Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2016

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
BK-14_00425 t,m BK-14_00432
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:443
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld de vraag of de leges terecht aan belanghebbende in rekening zijn gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1582
Belastingblad 2015/378 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1816
NTFR 2015/2449 met annotatie van mr. B.S. Kats
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/00425 tot en met BK-14/00432

Uitspraak d.d. 24 juni 2015

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Schagen, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 9 december 2010, nummers 09/1860 LEGGW, 09/2127 LEGGW, 09/2128 LEGGW, 09/2618 LEGGW, 09/2619 LEGGW, 09/2443 LEGGW, 10/2235 LEGGW, 10/2236 LEGGW, betreffende na te melden aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg, hoger beroep Hof Amsterdam en cassatie

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen leges opgelegd die alle bij uitspraak op bezwaar zijn gehandhaafd:

(Hof: BK-14/00425; Rb 09/1860)

Bij aanslag van 27 september 2007 € 47.231,10 aan leges voor het (in 2007) in behandeling nemen van een aanvraag van een bouwvergunning tweede fase voor het realiseren van een researchcentrum op het perceel [A] te [Z].

(Hof: BK-14/00426; Rb 09/2127)

Bij aanslag van 12 februari 2008 € 13.119,75 aan leges voor het (in 2007) in behandeling nemen van een aanvraag van een bouwvergunning tweede fase voor het uitbreiden van het bedrijf op het perceel [B] te [Z].

(Hof: BK-14/00427; Rb 09/2128)

Bij aanslag van 14 oktober 2008 € 26.590,00 aan leges voor het (in 2008) in behandeling nemen van een aanvraag van een reguliere bouwvergunning voor de aanleg van een betonnen bufferbassin op het perceel [A] te [Z].

(Hof: BK-14/00428; Rb 09/2618)

Bij aanslag van 20 maart 2009 € 39.375,00 aan leges voor het (in 2009) in behandeling nemen van een aanvraag van een bouwvergunning eerste fase voor het vergroten van een zaadverwerkingsbedrijf op het perceel [B] te [Z].

(Hof: BK-14/00429; Rb 09/2619)

Bij aanslag van 12 mei 2009 € 159,50 aan leges voor het (in 2009) in behandeling nemen van een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning.

(Hof: BK-14/00430; Rb 09/2443)

Bij aanslag van 14 oktober 2008 € 3.190,00 aan leges voor het (in 2008) in behandeling nemen van een aanvraag van een reguliere bouwvergunning voor de aanleg van een verkeerbrug op het perceel [A] te [Z].

(Hof: BK-14/00431; Rb 10/2235)

Bij aanslag van 1 december 2009 € 39.375,00 aan leges voor het (in 2009) in behandeling nemen van een aanvraag van een reguliere bouwvergunning tweede fase voor het vergroten van een zaadverwerkingsbedrijf op het perceel [B] te [Z].

(Hof: BK-14/00432, Rb 10/2236)

Bij aanslag van 29 januari 2010 € l3.970,00 aan leges voor het (in 2009) in behandeling nemen van een aanvraag van een reguliere bouwvergunning voor het plaatsen van een kas met watersilo's op het perceel [A] te [Z].

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank Alkmaar ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij uitspraken van 20 december 2012, nummers 11/00036 tot en met 11/00043, ECLI:Nl:GHAMS:2012:BY7918 de uitspraken van de rechtbank vernietigd, de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de aanslagen vernietigd, met veroordeling van de heffingsambtenaar tot vergoeding aan belanghebbende van een bedrag aan proceskosten van € 2.641,78 en € 3.124 aan griffierechten.

1.4.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 18 april 2014, nummer 13/00469, ECLI:NL:HR:2014:938 het beroep in cassatie van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Schagen gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof vernietigd voor zover deze de hiervoor onder 1.1 vermelde aanslagen betreft en het geding verwezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing.

Loop van het geding gerechtshof Den Haag

2.1.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid beide partijen gebruik hebben gemaakt. Partijen hebben vervolgens schriftelijk op elkaars uitlatingen gereageerd.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 2015, gehouden te Den Haag. Beide partijen zijn ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Verordeningen

3.1.

Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

3.2.

De raad van de gemeente [C] heeft in zijn openbare vergaderingen van 7 november 2006, 6 november 2007 en 6 november 2008 de Verordening op de heffing en invordering van leges [C] 2007 respectievelijk de Verordening op de heffing en invordering van leges [C] 2008 en de Verordening op de heffing en invordering van leges [C] 2009 (hierna: de Verordening 2007, Verordening 2008, Verordening 2009) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordeningen op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De tekst van de Verordeningen behoort in kopie tot de stukken van het geding.

3.3.

De Verordening op de heffing en invordering van leges [C] 2007 en de Tarieventabel houden voor zover van belang in:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "leges" worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel5 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende

tarieventabel.

