Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2020

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
BK-14_00695
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:7198, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of het belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd met een bedrag van € 350.000 als verlies op ter beschikking gesteld vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1809
V-N Vandaag 2015/1578
V-N 2015/44.21.21

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00695

Uitspraak van 8 juli 2015

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger van beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2014, nr. SGR 13/9620, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 321.682 na verrekening bij beschikking van een verlies uit voorgaande jaren van € 14.682. Tegelijkertijd is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de daarbij gegeven beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 122.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 27 mei 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1.

Belanghebbende heeft zich de afgelopen twintig jaar bezig gehouden met het opzetten en het financieren van activiteiten rond het hergebruik van grondstoffen, welke onder meer hebben plaatsgevonden in en via diverse vennootschappen zoals [A] B.V., [B] B.V. en [C]) Ltd (de vennootschappen).

3.2.

De financiering van de activiteiten vond in eerste instantie plaats uit een door belanghebbende ontvangen erfenis en later met leningen van familieleden. Leningovereenkomsten opgemaakt tussen belanghebbende en de vennootschappen zijn niet opgesteld, en evenmin was sprake van vergoedingen voor de geldverstrekkingen. Belanghebbende beschikt niet over een behoorlijke administratie waaruit het verloop van de geldverstrekkingen blijkt.

3.3.

Belanghebbende heeft aangifte voor het jaar 2009 gedaan naar een verlies uit werk en woning van € 13.636. Dit bedrag is de som van door belanghebbende ontvangen afkoopsommen van lijfrentes ten bedrage van € 336.364 en een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 350.000.

3.4.

De Inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft het belastbare inkomen uit werk en woning, na correctie van de afwaardering van de geldverstrekkingen van € 350.000, en verrekening van een verlies uit voorgaande jaren van € 14.682, vastgesteld op € 321.682.

3.5.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting van 2004 tot en met 2008 nooit melding gemaakt van winst uit onderneming. Evenmin is resultaat uit overige werkzaamheden vermeld. Ook van terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen in de zin van de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is geen gewag gemaakt.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of het belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd met een bedrag van € 350.000 als verlies op ter beschikking gesteld vermogen, hetgeen belanghebbende bepleit en de Inspecteur bestrijdt.

4.2.

Belanghebbende stelt dat de aftrek van € 350.000 is gebaseerd op het feit dat hij in het kader van een onderneming, als groot-koopman, een groot bedrag aan financieringen heeft verstrekt ten behoeve van vele samenhangende activiteiten. Dit bedrag beloopt méér dan € 15.000.000. Uit overeenkomsten tussen [B]/[D] en [C]) Ltd (hierna: [C]) blijkt dat belanghebbende weliswaar geen aandelen in de betreffende vennootschap heeft, maar wel optie(s) tot verwerving van aandelen. Rond het jaar 2009 waren de vooruitzichten voor het uitrollen van de circulaire aanpak niet geweldig als gevolg van de langdurende besprekingen en traag verlopende ontwikkelingen. Gezien het feit dat een groot deel van de gefinancierde kosten uit salariskosten bestond, is er reden voor een afwaardering van de financieringen/leningen. Hoewel een exact bedrag daarbij moeilijk te bepalen is, lijkt het acceptabel om te stellen dat daarbij toch minimaal een bedrag van € 350.000 af te waarderen is. Belanghebbende stelt voorts dat de betalingen aan [C] (welke betalingen in de visie van belanghebbende een onderdeel vormen van het genoemde groot koopmanschap) ook gezien kunnen worden als een TBS-lening, waarvan een waardedaling aftrekbaar kan zijn.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4.4.

Voor de verdere gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een naar een inkomen uit werk en woning van nihil en tot wijziging van de verliesvaststellingsbeschikking in die zin dat het verlies uit werk en woning van het jaar wordt vastgesteld op € 13.636.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft geoordeeld:

"9. Het is aan [belanghebbende] om aannemelijk te maken dat hij vermogen ter beschikking heeft gesteld als bedoeld in artikel 3.91 of 3.92 van de Wet IB 2001. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] niet geslaagd in deze bewijslast. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

10. [ Belanghebbende] heeft geen stukken overgelegd zoals bijvoorbeeld overeenkomsten van geldlening waaruit blijkt onder welke condities de gelden zijn verstrekt en waaruit onder meer een terugbetalingsverplichting van de vennootschappen zou kunnen blijken. De verklaring van [belanghebbende] dat hij over jaren ruim € 15.000.000 heeft geïnvesteerd in de activiteiten, wat zijn beweegredenen daartoe waren en zijn verklaring dat mede door toedoen van derden die gelden verloren zijn gegaan en dat er niet of nauwelijks administratieve vastleggingen zijn, zijn onvoldoende bewijs voor het in aanmerking nemen van verlies op ter beschikking gesteld vermogen als bedoeld in de aangegeven wetsartikelen.

11. Ten aanzien van [C]) Ltd heeft [belanghebbende] ter onderbouwing van zijn stelling nog gewezen op de jaarstukken van die vennootschap, maar de rechtbank kan [belanghebbende] hierin niet volgen nu uit die jaarstukken niet van enige verplichting jegens [belanghebbende] blijkt. Uit de jaarstukken blijkt immers dat [B] B.V. de grootste schuld[belanghebbende] is en [belanghebbende] kan niet met de vennootschap worden vereenzelvigd. Ook [belanghebbende]s beroep op het arrest HR 3 mei 2013, nr. 12/04193, ECLI:NL:HR:BZ9156, faalt omdat dat arrest is gewezen met als uitgangspunt dat er een intentieovereenkomst was gesloten waarbij een bepaalde verdeling tussen een investering door middel van aandelenkapitaal en een investering door middel van leningen was gemaakt. In het onderhavige geval is noch sprake van een dergelijke overeenkomst noch van een dergelijke verdeling.

12. De rechtbank volgt [belanghebbende] evenmin in zijn standpunt dat er gegeven het geheel van investeringen via diverse vennootschappen sprake is van 'grootkoopmanschap’, omdat er geen jaarstukken van de grootkoopman zijn overgelegd en de stelling ook overigens niet cijfermatig is uitgewerkt.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt het beroep ongegrond verklaard.."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld die in eerste aanleg nog niet zijn aangevoerd en evenmin argumenten gebezigd die een zodanig nieuw licht op het onderhavige geschil werpen, dat op grond daarvan de conclusie kan worden getrokken dat de beslissing van de rechtbank onjuist is. Desgevraagd heeft de gemachtigde van belanghebbende geantwoord dat hoger beroep is ingesteld vanwege de wens van een hernieuwde beoordeling van de reeds in eerste aanleg aangevoerde feiten en omstandigheden.

7.2.

Naar ’s Hofs oordeel is de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen dat belanghebbendes beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne.

7.3.

Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Derhalve moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Vonk ondertekend door mr. Kroon. De beslissing is op 8 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.