

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake de volgende bedragen: € 129,- + € 167,19 + € 142,82 + € 50,- + € 754,86, derhalve totaal € 1.243,87.

Tegenover deze kosten staat op 15 maart 2006 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van € 2.285,-.

Via drie door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcards zijn de volgende uitgaven gedaan: creditcard ten name van [verdachte] 55.000 inr = € 1.025,62; creditcard ICS

€ 522,42 en creditcard VISA € 101,18. Derhalve totaal

€ 1.649,22. Op 15 mei 2006 vindt een contante storting op deze rekening plaats van € 1.600,-.

Reis Verenigde Staten 2 juni tot 24 juni 2006:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 1.496,-.

Tegenover deze kosten staat op 14 april 2006 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van € 2.300,-.

Via drie door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcards zijn de volgende uitgaven gedaan: creditcard ten name van [verdachte] € 424,49; creditcard ICS € 489,82; en creditcard VISA € 810,69. Derhalve totaal € 1.725,-. Op 10 juli en 19 juli 2006 vinden contante stortingen op deze rekening plaats van respectievelijk € 50,-, € 850,- en € 750,-, derhalve in totaal € 1.650,-.

Reis India 12 november tot 4 december 2006:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake de volgende bedragen: € 747,23, € 414,34, € 75,56 en

€ 37,29. Derhalve totaal € 1.274,42.

Tegenover deze kosten staat op 13 november 2006 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van € 4.360,-- (boeking voor zes personen).

Via de door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard ten name van [verdachte] is de volgende uitgave gedaan:

€ 1.300. Op 21 december 2006 vindt een contante storting van € 1.500,- op deze rekening plaats.

Reis India van 15 maart tot 2 april 2007:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 650,-.

Tegenover deze kosten staat op 9 februari 2007 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van € 1.190,- (boeking twee personen).

Reis Verenigde Staten cruise van 26 mei tot 8 juni 2007:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 2.080,-.

Tegenover deze kosten staat op 3 mei 2007 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van € 3.460,- (vlucht drie personen en cruise twee personen).

Via de door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard zijn de volgende uitgaven gedaan: € 423,56 en € 1.139,69. Op 16 juli 2007 vindt een contante storting van € 1.650,- op deze rekening plaats.

Reis Verenigde Staten, New York 29 september tot 16 oktober 2007:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 667,-.

Hiertegenover staat op 1 oktober 2007 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van € 3.790,- (meerdere personen).

Via rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] en de door deze rekening gevoede creditcard ten name van [verdachte] en andere creditcards zijn de volgende uitgaven gedaan: € 799,78;

€ 85,36; € 255,13; en € 1.830,-. Derhalve in totaal

€ 2.970,27. Op 21 december 2006 vindt een contante storting van € 2.160,- op deze rekening plaats.

Reis Marokko van 20 januari tot 27 januari 2008:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 363,-. Op de verkoopnota d.d. 12 februari 2008 staat geschreven dat door ma € 250,- per kas is betaald.

Via de door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard ten name van [verdachte] is de volgende uitgave gedaan:

€ 430,-. Op 8 februari 2008 vindt een contante storting van € 500,- op deze rekening plaats.

Reis India van 2 maart tot 17 maart 2008:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 1.545,-.

Hiertegenover staat op 5 maart 2008 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van

€ 2.700,-.

Via de door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard ten name van [verdachte] is de volgende uitgave gedaan:

€ 56,89.

Reis Verenigde Staten 29 april tot 9 mei 2008:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 980,-.

Hiertegenover staat op 7 april 2008 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van

€ 584,- (meerdere personen).

Via de door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard ten name van [verdachte] is de volgende uitgave gedaan:

€ 21,05. Op 26 mei 2008 vindt een contante storting van

€ 700,- op deze rekening plaats.

Reis Verenigde Staten 8 januari tot 19 januari 2009:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake onder meer de volgende bedragen: € 51,30 en 248,66, derhalve totaal € 299,96.

Tegenover deze kosten staat op 29 september 2008 een contante storting op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] van € 2.000,- (er is geboekt en betaald in 2008).

Via rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] en de door deze rekening gevoede creditcard ten name van [verdachte] en andere creditcards zijn de volgende uitgaven gedaan: € 74,52 en € 841,20. Derhalve in totaal € 915,72. Op 2 februari 2009 vindt een contante storting van € 1.550,- op deze rekening plaats.

Via de aan de onder b genoemde rekening verbonden creditcard van [reisbureau] zijn voor een bedrag van

€ 5.468,34 goederen gekocht. Hiertegenover staat een contante storting op deze rekening op 5 februari 2009 van € 5.400,-.

Reis Verenigde Staten cruise van 8 februari tot 15 februari 2009:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 1.500,-. Op de verkoopnota staat geschreven dat dit bedrag is betaald door [verdachte]. Blijkens het op de computer bijgehouden kasboek van

[medeverdachte 1]] is op 8 januari ter zake van deze reis

€ 1.500,- gestort, waarna dit bedrag naar een andere bankrekening van [medeverdachte 1]] is overgemaakt.

Via rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] en de door deze rekening gevoede creditcard ten name van [verdachte] zijn op de boot de volgende uitgaven gedaan: € 1.081,40 en € 7.700,16. Op 9 februari en 18 februari 2009 vinden contante stortingen van € 4.000,- en € 4.900,- op deze rekening plaats.

Reis India van 10 juni tot 18 juni 2009:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake onder meer de volgende bedragen: € 750,-; € 245,68;

€ 550,-; en € 1.300,-. Derhalve totaal € 2.845,68.

Tegenover deze kosten staan contante stortingen op de onder b genoemde rekening van [reisbureau] op 14 mei 2009 van € 2.250,-; op 22 mei 2009 van € 3.500,-; en op

2 juni 2009 van € 2.535,-.

Via de door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard ten name van [verdachte] is de volgende uitgave gedaan:

€ 1.693,65. Op 1 juli 2009 is op deze rekening een bedrag van € 1.700,- contant gestort. Voorts heeft [verdachte] via haar eigen creditcard (verbonden aan rekeningnummer [rekeningnummer verdachte]) € 480,96 betaald, terwijl er op 10 juni 2009 een bedrag van € 1.050,- in contanten op deze rekening gestort is.

Reis Dubai/China van 10 juli tot 24 juli 2009:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 1.900,-. Op 7 juli en 13 juli 2009 worden bedragen van € 3.480,- en 3.395,- (telkens meerdere personen) contant gestort op de onder b genoemde bankrekening van [reisbureau].

Via de door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard ten name van [verdachte] zijn de volgende uitgaven gedaan:

€ 1.245,25 en € 429,95. Op 15 september 2009 is op deze rekening een bedrag van € 1.400,- contant gestort.

Reis Verenigde Staten cruise van 18 augustus tot 13 september 2009:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 3.550,-. Op 11 maart 2009 is een bedrag van € 4.000,- contant gestort op de onder b genoemde bankrekening van [reisbureau].

Via rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] en de door deze rekening gevoede creditcard ten name van [verdachte] zijn op de boot de volgende uitgaven gedaan: € 2.802,40 en € 5.872,94.

Reis India van 3 februari tot 10 februari 2010:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake de volgende bedragen : € 432,-; € 800,- (reisgenoot [verdachte]); en € 1.000,-. Op 15 en 27 januari 2010 worden respectievelijk € 3.140,- en € 2.050,- contant gestort op de onder b genoemde bankrekening van [reisbureau].

Reis Verenigde Staten van 20 februari tot 1 maart 2010:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 1.035,-. Blijkens het in de computer van [medeverdachte 1]] aangetroffen kasboek is dit bedrag contant betaald.

Via een door rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] gevoede creditcard is de volgende uitgave gedaan: € 2.202,38. Op 22 februari 2010 is vanuit de vertrekhal van Schiphol op deze rekening een bedrag van € 9.000,- contant gestort.

Reis Suriname van 14 maart tot 1 april 2010:

De administratie van [reisbureau] vermeldt te dier zake het volgende bedrag: € 581,27. Blijkens het in de computer van [medeverdachte 1]] aangetroffen kasboek is op 15 januari 2010 een bedrag van € 660,- contant betaald.

fOp vrijdag 25 en zaterdag 26 september 2009 is het huwelijk gevierd tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5].84 Aan deze festiviteiten zijn kosten verbonden geweest.