TARIEVENTABEL LEGESVERORDENING [C] 2007 VERSIE 2

behorende bij raadsbesluit van 7 november 2006

en bij de LEGESVERORDENING [C] 2007

HOOFDSTUK 5 BOUW- EN AANLEGVERGUNNINGEN, MELDINGEN

Bouw-, aanleg-, sloop-, monumenten- en reclamevergunningen

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om:

a. een lichte bouwvergunning: 2,45% van de bouwkosten met een minimum van 98,00 99,00

b. een reguliere bouwvergunning: 2,45% van de bouwkosten met een minimum van 98,00 99,00

c. een bouwvergunning eerste fase: 1,225% van de bouwkosten met een minimum van 98,00 99,00

d. een bouwvergunning tweede fase: 1,225% van de bouwkosten

e. een gewijzigde bouwvergunning eerste fase op grond van artikel 56a, eerste lid van de Woningwet: 1,225% van de bouwkosten met een minimum van 98,00 99,00 verminderd met de in rekening gebrachte leges voor het in behandeling nemen van de primaire aanvraag, met dien verstande dat in elk geval € 198,00 is verschuldigd en dat geen restitutie van de in rekening gebrachte leges voor het in behandeling nemen van de primaire aanvraag plaatsheeft;”

3.4.

De Verordening op de heffing en invordering van leges [C] 2008 en de Tarieventabel houden – voor zover van belang - het volgende in:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "leges" worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 5 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende

tarieventabel.

TARIEVENTABEL LEGESVERORDENING [C] 2008 (versie 2,4,5)

HOOFDSTUK 5 BOUW- EN AANLEGVERGUNNINGEN, MELDINGEN

5.2

Bouw-, aanleg-, sloop-, monumenten- reclamevergunningen of principeverzoeken

5.2.1.Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een lichte bouwvergunning, een reguliere bouwvergunning of een aanlegvergunning:

a. € 0,00 tot € 250.000,00 € 0,00 + {2,90% x de bouwkosten} met een minimum van € 100,00

b. € 250.000,00 tot € 500.000,00 € 7.250,00 + {2,80% x (de bouwkosten - € 250.000,00)}

c. € 500.000,00 tot € 750.000,00 € 14.250,00 + {2,70% x (de bouwkosten - € 500.000,00)}

d. € 750.000,00 tot € 1.000.000,00 € 21.000,00 + {2,60% x (de bouwkosten - € 750.000,00)}

e. € 1.000.000,00 tot 1.250.000,00 € 27.500,00 + {2,50% x (de bouwkosten - € 1.000.000,00)}

f. € 1.250.000,00 tot € 1.500.000,00 € 33.750,00 + {2,40% x (de bouwkosten - € 1.250.000,00)}

g. € 1.500.000,00 tot € 1.750.000,00 € 39.750,00 + {2,30% x (de bouwkosten - € 1.500.000,00)}

h. € 1.750.000,00 tot € 2.000.000,00 € 45.500,00 + {2,20% x (de bouwkosten - € 1.750.000,00)}

i. € 2.000.000,00 tot € 2.250.000,00 € 51.000,00 + {2, 1 0% x (de bouwkosten - € 2.000.000,00)}

j. € 2.250.000,00 tot € 2.500.000,00 € 56.250,00 + {2,00% x (de bouwkosten - € 2.250.000,00)}

k. € 2.500.000,00 tot € 2.750.000,00 € 61.250,00 + {1,90% x (de bouwkosten - € 2.500.000,00)}

I. € 2.750.000,00 tot € 3.000.000,00 € 66.000,00 + {1,80% x (de bouwkosten - € 2.750.000,00)}

m. € 3.000.000,00 tot € 3.250.000,00 € 70.500,00 + {1,70% x (de bouwkosten - € 3.000.000,00)}

n. € 3.250.000,00 tot € 3.500.000,00 € 74.750,00 + {1,60% x (de bouwkosten - € 3.250.000,00)}

o. € 3.500.000,00 tot € 3.750.000,00 € 78.750,00 + {1,50% x (de bouwkosten - € 3.500.000,00)}

p. € 3.750.000,00 tot € 4.000.000,00 € 82.500,00 + {1,40% x (de bouwkosten - € 3.750.000,00)}

q. € 4.000.000,00 tot € 4.250.000,00 € 86.000,00 + {1,30% x (de bouwkosten - € 4.000.000,00)}

r. € 4.250.000,00 tot € 4.500.000,00 € 89.250,00 + {1,20% x (de bouwkosten - € 4.250.000,00)}

s. € 4.500.000,00 tot € 4.750.000,00 € 92.250,00 + {1,1 0% x (de bouwkosten - € 4.500.000,00)}

t. € 4.750.000,00 tot € 10.000.000,00 € 95.000,00 + {1,00% x (de bouwkosten - € 4.750.000,00)}

u. voor aanvragen met bouwkosten van € 10.000.000,00 of meer wordt voor het bedrag dat meer bedraagt dan € 10.000.000,00 geen leges geheven.

5.2.2

Het tarief bedraagt voor een bouwvergunning eerste fase, een bouwvergunning tweede fase en een gewijzigde bouwvergunning eerste fase:

a. € 0,00 tot € 250.000,00 € 0,00 + (1,45% x de bouwkosten) met een minimum van € 100,00

b. € 250.000,00 tot € 500.000,00 € 3.625,00 + {1 ,40% x (de bouwkosten - € 250.000,00)}

c. € 500.000,00 tot € 750.000,00 € 7.125,00 + {1 ,35% x (de bouwkosten - € 500.000,00)}

d. € 750.000,00 tot € 1.000.000,00 € 10.500,00 + (1,30% x {de bouwkosten - € 750.000,00)}

e. € 1.000.000,00 tot 1.250.000,00 € 13.750,00 + {1,25% x (de bouwkosten - € 1.000.000,00)}

f. € 1.250.000,00 tot € 1.500.000,00 € 16.875,00 + {1 20% x (de bouwkosten - € 1.250.000,00)}

g. € 1.500.000,00 tot € 1.750.000,00 € 19.875,00 + {1,15% x (de bouwkosten - € 1.500.000,00)}

h. € 1.750.000,00 tot € 2.000.000,00 € 22.750,00 + {1,1 0% x (de bouwkosten - € 1.750.000,00)}

i. € 2.000.000,00 tot € 2.250.000,00 € 25.500,00 + {1,05% x (de bouwkosten - € 2.000.000,00)}

j. € 2.250.000,00 tot € 2.500.000,00 € 28.125,00 + {1,00% x (de bouwkosten - € 2.250.000,00)}

k. € 2.500.000,00 tot € 2.750.000,00 € 30.625,00 + {0,95% x (de bouwkosten - € 2.500.000,00)}

I. € 2.750.000,00 tot € 3.000.000,00 € 33.000,00 + {0,90% x (de bouwkosten - € 2.750.000,00)}

m. € 3.000.000,00 tot € 3.250.000,00 € 35.250,00 + {0,85% x (de bouwkosten - € 3.000.000,00)}

n. € 3.250.000,00 tot € 3.500.000,00 € 37.375,00 + {0,80% x (de bouwkosten - € 3.250.000,00)}

o. € 3.500.000,00 tot € 3.750.000,00 € 39.375,00 + {0,75% x (de bouwkosten - € 3.500.000,00)}

p. € 3.750.000,00 tot € 4.000.000,00 € 41.250,00 + {0,70% x (de bouwkosten - € 3.750.000,00)}

q. € 4.000.000,00 tot € 4.250.000,00 € 43.000,00 + {0,65% x (de bouwkosten - € 4.000.000,00)}

r. € 4.250.000,00 tot € 4.500.000,00 € 44.625,00 + {0,60% x (de bouwkosten - € 4.250.000,00)}

s. € 4.500.000,00 tot € 4.750.000,00 € 46.125,00 + {0,55% x (de bouwkosten - € 4.500.000,00)}

t. € 4.750.000,00 tot € 10.000.000,00 € 47.500,00 + 0,50% x (de bouwkosten - € 4.750.000,00)}

u. voor aanvragen met bouwkosten van € 10.000.000,00 of meer wordt voor het bedrag dat meer bedraagt dan € 10.000.000,00 geen leges geheven.

5.2.3.

Voor een gewijzigde bouwvergunning eerste fase geldt dat de leges worden verminderd met de in rekening gebrachte leges voor het in behandeling nemen van de primaire aanvraag, met dien verstande dat in elk geval € 200,00 [vetgedrukt door hof] is verschuldigd en dat geen restitutie van de in rekening gebrachte leges voor het in behandeling nemen van de primaire aanvraag plaatsheeft.”

3.5.

De Verordening op de heffing en invordering van leges [C] 2009 en de Tarieventabel houden voor zover van belang in:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "leges" worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 5 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorendetarieventabel.

TARIEVENTABEL LEGESVERORDENING [C] 2009 VERSIE 1

behorende bij raadsbesluit van 4 november 2008

en bij de LEGESVERORDENING [C] 2009

HOOFDSTUK 5 BOUW- EN AANLEGVERGUNNINGEN, MELDINGEN

5.2.1 Bouw-, aanleg-, sloop-, monumenten- reclamevergunningen of principeverzoeken

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een lichte bouwvergunning, een reguliere bouwvergunning of een aanlegvergunning:

a. € 0,00 tot € 250.000,00 € 0,00 + {2,90% x de bouwkosten} met een minimum van € 103,00

b. € 250.000,00 tot € 500.000,00 € 7.250,00 + {2,80% x (de bouwkosten - € 250.000,00)}

c. € 500.000,00 tot € 750.000,00 € 14.250,00 + {2,70% x (de bouwkosten - € 500.000,00)}

d. € 750.000,00 tot € 1.000.000,00 € 21.000,00 + {2,60% x (de bouwkosten - € 750.000,00)}