[getuige 2] heeft als getuige onder meer verklaard dat een vrouw, die hij omschrijft als “big mama”, onder de naam [reisbureau] in 2009 een zaal te Leiden heeft gehuurd. De huur van de zaal en de afrekeningen werden via bankafrekeningen betaald vanaf de rekeningen [rekeningnummer medeverdachte 2] en [rekeningnummer reisbureau].85 Als bijlagen bij dit verhoor zijn gevoegd facturen gericht aan [reisbureau] ad

€ 36,46; € 2.104,46; € 420,-; en € 156,29.

Op bankrekening [rekeningnummer medeverdachte 2] is op 10 december 2009 een bedrag van € 2.000,- contant gestort.

[directeur horecabedrijf], directeur van [horecabedrijf], heeft als getuige verklaard dat [verdachte] onder debiteurnummer [debiteurnummer] bij hem bekend was. Op 8 november 2009 zijn drie facturen inzake dit debiteurnummer opgemaakt. Deze facturen zijn gericht aan [reisbureau]. In december 2009 is door de gebruiker van bankrekeningnummer [rekeningnummer medeverdachte 2] op naam van [medeverdachte 2] het totale factuurbedrag van € 1.633,99 voldaan.86

Op 18 december 2009 vindt op deze laatste bankrekening een contante storting van € 1.950,- plaats.87

gmedeverdachte 2] woonde in de ten laste gelegde periode samen met [verdachte], zijn moeder, in één woning. Hij beoogde hiermee onder meer zicht te houden op haar gezondheidstoestand. Na terugkeer van zijn werk is hij degene die meestal kookt, waarna de maaltijd gezamenlijk genoten wordt.88

Het door [medeverdachte 1]] gedreven reisbureau was officieel gevestigd in de woning van [verdachte].89 Het reisbureau beschikte over een eigen ruimte in die woning.90 [medeverdachte 1]] wordt bij arrest van heden onder meer veroordeeld voor het samen met [verdachte] handelen in strijd met art. 197a Wetboek van Strafrecht. [verdachte] wordt eveneens bij arrest van heden onder meer veroordeeld voor het samen met anderen overtreden van genoemd artikel.

hverdachte] is in 1989 veroordeeld wegens ‘valsheid in geschrift’ tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 9 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk. In 1996 is zij ter zake van ‘mensensmokkel’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Zij is voorts veroordeeld tot betaling van NLG 17.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Blijkens een spreadsheet-overzicht zijn van genoemde bankrekening [rekeningnummer medeverdachte 2] ter zake van CJIB ontneming 2006 en 2007 [verdachte] in januari 2007 vier keer bedragen ad € 50,- afgeschreven.91

i. iIn totaal is in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 126.250,50 in contanten gestort op banrekeningnummer [rekeningnummer medeverdachte 2], terwijl in dezelfde periode een bedrag van € 19.495,53 wordt opgenomen.92

Op de bankrekening van [medeverdachte 2] met het nummer [rekeningnummer medeverdachte 2] zijn in ieder de volgende bedragen contant gestort:

23.01.2006 € 1.200 kasstorting Stationsweg Leiden

01.02.2006 € 1.900 kasstorting Breestraat Leiden

13.02.2006 € 1.000 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

20.02.2006 € 900 kasstorting Stationsweg Leiden

06.03.2006 € 600 kasstorting Statendaalder

Leiderdorp

21.03.2006 € 900,80 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

02.05.2006 € 1.000 kasstorting Stationsweg Leiden

09.05.2006 € 1.200 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

15.05.2006 € 1.600 kasstorting Stationsweg Leiden

29.05.2006 € 4.050 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

30.05.2006 € 3.500 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

10.07.2006 € 50 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

10.07.2006 € 850 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

19.07.2006 € 750 kasstorting Stationsweg Leiden

04.08.2006 € 15 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

04.08.2006 € 495 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

23.08.2006 € 1.500 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

30.08.2006 € 1.750 stort geldauto Bergmolen Leiden

pas 017

15.09.2006 € 1.650 storting Breestraat Leiden

01.10.2007 € 1.000 kasstorting vertrekpassage

Schiphol

16.10.2006 € 50 stort geldau Meibergdreef pas

017

16.10.2006 € 60 stort geldau Meibergdreef pas

017

16.10.2006 € 100 stort geldau Meibergdreef pas

017

16.10.2006 € 100 stort geldau Meibergdreef pas

017

16.10.2006 € 580 stort geldau Meibergdreef pas

017

24.11.2006 € 600 storting geldau Meibergdreef pas

017

11.12.2006 € 1.150 stort geldau Meibergdreef pas

017

21.12.2006 € 1.500 kasstorting Breestraat Leiden

02.01.2007 € 1.640 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

18.01.2007 € 600 stort geldaut Meibergdreef 9 ams

pas 017

29.01.2007 € 50 stort geldaut Meibergdreef 9 ams

pas 017

29.01.2007 € 1.200 stort geldaut Meibergdreef 9 ams

pas 017

26.02.2007 € 300 stort geldaut Meibergdreef 9 ams

pas 017

19.03.2007 € 220 stort geldaut Meibergdreef 9 ams

pas 017

28.03.2007 € 90 kasstorting Stationsweg Leiden

02.04.2007 € 340,50 kasstorting Stationsweg Leiden

29.05.2007 € 400 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

19.06.2007 € 600 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

30.06.2007 € 600 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

30.07.2007 € 3.400 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

23.08.2007 € 855 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

27.09.2007 € 575 kasstorting Breestraat Leiden

11.10.2007 € 1.000 kasstorting Stationsweg Leiden

29.10.2007 € 2.160 kasstorting Stationsweg Leiden

22.11.2007 € 3.200 storting geldautomaat Stationsweg

Leiden pas 017

03.12.2007 € 995 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

10.12.2007 € 700 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

15.01.2008 € 1.450 storting geldau Meibergdreef

pas 017

21.01.2008 € 700 storting Stationsweg Leiden pas

017

18.02.2008 € 500 storting geldau Meibergdreef

pas 017

18.02.2008 € 4.950 storting geldau Meibergdreef

pas 017

03.03.2008 € 2.620 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

26.05.2008 € 700 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

16.06.2008 € 550 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

03.07.2008 € 300 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

16.07.2008 € 2.000 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

08.08.2008 € 200 storting geldau Meibergdreef

pas 017

08.08.2008 € 1.000 storting geldau Meibergdreef

pas 017

29.09.2008 € 3.000 storting geldautomaat

Stationsweg Leiden pas 017

20.10.2008 € 900 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

04.12.2008 € 350 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

12.12.2008 € 5.000 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

09.01.2009 € 150 kasstorting vertrekpassage

Schiphol

02.02.2009 € 1.550 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

09.02.2009 € 4.000 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

18.02.2009 € 4.900 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

05.03.2009 € 1.500 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

05.03.2009 € 2.000 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

09.03.2009 € 1.100 kasstorting Stationsweg Leiden

16.04.2009 € 2.200 kasstorting Stationsweg Leiden

23.04.2009 € 3.800 kasstorting Stationsweg Leiden

28.05.2009 € 4.200 kasstorting Stationsweg Leiden

19.06.2009 € 450 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

01.07.2009 € 1.700 kasstorting Stationsweg Leiden

22.07.2009 € 5.300 kasstorting Stationsweg Leiden

pas 017

10.12.2009 € 2.000 storting 15.52 uur geldautomaat

S1Y252

18.12.2009 € 1.950 storting 14.19 uur geldautomaat

S1Y252 Stationsweg 31-33

07.01.2010 € 1.100 storting 10.50 uur geldautomaat

S1Y252

18.01.2010 € 700 storting 11.07 uur geldautomaat

S1Y252

04.02.2010 € 1.450 storting 13.50 uur geldautomaat

S1Y252

22.01.2010 € 9.000 uw kasstorting bij kantoor

vertrekpassage 200 Schiphol.

[medeverdachte 2] heeft als verdachte in zijn eigen zaak ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 maart 2011 verklaard dat hij deze stortingen verricht heeft. Ook als getuige heeft hij dit verklaard tegenover de rechter-commissaris.