e. € 1.000.000,00 tot 1.250.000,00 € 27.500,00 + {2,50% x (de bouwkosten - € 1.000.000,00)}

f. € 1.250.000,00 tot € 1.500.000,00 € 33.750,00 + {2,40% x (de bouwkosten - € 1.250.000,00)}

g. € 1.500.000,00 tot € 1.750.000,00 € 39.750,00 + {2,30% x (de bouwkosten - € 1.500.000,00)}

h. € 1.750.000,00 tot € 2.000.000,00 € 45.500,00 + {2,20% x (de bouwkosten - € 1.750.000,00)}

i. € 2.000.000,00 tot € 2.250.000,00 € 51.000,00 + {2,1 0% x (de bouwkosten - € 2.000.000,00)}

j. € 2.250.000,00 tot € 2.500.000,00 € 56.250,00 + {2,00% x (de bouwkosten - € 2.250.000,00)}

k. € 2.500.000,00 tot € 2.750.000,00 € 61.250,00 + {1,90% x (de bouwkosten - € 2.500.000,00)}

I. € 2.750.000,00 tot € 3.000.000,00 € 66.000,00 + {1,80% x (de bouwkosten - € 2.750.000,00)}

m. € 3.000.000,00 tot € 3.250.000,00 € 70.500,00 + {1,70% x (de bouwkosten - € 3.000.000,00)}

n. € 3.250.000,00 tot € 3.500.000,00 € 74.750,00 + {1,60% x (de bouwkosten - € 3.250.000,00)}

o. € 3.500.000,00 tot € 3.750.000,00 € 78.750,00 + {1,50% x (de bouwkosten - € 3.500.000,00)}

p. € 3.750.000,00 tot € 4.000.000,00 € 82.500,00 + {1,40% x (de bouwkosten - € 3.750.000,00)}

q. € 4.000.000,00 tot € 4.250.000,00 € 86.000,00 + {1,30% x (de bouwkosten - € 4.000.000,00)}

r. € 4.250.000,00 tot € 4.500.000,00 € 89.250,00 + {1,20% x (de bouwkosten - € 4.250.000,00)}

s. € 4.500.000,00 tot € 4.750.000,00 € 92.250,00 + {1,10% x (de bouwkosten - € 4.500.000,00)}

t. € 4.750.000,00 tot € 10.000.000,00 € 95.000,00 + {1,00% x (de bouwkosten - € 4.750.000,00)}

u. voor aanvragen met bouwkosten van € 10.000.000,00 of meer wordt voor het bedrag dat meer bedraagt dan € 10.000.000,00 geen leges geheven.

5.2.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase, een bouwvergunning tweede fase en een gewijzigde bouwvergunning eerste fase:

9. € 0,00 to! € 250.000,00 € 0,00 + (1 A5~10 x de bouvl/kosten) met een minimum van € 103,00

b. € 250.000,00 tot € 500.000,00 € 3.625,00 + {1,40% x (de bouwkosten - € 250.000,00)}

c. € 500.000,00 tot € 750.000,00 € 7.125,00 + {1,35% x (de bouwkosten - € 500.000,00)}

d. € 750.000,00 tot € 1.000.000,00 € 10.500,00 + (1,30% x {de bouwkosten - € 750.000,00)}

e. € 1.000.000,00 tot 1.250.000,00 € 13.750,00 + {1,25% x (de bouwkosten - € 1,OOO.OOO,OO)}

f. € 1.250.000,00 tot € 1.500.000,00 € 16.875,00 + {1,20% x (de bouwkosten - € 1.250.000,00)}

g. € 1.500.000,00 tot € 1.750.000,00 € 19.875,00 + {1,15% x (de bouwkosten - € 1.500.000,00)}

h. € 1.750.000,00 tot € 2.000.000,00 € 22.750,00 + {1,10% x (de bouwkosten - € 1.750.000,00)}

i. € 2.000.000,00 tot € 2.250.000,00 € 25.500,00 + {1,05% x (de bouwkosten - € 2.000.000,00)}

j. € 2.250.000,00 tot € 2.500.000,00 € 28.125,00 + {1,00% x (de bouwkosten - € 2.250.000,00)}

k. € 2,500.000,00 tot € 2.750.000,00 € 30.625,00 + {0,95% x (de bouwkosten - € 2.500.000,00)}

I. € 2.750.000,00 tot € 3.000,000,00 € 33.000,00 + {0,90% x (de bouwkosten - € 2.750.000,00)}

m. € 3.000.000,00 tot € 3.250.000,00 € 35.250,00 + {0,85% x (de bouwkosten - € 3.000.000,00)}

n. € 3.250.000,00 tot € 3.500.000,00 € 37.375,00 + {0,80% x (de bouwkosten - € 3.250.000,00)}

o. € 3.500.000,00 tot € 3.750.000,00 € 39.375,00 + {0,75% x (de bouwkosten - € 3.500.000,00)}

p. € 3.750.000,00 tot € 4.000.000,00 € 41.250,00 + {0,70% x (de bouwkosten - € 3.750.000,00)}

q. € 4.000.000,00 tot € 4.250.000,00 € 43,000,00 + {0,65% x (de bouwkosten - € 4.000.000,00)}

r. € 4.250.000,00 tot € 4.500.000,00 € 44.625,00 + {0,60% x (de bouwkosten - € 4.250,000,00)}

s. € 4.500.000,00 tot € 4.750.000,00 € 46.125,00 + {0,55% x (de bouwkosten - € 4.500.000,00)}

t. € 4.750.000,00 tot € 10.000.000,00 € 47.500,00 + 0,50% x (de bouwkosten - € 4.750.000,00)}

u. voor aanvragen met bouwkosten van € 10.000.000,00 of meer wordt voor het bedrag dat meer bedraagt dan € 10.000.000,00 geen leges geheven.

5.2.3

Voor een gewijzigde bouwvergunning eerste fase geldt dat de leges worden verminderd met de in rekening gebrachte leges voor het in behandeling nemen van de primaire aanvraag, met dien verstande dat in elk geval € 206,00 [vetgedrukt door hof] is verschuldigd en dat geen restitutie van de in rekening gebrachte leges voor het in behandeling nemen van de primaire aanvraag plaatsheeft.”

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

4.1.

De aanslagen zijn opgelegd in overeenstemming met de voor de desbetreffende belastingjaren geldende gemeentelijke legesverordening en tarieventabel.

4.2.

In een brief van belanghebbende aan het hoofd Publiekszaken van de gemeente [C] met datum 21 februari 2008 is ter onderbouwing van het bezwaar tegen de aanslagen bouwleges onder meer vermeld:

‘Ons principiële bezwaar tegen de aanslagen is dat de gemeente tot op heden niet heeft kunnen onderbouwen dat de aanslagen uit oogpunt van kostendekkendheid nodig zijn. (…) In de programmarekening 2006 is zelfs te lezen (…) dat een voordelig saldo van € 76.000,-- op de bouwleges behaald is. In totaal heeft de gemeente op het programma Wonen & Werken, het onderdeel van de begroting waaronder de bouwleges vallen, in 2006 een voordelig saldo van € 2.442.000,-- behaald. Deze cijfers stellen het principe van kostendekkendheid in een wat merkwaardig daglicht.’

4.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 26 januari 2011 aan de gemeente [C] een verzoek ingediend op basis van de Wet openbaarheid van bestuur. Daarin heeft belanghebbende gevraagd om toezending van een kopie van de volgende stukken:

‘alle begrotingen c.q. ramingen betreffende de baten en lasten van de legesverordening, alsmede de overzichten van de uiteindelijk gerealiseerde baten en lasten, beiden over de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 en voorzien van de onderliggende bewijsstukken.’

4.4.

Op basis van het hiervoor bedoelde Wob-verzoek is door de gemeente informatie aan belanghebbende gezonden. Tot de gedingstukken behoren de programmabegrotingen, productramingen en programmarekeningen voor de onderhavige jaren.

4.5.

In zijn verweerschrift met datum 10 maart 2010 heeft de heffingsambtenaar als bijlage D een kopie uit de productenbegroting 2007 van de gemeente [C] overgelegd waarin onder meer is vermeld:

‘Programma 6 Wonen, werken recreatie,

Aandachtsveld Ontwikkeling wonen

Productnummer E 126

(…)

Product Bouw, woning, welstandsbeleid en beheer.’

Vermeld zijn onder meer de baten en lasten aangaande leges voor gebruiksvergunningen, diverse bouwvergunningen, sloopvergunningen, welstand, bodemonderzoek en informatieverstrekking voor de jaren 2005 (rekening), 2006 (begroting) en 2007 (begroting). Het in deze bijlage opgenomen resumé luidt als volgt:

Resumé begroting raming raming raming

2007 2008 2009 2010

Totaal lasten 642.999 647.836 653.706 660.221

Totaal baten 638.529 638.529 638.529 638.529

Saldo - 4.470 9.307 15.177 21.692

4.6.

Belanghebbende heeft in zijn nader stuk met datum 24 september 2012 (productie 9) onder meer het volgende vermeld:

‘Naar aanleiding van het beroep “aanslag leges (gemeentewet) 2007, 2008 en 2009” brengen wij de volgende stukken met toelichting in:

- overzicht lasten en baten van product E126 van de Gemeente [C] (bijlage 1)

(…) Samengevat is het niet inzichtelijk en op grond van welke criteria de lasten aan het product E126 worden toegewezen.’

4.7.