Wetenschap herkomst bij mededaders

Analyse van het betalingsverkeer via ABN AMRO bankrekening [rekeningnummer medeverdachte 2] ten name van [medeverdachte 2] levert onder meer de volgende opmerkelijke mutaties op:93

  1. MVJ/IND601LEGES mvv dip [persoon 1] d.d. 09.01.2006, bedrag € 830,-;

  2. Ministerie van BUZA kenmerk 2007120085 naam: [vreemdeling 5], d.d. 10.12.2007 bedrag € 350,-;

  3. IND V-nr 2701904858 sonr 7520010634, d.d. 10.10.2007, bedrag € 830,00

  4. MVJ/IND lege MVVDIP betreft dhr [persoon 2] doss 05/904, d.d. 17.02.2006, bedrag € 830,00

  5. Ministerie van BUZA kenmerk 2007050537 [vreemdeling 9], bedrag € 350,-;

  6. Burgerzaken Leiden, drie keer voor het bedrag van

€ 132,50.

Gegeven het feit dat [medeverdachte 2] zicht hield op het verloop van de mutaties op zijn bankrekening en bezien in onderling verband en samenhang met de eerdere perioden van gedwongen afwezigheid wegens (blijkens de strafmaat: ernstige) veroordelingen van [verdachte] ter zake van valsheid in geschrift en ter zake van mensensmokkel, de betalingen aan het CJIB inzake de ontnemingszaak betreffende [verdachte] (zie hiervoor onder 6 sub h) en de hoge bedragen welke regelmatig, maar met wisselende tussenperiodes op zijn bankrekening zijn gestort, alsmede alle overige hiervoor onder a tot en met i vermelde omstandigheden, is het hof van oordeel dat de hiervoor onder 1 tot en met 6 opgesomde betalingen [medeverdachte 2] minst genomen zozeer hadden moeten waarschuwen dat hij wist dan wel had moeten weten dat de bedragen welke door [verdachte] werden uitgegeven van misdrijf afkomstig waren.

[verdachte] en [medeverdachte 1]] zijn bij arrest door dit hof als mededaders veroordeeld voor handelen in strijd met de artikelen 140, 197a en 225 Wetboek van Strafrecht. Met de opbrengsten van de door hen zelf gepleegde strafbare feiten zijn de witwasfeiten begaan. Zij waren dan ook bij uitstek op de hoogte van de herkomst van deze contante gelden. Weliswaar is [medeverdachte 1]] voor veel minder feiten veroordeeld dan [verdachte], echter gezien het feit dat hij wel voor een aantal feiten is veroordeeld en de omstandigheden dat alle door

[verdachte] gemaakte reizen geboekt werden via zijn reisbureau en het ook voor hem kenbaar moet zijn geweest dat de frequentie, de duur, de aard (voor een deel cruises) en de bestemming van deze reizen niet verenigbaar zijn met een inkomen op minimum niveau, is het hof van oordeel dat ook hij heeft geweten dat de bedragen die door [verdachte] werden uitgegeven van misdrijf afkomstig waren.

Medeplegen

Naar het oordeel van het hof moeten [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]] worden aangemerkt als medeplegers ten aanzien van het witwassen van gelden genoemd onder e en f.

Wat betreft de hiervoor onder e genoemde reizen beoordeelt het hof het aandeel van [medeverdachte 1]] aldus dat hij als reisorganisator de contante betalingen van [verdachte] en de betalingen van [medeverdachte 2] ten behoeve van [verdachte] voor de door hem verkochte reizen (vluchten, accommodaties en verder vervoer) accepteerde. [medeverdachte 1]] wist hoe deze gelden waren verkregen en werkte bewust en nauw met [verdachte] en [medeverdachte 2] samen om legale diensten te verrichten/verkopen in ruil voor geld met een criminele herkomst.

[verdachte] heeft daarnaast tijdens deze reizen uitgaven van diverse aard gedaan met een creditcard die werd gevoed door de bankrekening [rekeningnummer medeverdachte 2], die op naam van [medeverdachte 2] stond. Deze rekening werd gevoed met contante stortingen van geld met een criminele herkomst. [medeverdachte 2] voerde deze stortingen uit. Aldus werd verhuld dat met deze creditcard zaken werden aangeschaft met gelden waarvan de herkomst crimineel was. [medeverdachte 1]] was hiervan op de hoogte en faciliteerde het aldus doen van uitgaven.

[medeverdachte 2] heeft de contante stortingen op zijn bankrekening met het nummer [rekeningnummer medeverdachte 2] uitgevoerd en geaccepteerd dat dit gebeurde. Hij heeft girale betalingen gedaan aan [reisbureau] en wist dat tijdens de reizen van [verdachte] met een door deze rekening gevoede creditcard betalingen zouden worden gedaan, waardoor de herkomst van deze gelden aan het zicht werden onttrokken.

Uit de onder f vastgestelde feiten inzake het huwelijk blijkt dat [verdachte] moet worden aangemerkt als de persoon die alles regelt en beslist, terwijl [medeverdachte 1]] en [medeverdachte 2] via hun bankrekeningen betalen voor hetgeen zij bedisseld heeft. [medeverdachte 2] accepteert bovendien contante stortingen teneinde deze betalingen te kunnen doen, wetend dat de herkomst van het gestorte geld uit misdrijf verkregen is.

Wat betreft de stortingen van contant geld op bankrekening [rekeningnummer medeverdachte 2] van [medeverdachte 2] merkt het hof [verdachte] aan als de persoon van wie het geld afkomstig is, die het geld ter beschikking van [medeverdachte 2] heeft gesteld. [medeverdachte 2] heeft het geld op zijn rekening gestort, hij heeft geaccepteerd dat er een geld-carrousel ontstond en dat zijn bankrekening werd gebruikt om de herkomst van het geld te verhullen. Hij heeft daar actief aan meegewerkt. Inzake deze contante stortingen merkt het hof [verdachte] aan als medepleger. Naar het oordeel van het hof is het aandeel van [medeverdachte 1]] ten aanzien van de contante stortingen onvoldoende om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking door hem met [verdachte] en [medeverdachte 2].

Verhullen

Door de contante stortingen op zijn ABN AMRO bankrekening met nummer [rekeningnummer medeverdachte 2] te accepteren, ‘goed’ te zijn voor uitgaven gedaan door [verdachte] met aan deze bankrekening verbonden creditcards en ook overigens via deze bankrekening betalingen te verrichten ten behoeve van [verdachte] in het kader van door haar gemaakte reizen en uitgaven ten behoeve van het huwelijksfeest tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben verdachte en [medeverdachte 2] verhuld dat de uitgaven van [verdachte] van misdrijf afkomstig waren. Door als derde diverse betalingen voor [verdachte] en andere familieleden te voldoen, wat op zichzelf toegestaan is, maar daarnaast ook de hierna te bespreken contante stortingen te accepteren heeft [medeverdachte 2] een mistgordijn opgetrokken waarachter de omvang van de consumptie door [verdachte] onzichtbaar was alsmede de herkomst van de vele daarvoor benodigde gelden. [medeverdachte 2] heeft daarbij niet alleen samengewerkt met [verdachte] (contante stortingen, reizen en huwelijk), maar ook met [medeverdachte 1]] (uitgaven reizen en huwelijk).

Uit de omstandigheid dat deze gedragingen gedurende een lange periode buitengewoon veelvuldig hebben plaatsgevonden leidt het hof af dat deze opzettelijk en doelgericht hebben plaatsgevonden. Uit de genoemde omstandigheden leidt het hof tevens af dat het gaat om een bestendige handelwijze die tot een gewoonte is verworden.

Het hof merkt alle onder d, f en i vermelde contante stortingen aan als witwashandelingen, behoudens voor zover hierna anders aangegeven. De omstandigheid dat soms ook verhoudingsgewijs geringe bedragen gestort zijn op in het bijzonder rekeningnummer [rekeningnummer medeverdachte 2] leidt niet tot een ander oordeel. Uit de tapgesprekken blijkt immers dat het sommige vreemdelingen veel moeite kost de door [verdachte] geëiste bedragen te voldoen en zij met enkele honderden euro’s per keer afbetalen. Het hof wijst in dit kader op de betalingsproblemen van [vreemdeling 8], zoals die blijken uit de diverse tapgesprekken tussen hem en [verdachte].