Tot de stukken van het geding behoort een door de heffingsambtenaar ter zitting van het gerechtshof Amsterdam overgelegd overzicht van baten en lasten dat betrekking heeft op de (primitieve) begroting zoals vastgesteld voorafgaand aan ieder van de belastingjaren 2007 tot en met 2010. Voor de belastingjaren 2007 tot en met 2009 waarop het geschil mede betrekking heeft, luidt dit overzicht, voor zover van belang, als volgt:

2007 2008 2009

Product lasten baten lasten baten lasten baten

E084 Burgerlijke stand 51.354 3.900 85.282 3.900 64.250 3.900

E085 Huwelijksvoltrekking 9.847 17.000 6.989 17.000 9.078 15.000

E086 Identiteits- en rijbewijzen 171.390 156.600 219.816 162.350 266.300 184.300

E100 Structuur- en bestemmings-

plannen 446.565 120.714 394.031 0 614.289 60.000

E126 Bouw, woning, welstand-

beleid 642.999 638.529 795.150 795.150 860.439 860.439

E 153 Uitvoering bijzondere

wetten 60.681 3.000 68.617 7.450 86.662 7.450

Totaal 1.382.836 939.743 1.569.885 985.850 1.901.018 1.131.089.

Omschrijving geschil na verwijzing en standpunten van partijen

5.1.

Partijen houdt verdeeld de vraag of de leges terecht aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin.

5.2.

Belanghebbende heeft voor haar standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd

De gehanteerde heffingsmaatstaf leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing in relatie tot de verrichte diensten.

De legesverordeningen en bijbehorende tarieventabellen zijn strijdig met algemene rechtsbeginselen.

De opbrengstlimiet voor de jaren 2007 tot en met 2009 is overschreden.

De gemeente heeft onvoldoende voldaan aan haar stelplicht en bewijslast om aan te tonen dat zij geen winst maakt op de legesverordeningen (artikel 229b Gemeentewet).

Alleen al op leges voor bouwvergunningen wordt een buitenproportionele winst behaald.

De legesverordeningen dienen in ieder geval voor wat betreft de leges bouwvergunningen onverbindend te worden verklaard.

Belanghebbende heeft in ruim drie jaar tijd voor een negental bouwvergunningen ruim € 200.000 aan leges moeten betalen. Belanghebbende stelt dat de bouwleges onevenredig hoog zijn en in geen verhouding staan tot de daarmee gepaard gaande kosten van de gemeente. Dit klemt des te meer, nu belanghebbende alle aanvragen met behulp van een deskundige heeft voorbereid. De bouwaanvragen zijn kant-en-klaar bij de gemeente aangeleverd en de bouwvergunningen zijn alle zonder 'slag of stoot' verleend. Er mag enig verband bestaan tussen de dienst en de hoogte van de leges.

De heffingsambtenaar heeft geen inzicht in de directe en indirecte kosten gegeven.

De doorbelastingen zijn onduidelijk. Er worden meerdere malen onder verschillende posten personeelslasten en stafkosten doorbelast. Ook de kostenpost bedrijfsvoering komt onder verschillende posten terug. Dit zonder enige onderbouwing of toelichting. Dit is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

De tarieven variëren te veel over de jaren. Voor de ramingen van de tarieven in de legesverordening zijn de cijfers uit de primitieve begroting van belang. Deze zijn verstrekt in het cijfermatige overzicht van de gemeente. Toegevoegd zijn de zogenaamde prestatie-indicatoren voor het product E126 uit de primitieve begroting. De indicatoren staan voor de geraamde af te geven vergunningen. Wat opvalt is dat de lasten stijgen van € 643.000 in 2007 naar € 795.000 in 2008 en naar € 860.000 in 2009 maar weer dalen in 2010 naar € 686.000. De prestatie-indicatoren blijven echter nagenoeg gelijk voor de betreffende jaren. Dit resulteert in verschillende opbrengsten per vergunning over de diverse jaren. Bijvoorbeeld de leges van reguliere bouwvergunning niet gefaseerd varieert van € 3.045 in 2007, € 3.911 in 2008, € 4.978 in 2009 en € 2.500 in 2010. Voor deze variatie is geen verklaring gevonden en lijkt ook niet logisch.

De ramingen moeten inzichtelijk en duidelijk zijn en nauwkeurig zijn gedaan. Er wordt begroot op 100% kostendekkendheid terwijl dat volgens de ramingen helemaal niet kan.

Het stijging van het gehanteerde percentage van 2,45 in 2007 naar 3 in 2009 is op zich al buitensporig hoog.

De Verordeningen voldoen niet aan het beginsel van evenredigheid en ook niet aan het beginsel van gelijkheid. Duidelijk is dat 'bouwers' in de gemeente ongelijk worden behandeld. Een duurder bouwproject wordt zwaarder belast dan een goedkoper bouwproject, terwijl de beoordelingskosten en de kosten van de vergunningsverlening voor het duurdere bouwproject gelijk of zelfs lager zouden kunnen zijn. Dat de gemeente tracht om een groot deel van al haar gemeentelijke lasten te verhalen op enkele "grote bouwers" in de gemeente, is geen rechtvaardiging voor de gehanteerde tarieven. Zij worden niet naar rato van hun ongelijkheid ongelijk behandeld.

De heffingsambtenaar heeft ook na cassatie onvoldoende inzicht verschaft in de ramingen en de gegevens waarop die berusten. Pas dan kan belanghebbende de ramingen voldoende gemotiveerd betwisten.

Uit het cijfermatig overzicht van product E126 blijkt dat in de lasten de doorbelasting "VRO" de grootste kostenpost is: Voor de grote stijging van € 414.036 in 2007 naar € 724.245 in 2010 en van 64% naar 76% is geen verklaring gegeven.

Des telling dat indirect via VRO lasten worden doorberekend voor kosten van voormalige bestuurders is ter zitting voor het Hof Den Haag ingetrokken.

a. De leges voor de bouwvergunningen zijn mede gebaseerd op de begrote lasten van product E126. Deze lasten stijgen van € 642.999 in de begroting van 2007 naar € 757.009 in de begroting van 2009. Dit is een stijging van maar liefst € 114.010, zijnde bijna 20% in 2 jaar. Een dergelijke stijging is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

b. Een groot deel van deze lasten zijn de kosten van de afdeling VRO. Van deze afdeling wordt in 2007 37% aan product E126 toegerekend, in 2008 33% en in 2009 € 27%. Deze fluctuatie is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

c. Op basis van de personeelslasten en een door belanghebbende theoretisch aangenomen salarissom van € 60.000 per jaar per fte, geldt dat 4 tot 5 fte's worden toegerekend aan product E126. Dit is meer dan de werkelijke bezetting op het gemeentehuis. Dit is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. De heffingsambtenaar stelt dat bij de rekensom over het aantal fte's de salariskosten met personeelslasten zouden zijn verward. Dat is onjuist. Belanghebbende stelt de personeelslasten op gemiddeld € 60.000 per medewerker, hetgeen regulier is. De gemeente laat ook na om zelf aan te geven welke personeelslasten dan wel regulier zouden zijn per fte medewerker.

d. Als de rekening (realisatie) van de lasten wordt afgezet tegen de begroting dan vallen de grote verschillen in 2008 en 2009 op. Dit is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

e. In de doorberekening van de lasten van de afdelingen is onduidelijk of dit terecht ten laste wordt gebracht van product E126. Dit is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

f. Samengevat is het verzochte inzicht niet verschaft en is niet duidelijk op grond van welke criteria de lasten aan het product E126 worden toegewezen.

g. Er is geen overzicht c.q. inzicht of de totale baten en lasten van de legesverordening wel in evenwicht zijn.

h. Bij de brief van belanghebbende d.d. 24 september 2012 is een raadsvoorstel gevoegd d.d. 18 december 2007, inhoudende het voorstel om met ingang van 1 januari 2008 de tarieven van bouw gerelateerde leges aan te passen en daarbij het model van de VNG te hanteren. In dit voorstel wordt een uurtarief gebruikt voor het vast stellen van de leges. Daartoe wordt aan de uren een tarief toegekend waarin alle overheadkosten zijn meegenomen. Het uurtarief bedraagt in totaal € 93,00, onderverdeeld in directe kosten ad € 51,00 en indirecte kosten ad € 42,00. Dat betekent een aandeel van 45% voor de indirecte kosten in het totale tarief. Bedrijfseconomisch is dit te hoog. Een onderbouwing op basis waarvan deze indirecte kosten worden toegerekend wordt niet gegeven. Dit is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

Het is niet redelijk om de heffingsambtenaar nu nog in de gelegenheid te stellen informatie te verstrekken.

5.3.

De heffingsambtenaar houdt de verbindendheid van de heffing staande en voert onder handhaving van hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd – kort samengevat – het volgende aan:

Belanghebbende heeft bij een aantal posten twijfels geuit. De heffingsambtenaar heeft daarop naar vermogen gereageerd en de twijfel weggenomen. Gezien de ruime marges tussen de geraamde baten en de geraamde lasten is het op voorhand aannemelijk dat er geen sprake is van een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet.

5.4.

Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de aanslagen leges.

6.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij voor eiseres respectievelijk verweerder dient te worden gelezen belanghebbende onderscheidenlijk de heffingsambtenaar:

”5.1. De rechtbank overweegt dat de rechtspraak duidelijke richtlijnen biedt om te kunnen beoordelen of een gemeentelijke belastingverordening al dan niet verbindend is. De rechtbank wijst daartoe op de volgende arresten.

5.2.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2009, gepubliceerd onder LJ-Nummer BI1943, volgt dat gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling kunnen geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste' verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. In dit arrest is voorts de lijn bevestigd dat het bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten. Verder is in dit arrest, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1997 met LJ-Nummer AA3345, herhaald dat tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband is vereist.

5.3.