Alternatieve verklaring

Aangevoerd is dat de contante stortingen op de bankrekening van [medeverdachte 2] ([rekeningnummer medeverdachte 2]) wel degelijk een legale herkomst hebben. Verwezen wordt naar het in eerste aanleg overgelegde overzicht en de door de rechter-commissaris in eerste aanleg en in hoger beroep gehoorde getuigen. Kort samengevat komt het verweer neer op:

  1. geldstromen van diverse aard binnen de familie (kort gezegd: voorschieten van aankopen van diverse aard via een creditcard verbonden aan genoemde bankrekening, contante terugbetaling en de kinderen die hun moeder alles gunnen);

  2. verrekening binnen de familie- en kennissenkring vanwege de kosten inzake door diverse dames met [verdachte] ondernomen reizen;

  3. verkoop land goederen in Suriname.

Het hof stelt het volgende voorop. Wanneer het Excel-overzicht opgesteld door de politie94 gelegd wordt naast het door [medeverdachte 2] opgestelde overzicht met de daarbij behorende getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris valt allereerst op dat verdachte gedurende de gehele periode (tot 10 april 2010 wanneer € 23.500,- gestort wordt) voortdurend rood staat, variërend van € 5.000 tot € 11.000,- negatief.

Het valt op dat ook zeer kleine bedragen, bijvoorbeeld op 9 januari 2006 een bedrag van € 1,68 bij de Aldi en 13 januari 2006 een bedrag van € 7,25 bij Super de Boer met een pas voldaan worden, terwijl dit gedrag niet verandert in de loop van de onderzochte periode, zie bijvoorbeeld

4 mei 2009 een bedrag van € 4,69 bij de Aldi, 8 juni 2009 een bedrag van € 0,79 bij de Action en 12 april 2010 een bedrag van € 5,98 bij Blokker Leiden. Voorts valt op dat [medeverdachte 2] zijn chipknip met bescheiden bedragen oplaadt, bijvoorbeeld op 9 januari 2006 met een bedrag van € 15,-, 15 maart 2006 met een bedrag van € 10,- en 9 mei 2006 met een bedrag van € 10,-. Ook later blijft [medeverdachte 2] gebruik maken van deze betaalmogelijkheid, zie 29 december 2009

€ 25,- en 13 januari 2010 eenzelfde bedrag. Naar het oordeel van het hof illustreren deze voorbeelden dat [medeverdachte 2] makkelijk gebruik maakt van de mogelijkheden van het moderne betalingsverkeer en, kennelijk in ieder geval wat zijn eigen uitgaven betreft, niet erg gericht is op contante betalingen. Het hof leidt hieruit af dat de kasstortingen niet zien op de normale huishoudelijke uitgaven.

Via deze rekening worden daarnaast ook zeer frequent de kosten van medicijnen aan een apotheek voldaan, de premies voor twee verschillende uitvaartverzekeringen (Dela en Monuta) en diverse webwinkels. Dit wijst er naar het oordeel van het hof op dat via deze rekening ook betalingen ten behoeve van familieleden werden verricht.

[medeverdachte 2] lijkt ook gelden ten behoeve van familieleden te ontvangen, bijvoorbeeld op 1 april 2008 een bedrag van € 461,90 van de SVB inzake kinderbijslag, op 20 maart 2009 een bedrag van € 110,- “kind toeslag belasting” ([medeverdachte 2] heeft geen kinderen) en op 15 april 2009 een bedrag van € 565,- “activite decl 6029/schade tafel” (activite is een thuiszorgorganisatie en bood hulp aan [verdachte]). Voorts ontvangt [medeverdachte 2] giraal gelden van familieleden, bijvoorbeeld op 7 januari 2010 van [medeverdachte 5] € 100,-. Het hof leidt hieruit af dat zonder enige twijfel geoordeeld kan worden dat het betalingsverkeer rondom verdachte [medeverdachte 2] niet alledaags verloopt, maar in ieder geval voor een deel wel giraal.

Waar [medeverdachte 2] in bedoeld overzicht per post een verklaring heeft gegeven voor het betalingsverkeer op zijn bankrekening in de ten laste gelegde periode, zal het hof eveneens per post onderzoeken of de betreffende storting al dan niet als witwassen kan worden aangemerkt. In algemene zin merkt het hof op dat in het door [medeverdachte 2] opgestelde overzicht geen verband wordt gelegd met de opeenvolgende afschriften van de creditcard-uitgaven voor zover deze de aankopen in de ruime familiekring betreffen welke via rekening [rekeningnummer medeverdachte 2] lopen, terwijl dat wel voor de hand zou hebben gelegen. Hij verklaart immers zelf dat hij aan de hand van deze afschriften controleerde wat voor wiens rekening was gekocht. Bij gebreke hiervan kan het hof de gestelde legale herkomst alleen bezien tegen de achtergrond van het dossier in hoger beroep.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden de legale herkomst van:

  • -

    De contante storting op 23 januari 2006 van € 1200,- in verband met een betaling voor [persoon 3]. Van deze persoon bevinden zich geen verklaringen in het dossier.

  • -

    De contante storting op 1 februari 2006 van € 1.900 door [persoon 3] en [medeverdachte 4]. Van de eerstgenoemde persoon bevinden zich geen verklaringen in het dossier. [medeverdachte 4] heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris slechts in te algemene bewoordingen verklaard zonder toe te lichten waarom hij als hoogopgeleid ICT-specialist ervoor kiest een grote som geld in contanten te overhandigen in plaats van dit bedrag via internetbankieren over te maken. In dat kader wijst het hof erop dat hij op 29 september 2006 wel giraal geld overmaakt in wat kennelijk een vergelijkbare situatie is.

  • -

    De kasstorting op 13 februari 2006 van € 1.000,- door [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris niet verklaard over het betalen van contante gelden aan [medeverdachte 2], alleen over door haar ontvangen gelden en betalingen door haar aan de IND.

  • -

    De kasstorting op 20 februari 2006 van € 900,-. Een persoon genaamd [persoon 2] en een persoon genaamd “papa”, althans de vader van [medeverdachte 2], zijn niet als getuige gehoord.

  • -

    De kasstorting op 6 maart 2006. Een persoon genaamd [docher verdachte] is niet als getuige gehoord. [verdachte] (het hof gaat ervan uit dat zij de persoon is die met “Ma” wordt aangeduid) heeft niet verklaard over deze storting.

  • -

    De storting op 21 maart 2006 van € 980,-. [persoon 1] en de vader van [medeverdachte 2] zijn niet als getuige gehoord.

  • -

    De stortingen op 2 en 9 mei 2006 van € 1.000,-, respectievelijk € 1.200,-. [persoon 4] is niet als getuige gehoord.

  • -

    De storting op 15 mei 2006 van € 1.600,-. Een persoon genaamd [persoon 3] is niet als getuige gehoord.

  • -

    De storting op 29 mei 2006 van € 4.050,-. Een persoon genaamd [persoon 3] is niet als getuige gehoord. [medeverdachte 9] heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris niet verklaard over het betalen van contante gelden aan [medeverdachte 2], alleen over door haar ontvangen gelden en betalingen door haar aan de IND.

  • -

    Een storting op 30 mei 2006 van € 3.500,-. Een persoon genaamd [persoon 3] is niet als getuige gehoord. [verdachte] heeft niet verklaard over deze storting. Een persoon genaamd [persoon 5] is niet gehoord als getuige.

  • -

    De stortingen op 8 augustus 2006 van € 15,-, respectievelijk € 495,-. [persoon 4] is niet als getuige gehoord.

  • -

    De storting op 23 augustus 2006 van € 1.500,-. Personen genaamd [persoon 3] en [persoon 5] zijn niet gehoord als getuige. [dochter verdachte] verklaart als getuige in algemene zin over bedragen van € 100,- tot € 150,- inzake [kleindochter verdachte]e en in algemene zin over aankopen in de orde van grootte van € 500,-. Over deze specifieke transactie verklaart hij niet. Bovendien koppelt hij dergelijke aankopen aan reizen van [medeverdachte 2] in het buitenland. Dat daarvan in dit geval sprake is blijkt niet uit de mutaties op de bankrekening, gezien de uitgaven in Nederlandse supermarkten en evenmin uit enige verklaring van [medeverdachte 2].

  • -

    De storting op 30 augustus 2006 voor zover het betreft het bedrag van € 1.000,--. [medeverdachte 9] heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris niet verklaard over het betalen van contante gelden aan [medeverdachte 2], alleen over door haar ontvangen gelden en betalingen door haar aan de IND.

  • -

    De storting op 15 september 2006 van € 1.650,-. [medeverdachte 9] heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris niet verklaard over het betalen van contante gelden aan [medeverdachte 2], alleen over door haar ontvangen gelden en betalingen door haar aan de IND. Personen genaamd [persoon 6], [persoon 3] en [persoon 5] zijn niet gehoord als getuige.

  • -

    De stortingen op 16 oktober 2006 van respectievelijk

€ 50,-, € 60,-, € 100,-, € 100,- en € 580,-. Personen genaamd [persoon 3], [persoon 5] en Papa zijn niet gehoord als getuige.

  • -

    De storting op 24 november 2006 van € 600,-. Personen genaamd [persoon 3] en [persoon 5] zijn niet gehoord als getuige.

  • -

    De storting op 2 januari 2007 ad € 1.640,-. [persoon 3] is niet gehoord als getuige.

  • -

    De storting op 28 maart 2007 ad € 90,-. Een persoon genaamd Pa, althans de vader van [medeverdachte 2], is niet gehoord als getuige.

  • -

    De storting op 19 juni 2007 voor zover het betreft het bedrag van € 250,-. Een persoon genaamd [persoon 7] is niet als getuige gehoord.

  • -

    De stortingen op 16 juli 2007 ad € 150,- en€ 2.650,-. Enig verband tussen deze stortingen en betalingen ten behoeve van [vreemdeling 9] is gelet op zijn verklaring als getuige tegenover de rechter-commissaris niet aannemelijk geworden.

  • -

    De stortingen op 30 juli 2007 ad € 600,- en € 3.400,-. Enig verband tussen deze stortingen en betalingen ten behoeve van [vreemdeling 9] is gelet op zijn verklaring als getuige tegenover de rechter-commissaris niet aannemelijk geworden.

  • -

    De storting op 23 augustus 2007 voor zover het betreft het bedrag van € 200,-. Enig verband tussen deze stortingen en betalingen ten behoeve van [vreemdeling 9] is gelet op zijn verklaring als getuige tegenover de rechter-commissaris niet aannemelijk geworden.

  • -

    De kasstorting van € 1.000,- op 1 oktober 2007. Een persoon genaamd Pa, althans de vader van [medeverdachte 2], is niet gehoord als getuige. Niet is aangegeven wie

€ 830,- ten behoeve van de IND aan [medeverdachte 2] heeft betaald, deze persoon is niet gehoord.

  • -

    De kasstorting op 22 november 2007 voor zover het betreft een bedrag van € 3.000,- Een persoon genaamd [persoon 3] is niet gehoord.

  • -

    De kasstorting op 10 december 2007 voor zover het betreft het bedrag van € 350,- en € 250. [vreemdeling 5] heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris verklaard aan niemand geld te hebben betaald voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Uit zijn verklaring blijkt niet van enige betaling ten behoeve van het inburgeringsexamen. Een persoon genaamd Pa, althans de vader van [medeverdachte 2], is niet als getuige gehoord.

  • -

    De kasstorting op 15 januari 2008 voor zover het een bedrag van € 100,- betreft. Een persoon genaamd [persoon 3] is niet gehoord als getuige.

  • -

    De kasstorting ad € 700,- op 21 januari 2008. De omschrijving “Ontv [kleindochter verdachte] vakantie USA” spoort niet met de verklaring van [dochter verdachte] tegenover de rechter-commissaris over het spaargedrag van zijn dochter [kleindochter verdachte].

  • -

    De kasstorting op 3 maart 2008 voor zover het betreft de bedragen ad € 1.360,- en € 140,-. Dat in maart 2008 geld wordt gestort in verband met de overkomst naar Nederland van een pandit eind september 2009 is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk. Een persoon genaamd [persoon 8] is niet gehoord door de rechter-commissaris.

  • -

    De kasstorting op 29 september 2008 ad € 3.000,-. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet aannemelijk dat de zes kinderen van [verdachte] ieder een bedrag van € 500,- inleggen ten behoeve van een verjaardagskado voor hun moeder, terwijl zij reeds naar eigen zeggen zoveel bijdragen aan de veelvuldige reizen en creditcarduitgaven.

  • -

    De kasstorting op 4 december 2008 voor zover het betreft een bedrag van € 2.000,- pandit geld. Dat in december 2008 geld wordt gestort in verband met de overkomst naar Nederland van een pandit eind september 2009 is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk.

  • -

    De kasstorting op 9 januari 2009 ad € 150,-. [verdachte] verklaart daarover als getuige niet voldoende specifiek.

  • -

    De storting op 2 februari 2009 voor zover het betreft het bedrag van € 250,-. De omschrijving “[docher verdachte] voor [reisbureau]” kan het hof niet in verband brengen met de door [medeverdachte 1]] als getuige afgelegde verklaring.

  • -

    De storting op 23 april 2009 voor zover het betreft het bedrag van € 1.000,-. Een persoon genaamd “[persoon 9]” is niet als getuige gehoord.

  • -

    De storting op 28 mei 2009 ad € 4.500,-. De verklaring van [medeverdachte 4] is te algemeen, onvoldoende specifiek om aannemelijk te doen zijn dat hij dit (forse) bedrag geleend/geschonken heeft aan [medeverdachte 2]. Voor zover, gezien de omschrijving inzake uitgaven op 25 mei en 3 juni 2009 “betaald voor zaal”, bedoeld is dat dit bedrag ten behoeve van het huwelijk eind september 2009 is aangewend voor de betaling van de zaalhuur, is dit onverenigbaar met de hiervoor onder f weergegeven verklaring van [getuige 2].

  • -

    De storting op 15 september 2009 ad € 1.400,-. Personen genaamd “[persoon 10]” en “[persoon 11]” zijn niet als getuige gehoord. Enig verband tussen deze storting en genoemde personen is niet aannemelijk geworden.

  • -

    De storting op 4 februari 2010 voor zover het betreft het bedrag van € 360,-. Enig verband tussen deze storting en “India Man” is niet aannemelijk geworden. Een zodanige persoon is niet gehoord als getuige.

  • -

    De storting op 22 februari 2010 ad € 9.000,-. Een persoon genaamd “[persoon 7]” is niet als getuige gehoord. Enig verband tussen deze storting en genoemde persoon is niet aannemelijk geworden.

Op grond van hetgeen eerder is overwogen blijft het hof bij zijn oordeel dat verdachte zich ten aanzien van deze gelden heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

Naar het oordeel van het hof is wel aannemelijk geworden de legale herkomst van:

 De stortingen op 10 en 19 juli 2006 van € 900,- en

€ 750,-, de storting op 30 augustus 2006 voor zover het betreft het bedrag van € 750,-, de stortingen op 24 november 2006 ad € 1.150,- en op 21 december 2006 ad € 1.500,- (ontvangen [persoon 12] aflossing kavels).

 De stortingen op 18 januari, 29 januari, 26 februari en 19 maart 2007 ad respectievelijk € 600,-, € 1.200,-, € 50,-, € 300 en € 220,-, op 27 september 2007 ad

€ 575,- , 11 oktober 2007 ad € 1.000,-, 29 oktober 2007 ad € 2.160,- en 3 december 2007 ad € 995,- (ontvangen [persoon 12] aflossing kavels).

  • -

    De storting op 29 mei 2007 van € 500,-. [dochter verdachte] heeft als getuige verklaard dat wanneer [medeverdachte 1]] naar India gaat, hij vaak spullen voor hem meeneemt, wat hij achteraf terugbetaalt. In maart 2007 is Shaan naar India geweest, zie hiervoor.

  • -

    De storting op 19 juni 2007 voor zover het betreft het bedrag van € 350,- inzake [vreemdeling 9]. Deze persoon heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 2] in 2007 een bedrag van € 350,- voor hem aan de IND heeft betaald.

  • -

    De storting op 23 augustus 2007 voor zover het betreft het bedrag van € 655,- (ontvangen [persoon 12] aflossing kavels).

  • -

    De stortingen op 22 november 2007 en 10 december 2007 voor zover het betreft een bedrag van € 200,- respectievelijk € 100,- inzake [kleindochter verdachte] gelet op de verklaring van [dochter verdachte] tegenover de rechter-commissaris.

  • -

    De storting op 15 januari 2008 voor zover het betreft het bedrag van € 1.350,-, alsmede de stortingen op 18 februari 2008 ad € 4.900,-, 26 mei 2008 ad € 700,-, 16 juni 2008 ad € 300,-, 16 juli 2008 ad € 2.000,-, 8 augustus 2008 ad € 1.000,- en € 200,-, 20 oktober 2008 ad € 900,-, 4 december 2008 ad € 350,- en 12 december 2008 voor zover het betreft een bedrag van € 3.000,- (ontvangen [persoon 12] aflossing kavels).

  • -

    De storting op 18 januari 2008 ad € 500,- gelet op de verklaring van [medeverdachte 4] tegenover de rechter-commissaris onder punt 6.

  • -

    De storting op 3 maart 2008 voor zover het betreft de bedrag € 1.000,-, € 75,- en € 45,-. De gang van zaken rond de credit card aankopen van [verdachte] en het leengedrag binnen de familie blijkt in voldoende mate uit de verklaring van [medeverdachte 4] als getuige. Het bedrag inzake [kleindochter verdachte] is voldoende aannemelijk gelet op de verklaring van [dochter verdachte] tegenover de rechter-commissaris.

  • -

    De storting op 2 februari 2009 voor zover het betreft het bedrag ad € 1.300,-, de stortingen op 5 maart 2009 ad € 1.500,- en € 2.000,-, 9 maart 2009 ad € 1.100,-, 16 april 2009 ad € 2.200,-, de storting op 23 april 2009 voor zover het betreft het bedrag ad € 2.800,-, de storting op 19 juni 2009 ad € 450,- en de storting op 18 december 2009 ad € 1.950,- (ontvangen [persoon 12] aflossing kavels).

  • -

    De stortingen op 9 en 18 februari 2009 ad € 4.000,- en € 4.900,-. Mede gelet op de data van de hiervoor weergegeven reizen en de verklaring van de getuige [getuige 4] tegenover de rechter-commissaris, alsmede de betaling ad € 8.500,- op 19 februari 2009 acht het hof voldoende aannemelijk dat deze bedragen ten behoeve van andere deelnemers aan de cruise gestort zijn op de rekening van [medeverdachte 2].

  • -

    De storting op 1 juli 2009 ad € 1.700,-. Het hof acht voldoende aannemelijk dat dit bedrag ziet op enige verrekening binnen de familie in verband met de reis van [verdachte] naar India, die immers kort hiervoor heeft plaatsgevonden.

  • -

    De storting op 22 juli 2009 ad € 5.300,- in verband met een reis door meerdere personen naar de Verenigde Staten. In maart 2009 is in verband met deze reis een bedrag van € 4.000,- contant op de bankrekening van [reisbureau] gestort. Gelet op het tijdstip tot vertrek acht het hof voldoende aannemelijk dat rond deze tijd de restant reissom diende te worden aanbetaald.

  • -

    De storting op 10 oktober 2009 ad € 300,- gelet op de verklaring van [medeverdachte 5] [medeverdachte 5] tegenover de rechter-commissaris onder punt 12.

  • -

    De storting op 10 december 2009 ad € 2.000,-. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [verdachte] mede ten behoeve van derden uitgaven heeft gedaan op de cruise.

  • -

    De storting op 7 januari 2010 ad € 1.100,-, 18 januari 2010 ad € 700,- en 4 februari 2010 voor zover het betreft het bedrag van € 1.090,- (ontvangen [persoon 12] aflossing kavels).

Inzake deze laatste serie bedragen wordt de verdachte vrijgesproken van witwassen.

6 Criminele organisatie

Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen ten minste twee personen. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvoering, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Deze aanwijzingen vormen evenwel geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken. Een samenwerkingsverband kan toevallig en in de loop der tijd ontstaan, omdat men ‘werkendeweg’ ontdekt dat men een gezamenlijk doel heeft waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is. Een los verband van reeds lang met elkaar samenwerkende personen die telkens hetzelfde type misdrijven plegen kan ook een organisatie zijn in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Het is echter niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft misdrijven te plegen. Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Een persoon is deelnemer aan de organisatie indien hij of zij behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel indien hij of zij dergelijke gedragingen ondersteunt. Hij of zij dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte art. 140 van het Wetboek van Strafrecht heeft overtreden, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

A. Het door [medeverdachte 1]] gedreven reisbureau was officieel gevestigd in de woning van verdachte te Leiden. Het reisbureau beschikte over een eigen ruimte in die woning.

[medeverdachte 3] woont samen met [medeverdachte 1]] op één adres. [medeverdachte 2] woont samen met verdachte in de woning van verdachte.

B. Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt dat de verdachte zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    het personen behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl zij wist dat dat verblijf wederrechtelijk was;

  • -

    valsheid in geschrifte en het gebruik maken van valselijk opgemaakte geschriften;

  • -

    medeplegen gewoontewitwassen

De desbetreffende bewijsmiddelen zijn hiervoor besproken en worden in dit kader als herhaald en ingelast beschouwd. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]] worden eveneens bij arrest van heden onder meer veroordeeld voor het samen met anderen overtreden van genoemde artikelen, met dien verstande dat [medeverdachte 3] niet wordt veroordeeld voor handelen in strijd met art. 420ter Wetboek van Strafrecht, maar wel voor witwassen. [medeverdachte 2] wordt bij arrest van heden onder meer veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen. Al deze bewijsmiddelen zijn vervat in een aan dit arrest gehechte bijlage C, welke als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

C. Verdachte is de moeder van S.Ramasray en [medeverdachte 2], alsmede de tante van [medeverdachte 3].

D. Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 april 2010 art. 197a Wetboek van Strafrecht overtreden ten aanzien van diverse hiervoor besproken vreemdelingen dan wel zich schuldig gemaakt aan een poging hiertoe Hiertoe werd art. 225 Wetboek van Strafrecht overtreden. Zij heeft dit samen met andere personen gedaan. Verdachte heeft blijkens de hiervoor weergegeven tapgesprekken daarnaast gefungeerd als postkantoor en inlichtingen gegeven.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte stelselmatig en gedurende de gehele bewezenverklaarde periode bezig is te bewerkstelligen dat vreemdelingen die daartoe anders niet gerechtigd zouden zijn, in Nederland kunnen verblijven. Deze vreemdelingen moeten daartoe zeer grote sommen geld betalen aan verdachte. Zij treedt op als de spin in het web: zij verzorgt referenten, betaalt de referenten, monitort en regisseert de contacten met de IND, verzorgt de post voor de vreemdelingen en geeft voortdurend (vreemdelingrechtelijk) advies. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden schakelt zij bij voortduring personen in die in meerdere of mindere mate verwant zijn. Deze personen krijgen daar ook voor betaald.

E. [medeverdachte 3] was partner binnen schijnrelaties met Druva Thapa en met [vreemdeling 1], heeft zelf een fictief dienstverband gehad bij [reisbureau] teneinde aan te tonen dat zij voldeed aan de inkomenseis van de IND. Zij heeft betalingen die voor haar bestemd waren in verband met de schijnrelatie met [vreemdeling 1] op de rekening van [reisbureau] gestort gekregen. Zij had een faciliterende rol met betrekking tot [verdachte]. Zo reed zij [verdachte] naar gemeentehuizen om vreemdelingen in te laten schrijven en reed zij [verdachte] naar het advocatenkantoor.

Voorts heeft zij richting de IND het bestaan van een relatie tussen een vreemdeling met [medeverdachte 7], [medeverdachte 1]][medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] [medeverdachte 5] bevestigd, terwijl die relaties geen duurzame en exclusieve relaties waren en die personen ook niet samenwoonden.

Uit diverse tapgesprekken blijkt dat zij ook mensen probeerde te ronselen voor het aangaan van schijnrelaties.

Voorts hebben [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] verklaard dat en op welke wijze de verdachten mensen naar Nederland lieten komen en verblijven, terwijl zij daar niet toe gerechtigd waren.

Verdachte vormde naar het oordeel van het hof samen met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]] een feitelijk samenwerkingsverband, welk verband bestendigd werd door de familieband, gericht op het stelselmatig verdienen van geld aan overtreding van art. 197a Wetboek van Strafrecht en het witwassen van daarmee verdiend geld. De aard van de samenwerking is zodanig langdurig en stelselmatig geweest en het aandeel van de verdachte daarin zodanig groot dat zij dient te worden aangemerkt als deelnemer aan die organisatie.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt;

en

medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het protocol genoemd in artikel 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt;

en

poging tot medeplegen van mensensmokkel.

Het onder 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3 primair, 4 primair en 5 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in georganiseerd verband op aanzienlijke schaal schuldig gemaakt aan mensensmokkel en het uit winstbejag behulpzaam zijn van vreemdelingen bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland. Daarbij heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het (laten) opmaken van valse vragenlijsten en relatieverklaringen, geschriften welke dienden ter onderbouwing van de aanvragen MVV en VTV en als zodanig aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn verstrekt teneinde deze te bewegen tot het inwilligen van de aanvraag.

Door aldus te handelen heeft de verdachte het overheidsbeleid bij de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland in ernstige mate ondermijnd. Daarnaast was zij uit op zelfverrijking. Door de betrokken vreemdelingen zijn forse bedragen betaald voor hulp bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning waarvan een groot deel ten gunste is gekomen van de verdachte. Uit de verklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris door [vreemdeling 8] blijkt dat families van vreemdelingen, die vaak het geld opbrachten om een familielid naar Nederland te krijgen, in financiële problemen zijn gekomen door het betalen van deze geldbedragen. Ook heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van bepaalde documenten ernstig beschaamd.

Dat financieel gewin bij de verdachte voorop stond, blijkt ook uit de grote geldbedragen die door haar en haar medeverdachten zijn witgewassen. Gebleken is dat met de contante betalingen die door de vreemdelingen werden gedaan de verre vakanties en vele casinobezoeken van de verdachte werden gefinancierd. Door voorts de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van officiële instanties te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

De verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezig hield met mensensmokkel door middel van schijnrelaties. De verdachte heeft daarbij een centrale rol gehad. Vreemdelingen wendden zich tot haar voor het op illegale gronden aanvragen van een verblijfsvergunning. Ook benaderde en zocht zij naar personen die als verblijfsgever konden optreden. De verdachte was tevens het aanspreekpunt bij problemen en vrijwel alle betalingen voor de vergunningaanvragen liepen via haar.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte in 1989 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en negen maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, voor valsheid in geschrift en in 1996 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, voor mensensmokkel. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

Bij het bepalen van de straf neemt het hof mede in aanmerking dat de verdachte in ieder geval tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid en de strafwaardigheid van haar handelen. Gelet hierop, alsook op de eerdere onherroepelijke veroordelingen ter zake van soortgelijke feiten, acht het hof het noodzakelijk om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om te bevorderen dat de verdachte zich in de toekomst normconform zal gedragen.

Gelet op de lucratieve aard van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten en de aantrekkingskracht die voor verdachte van geld uitgaat acht het hof het passend om naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ook een financiële sanctie toe te passen. Het hof acht de verdachte voldoende draagkrachtig om een forse geldboete te kunnen betalen, nu tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat zij – ondanks een inkomen dat gelijk zou zijn aan het bestaansminimum – sinds de schorsing van haar voorlopige hechtenis op 13 november 2012 reeds vijf keer op vakantie is geweest naar verre bestemmingen (India, Suriname en de Verenigde Staten).

Het hof stelt voorts vast dat de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de inzendtermijn in hoger beroep met circa acht maanden is overschreden en ook de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na het instellen daarvan. Het hof is van oordeel dat de termijnoverschrijding van dien aard is dat deze dient te worden verdisconteerd in de straf. Het hof zal daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur 42 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, opleggen.

Het hof is – alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geldboete van na te melden hoogte, een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 45, 47, 57, 140, 197a, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief, 3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief, 3 primair, 4 primair en 5 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

40 (veertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

9 (negen) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 10.000,00 (tienduizend euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. H.J.M. Smid-Verhage en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2015.

1 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 9 juni 2010 (ZD 02, V08/02, p. 148, 150-153).

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 9 juni 2010 (ZD 02, V08/02, p. 146-154).

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 9 juni 2010 (ZD 02, V09/03, p. 165-167).

4 Zie het proces-verbaal van verhoor van 22 november 2010, inhoudende de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

5 Zie het proces-verbaal van verhoor van 10 februari 2011, inhoudende de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuigen [verbalisant 3] en [verbalisant 4].

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 15 juni 2010 (ZD 09, V15/03, p. 27-30).

7 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037, met de daarbij gevoegde bijlagen een ongedateerde ‘Application for Schengen Visa’ en ‘een brief van de Visadienst, locatie ’s-Hertogenbosch van 25 mei 2009’ (ZD 08, AH/62, p. 273, 281 en 291).

8 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037, met de daarbij gevoegde bijlagen ‘Model M47 Garantverklaring’ en Vragenlijst voor Machtiging voorlopig verblijf (MVV) voor partner’ (ZD 08, AH/62, p. 273, 296-297).

9 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037 (ZD 08, AH/62, p. 274).

10 Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel met dossiernummer 33284458, (ZD 03, p. 403-404).

11 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 25 augustus 2010, nr. 28030424-011 (AH 123, p. 3067).

12 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037 en de daarbij behorende bijlage ‘arbeidsovereenkomst bepaalde tijd van [reisbureau]’(ZD 08, AH/62, p. 274 en 308-310).

13 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037 en de daarbij behorende bijlage ‘werkgeversverklaring’(ZD 08, AH/62, p.292.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 9 juni 2010 (ZD 08, V09/03, p. 66). Het hof begrijpt dat met de persoon [voornaam] is bedoeld de medeverdachte [medeverdachte 1], die tot een naamswijziging [naam] was geheten.

15 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037 en de daarbij behorende bijlagen ‘Salarisspecificatie d.d. 31-07-2009, 31-08-2009 en 30-09-2009’ (ZD 08, AH/62, p. 274 en 329-331).

16 Het proces-verbaal van bevindingen aantreffen stukken werkgever [reisbureau] en werkneemster [medeverdachte 8] van de politie Hollands Midden d.d. 27 augustus 2010 (ZD 08, B.3.1.6.03, p. 458) en het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 3 juni 2010, nr. 28010031 (ZD 08, AH/107, p. 377).

17 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 7 september 2009 (AH/006, p. 55).

18 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037 (ZD 08, AH/62, p. 274).

19 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 6] van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037 en de daarbij behorende bijlage ‘Beschikking IND d.d. 3 december 2009(ZD 08, AH/62, p. 342-346).

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 9 juni 2010 (ZD 08, V09/03, p. 65-67).

21 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 14 september 2009 om 18:11 uur en 20:05 uur (Tapdossier I, p. 31 en 34).

22 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 16 september 2009 om 13:45 uur (Tapdossier I, p. 54).

23 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 17 september 2009 om 19:01 uur (Tapdossier I, p. 63).

24 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 20 september 2009 om 14:26 uur (Tapdossier I, p. 89).

25 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 21 september 2009 om 16:10 uur (Tapdossier I, p. 95).

26 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 15 oktober 2009 om 15:52 uur (Tapdossier I, p. 277).

27 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 15 oktober 2009 om 18:52 uur (Tapdossier I, p. 281).

28 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 20 oktober 2009 om 11:36 uur (Tapdossier II, p. 323).

29 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 1 februari 2010, nr. 28006037, en de daarbij behorende bijlagen Salarisspecificatie juli, augustus en september 2009 (ZD 08, AH/62, p. 273-274 en 329-331).

30 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 9 februari 2010, nr. 27995757, met bijlagen (ZD 04, AH 41, p. 369 en 370).

31 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 9 februari 2010, nr. 27995757, en de daarbij gevoegde bijlage ‘Aanvraag verblijfsvergunning regulier zonder mvv of wijziging verblijfsdoel’ (ZD 04, AH 41, p. 370 en 417-418).

32 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 9 februari 2010, nr. 27995757, en de daarbij gevoegde bijlage ‘Bijlage relatieverklaring’ (ZD 04, AH 41, p. 370 en 437).

33 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2015 en het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 18 mei 2010 (ZD 04, V11/02, p. 131).

34 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 9 februari 2010, nr. 27995757, en de daarbij gevoegde bijlage ‘brief van de IND’ (ZD 04, AH 41, p. 370 en 449-450).

35 De verklaring van de getuige [medeverdachte 6] afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 november 2010.

36 Het proces-verbaal van verhoor van de politie Hollands Midden d.d. 2 juni 2010 (ZD 04, V04/07), p. 101).

37 De verklaring van de getuige [medeverdachte 6] afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 november 2010.

38 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden van 26 mei 2010 (ZD 04, V04/03, p. 60).

39 De verklaring van de getuige [medeverdachte 6] afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 november 2010.

40 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden van 2 juni 2010 (ZD 04, V04/07, p. 103).

41 De verklaring van de getuige [medeverdachte 6] afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 november 2010.

42 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 13 september 2009 om 17:19 uur (tapdossier I, p. 4-5).

43 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 1 oktober 2009 om 11:51 uur (tapdossier I, p. 132-133).

44 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 6 oktober 2009 om 14:02 uur (tapdossier I, p. 181).

45 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 6 oktober 2009 om 14:20 uur (tapdossier I, p. 183).

46 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 6 oktober 2009 om 20:15 uur (tapdossier I, p. 192).

47 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 13 oktober 2009 om 14:27 uur (tapdossier I, p. 255).

48 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 16 oktober 2009 om 12:18 uur (tapdossier I, p. 286).

49 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek op 16 oktober 2009 om 19:08 uur (tapdossier I, p. 289-290).

50 Een proces-verbaal van de politie Hollands Midden van 21 juni 2010 (ZD 04, IBN A.3.5.01.02, p. 577-578).

51 Het proces-verbaal van verhoor van de politie Hollands Midden van 2 juni 2010 (ZD 04, V04/07, p. 102).

52 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 5] van de politie Hollands Midden d.d. 15 september 2009 (ZD 07, AH/07, p. 194-195).

53 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 5] van de politie Hollands Midden d.d. 15 september 2009 en de daarbij behorende bijlage ‘Vragenlijst voor Machtiging voorlopig verblijf (MVV) voor partner’ (ZD 07, AH/07, p. 194-195 en 200-201).

54 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 5] van de politie Hollands Midden d.d. 15 september 2009 en de daarbij behorende bijlage ‘Aanvraag verblijfsvergunning regulier met MVV verblijf bij partner’ (ZD 07, AH/07, p. 195).

55 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 5] van de politie Hollands Midden d.d. 15 september 2009 en de daarbij behorende bijlage ‘Relatieverklaring’ (ZD 07, AH/07, p. 194-195 en 236).

56 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 9 juni 2010( ZD 07, V08/02, p. 150).

57 Een geschrift, te weten een uittreksel uit de basisadministratie d.d. 10 oktober 2008 (ZD 07, bijlage bij AH/07, p. 239).

58 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 5] van de politie Hollands Midden d.d. 15 september 2009 en de daarbij behorende bijlage ‘Beschikking IND d.d. 14 oktober 2008’ (ZD 07, AH/07, p. 194-195 en 244-245.

59 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 9 juni 2010( ZD 07, V08/02, p. 148, 150-153).

60 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 15 november 2009 om 09:28 en 09:29 uur (ZD 07, p. 581 en 582).

61 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 5 maart 2010 om 12:05 uur (ZD 07, p. 584).

62 Een geschrift, zijnde een verslag van een tapgesprek d.d. 5 maart 2010 om 12:08 uur (ZD 07, p. 585).

63 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 7] van de politie Holland Midden d.d. 21 oktober 2009, nr. 27987489, en daarbij gevoegd als bijlage ‘Visumaanvraag ter voorlegging’(ZD 09, AH/17, p. 64 en 101).

64 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 7] van de politie Holland Midden d.d. 21 oktober 2009, nr. 27987489, en daarbij gevoegd als bijlage ‘Vragenlijst voor Machtiging voorlopig verblijf (MVV) voor partner’(ZD 09, AH/17, p. 64 en 114).

65 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 7] van de politie Holland Midden d.d. 21 oktober 2009, nr. 27987489 (ZD 09, AH/17, p. 65).

66 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 7] van de politie Holland Midden d.d. 21 oktober 2009, nr. 27987489, en daarbij gevoegd als bijlage ‘Aanvraag verblijfsvergunning regulier met mvv’ (ZD 09, AH/17, p. 65 en 130).

67 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 7] van de politie Holland Midden d.d. 21 oktober 2009, nr. 27987489, en daarbij gevoegd als bijlage ‘relatieverklaring’ (ZD 09, AH/17, p. 65 en 133).

68 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 15 juni 2010 (ZD 09, V15/03, p.30).

69 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 7] van de politie Holland Midden d.d. 21 oktober 2009, nr. 27987489, en daarbij gevoegd als bijlage ‘Bewijs van bekendmaking bij de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van de gemeente ‘s-Gravenhage’ (ZD 09, AH/17, p. 65 en 137).

70 Het proces-verbaal van bevindingen IND dossier [vreemdeling 7] van de politie Holland Midden d.d. 21 oktober 2009, nr. 27987489, en daarbij gevoegd als bijlage ‘Beschikking IND d.d. 24 juni 2008’ (ZD 09, AH/17, p. 65 en 138).

71 Het proces-verbaal overzicht legale inkomsten van de politie Hollands Midden d.d. 20 april 2010, nr. 2802159 (ZD 01, AH/82, p. 198-199).

72 Een geschrift, zijnde een brief van de belastingdienst d.d. 9 maart 2009 met het kenmerk 90309PHM (ZD 10, p. 247-249).

73 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 25 augustus 2010, nr. 28030424-011 (AH 123, p. 3067-3071) en het proces-verbaal kasopstelling van de politie Hollands Midden d.d. 4 maart 2011, nr. RP09-90147 (p. 1-3).

74 De verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 januari 2011 (p. 12 van het proces-verbaal).

75 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2015.

76 De verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2015.

77 Het algemeen proces-verbaal van de politie Hollands Midden d.d. 2 september 2010 (Algemeen dossier Witwassen, ZD 10, p. 15).

78 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 17 mei 2010, nr. 28025563 (Witwasdossier – Casino, AH/97, p. 275).

79 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 17 mei 2010, nr. 28025563 (Witwasdossier – Casino, AH/97, p. 275-283).

80 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Hollands Midden d.d. 14 april 2010 (Persoonsdossier [verdachte], V01/02, p. 22).

81 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 21 april 2010, nr. 28021790 (Witwasdossier – Reizen, AH/85, p. 861-863).

82 Het proces-verbaal Deelonderzoek Reizen van de politie Hollands Midden d.d. 2 september 2010, nr. RP09/90147 (Witwasdossier – Reizen, p. 848-849) en het proces-verbaal van bevindingen Reisbewegingen verdachte JAIRAM d.d. 21 april 2010 met de daarbij behorende bijlagen (Witwasdossier – Reizen, AH/85, p. 861-893 en 979-986).

83 Het proces-verbaal van bevindingen vakanties [verdachte] van de politie Hollands Midden d.d. 1 september 2010 (Witwasdossier Reizen, AH/108, p. 979-986).

84 Het proces-verbaal van bevindingen draaiboek huwelijk [medeverdachte 5] [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] van de politie Hollands Midden d.d. 20 juli 2010 en de daarbij behorende bijlage ‘DRAAIBOEK VAN HET HUWELIJK TUSSEN [medeverdachte 5] [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] (Witwasdossier – Huwelijk).

85 Het proces-verbaal verhoor [getuige 2] van de politie Hollands Midden d.d. 3 augustus 2010 (Witwasdossier – Huwelijk, G/08).

86 Het proces-verbaal van verhoor [directeur horecabedrijf] van de politie Hollands Midden d.d. 24 juni 2010 (Witwasdossier – Huwelijk, G/06).

87 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 14 juli 2010, nr. 28028634 met de daarbij behorende bijlagen (Algemeen dossier Witwassen, ZD 10, 130).

88 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van hoger beroep van 10 juni 2015.

89 Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 25 mei 2010, ZD 3, p. 403-404.

90 Een geschrift, zijnde een situatie tekening (Locatiedossier A, p. 34) en het specificatie rapport van de politie Hollands Midden d.d. 13 april 2010 (Locatiedossier A, p. 39-41).

91 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 14 juli 2010, nr. 28028634 en de daarbij behorende bijlagen (Witwasdossier-Algemeen, ZD 10, AH/132, p. 72).

92 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 14 juli 2010, nr. 28028634 en de daarbij behorende bijlagen (Witwasdossier-Algemeen, ZD 10, AH/132, p. 70).

93 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 14 juli 2010, nr. 28028634 met de daarbij behorende bijlagen (Algemeen witwasdossier, ZD 10, AH/132, p. 71 en 72, 73-135).

94 Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden d.d. 14 juli 2010, nr. 28028634 met de daarbij behorende bijlagen (Algemeen witwasdossier, ZD 10, AH/132, p. 71-73).