In het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009 met LJ-Nummer BI1968, dat ging over de beoordeling van de verbindendheid van een gemeentelijke rioolrechtverordening, zijn richtlijnen gegeven voor de bewijslastverdeling bij geschillen over de opbrengstlimiet bij gemeentelijke rechten. Die richtlijnen zijn ook van toepassing op dit geschil. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest onder meer het volgende overwogen:

"3.2.1. [... ] Een geschil over, kort gezegd, limietoverschrijding (rechtbank: hiermee wordt hetzelfde bedoeld als de opbrengstlimiet) wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna te omschrijven (verzwaarde) eisen aan de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting dat de limiet is overschreden.

3.2.2

Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde 'lasten ter zake' hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.

3.2.3

Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een 'last ter zake', dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen – deze twijfel weg te nemen.

3.2.4

Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een 'last ter zake'. Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.

3.2.5

Indien de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept (onverbindendheid van de verordening). Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden die hiervoor in 3.2.4 is omschreven, en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden. [... ]".

5.4.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in zijn arrest van 10 december 2009 met LJ-Nummer BK6848 het volgende overwogen over de vraag wat van de belanghebbende mag worden verwacht indien hij stelt dat hij niet kan controleren of de heffingsambtenaar terecht stelt dat de opbrengstlimiet niet wordt overschreden:

"5.3.2. Belanghebbende heeft niet gesteld dat voor het jaar 2005 de geraamde baten van de in de gemeente [D] in dat jaar geldende verordening op de heffing en invordering van leges de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan. Belanghebbende heeft in dit verband slechts aangevoerd dat zij de gegevens die zij nodig heeft om dit aannemelijk te maken niet heeft kunnen verkrijgen, maar naar het oordeel van het Hof heeft zij dit, tegenover de gemotiveerde weerspreking van de heffingsambtenaar, niet aannemelijk gemaakt. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat begrotingen van gemeenten met de daarbij behorende bescheiden openbare stukken zijn waarvan ook belanghebbende kan kennisnemen. Ten overvloede overweegt het Hof nog dat uit de in 2.2 vermelde Productenraming 2006 niet blijkt dat de geraamde baten van de bouwleges de geraamde lasten ter zake overtreffen."

6.1.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het eerste betoog van eiseres het volgende.

6.2.

Het betoog dat de aan haar in rekening gebrachte leges onevenredig hoog zijn in verhouding tot de werkzaamheden die de gemeente aan de beoordeling van de bouwaanvraag zou hebben besteed, ketst af op in rechtsoverweging 5.2. vermelde rechtspraak die inhoudt dat tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband is vereist. Van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De aanslagen leges voor de eerste en tweede fase gezamenlijk bedragen 2,45 % van de bouwsom. Onder verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 19 oktober 2009 (Belastingblad 2009, p. 1563), en van 24 november 2009 (Belastingblad 2010, p. 86) en naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009 (Belastingblad 2010, p. 410) komt de rechtbank tot het oordeel dat dit bedrag in absolute zin en ook als percentage niet zodanig hoog is, dat van onredelijke belastingheffing kan worden gesproken.

6.3.

Dit betekent dat het eerste betoog van eiseres faalt.

7.1.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het tweede betoog van eiseres het volgende.

7.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder - onder meer in bijlage D bij het verweerschrift - eiseres desgevraagd inzicht heeft verschaft in de lasten en baten waarvan de gemeentelijke begrotingen zijn uitgegaan voor het vaststellen van de bouwleges voor de verschillende jaren in geding. Eiseres heeft ter terechtzitting genoemd dat diverse door verweerder genoemde lasten niet in relatie zouden staan tot enige door verweerder genoemde baten. De door eiseres in dit kader genoemde lasten komen echter niet voor in de ramingen. De rechtbank stelt derhalve vast dat eiseres niet één of meer in de ramingen genoemde "last ter zake" in twijfel heeft getrokken.

7.3.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat eiseres zich in wezen op het standpunt stelt dat de Verordeningen onverbindend zijn omdat de gegevens die zijn gebruikt in de door verweerder overgelegde ramingen onjuist zijn. Eiseres stelt immers dat verweerder geen reëel beeld schetst van de werkelijke baten en lasten.

7.4.

Gelet op de richtlijnen voor de bewijslastverdeling die zijn geformuleerd in het onder rechtsoverweging 5.3. vermelde arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, draagt in een dergelijk geval eiseres de bewijslast van haar stelling dat de door verweerder verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn.

7.5.

Eiseres heeft geen bewijs aangedragen voor haar stelling dat de gebruikte gegevens onjuist zijn en dat deze zouden leiden tot een irreëel beeld van de door verweerder gestelde lasten en/of baten. Eiseres heeft slechts gesteld dat geen reëel beeld zou zijn geschetst. Uit het in rechtsoverweging 5.4. vermelde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 december 2009 blijkt dat van eiseres meer wordt verwacht, waarbij van belang is dat begrotingen van gemeenten met de daarbij behorende bescheiden openbare stukken zijn waarvan ook eiseres kan kennisnemen. Dit is ook ter zitting bevestigd door verweerder. Derhalve gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door verweerder gepresenteerde feiten. Uitgaande van die feiten oordeelt de rechtbank dat bij het vaststellen van de Tarieventabel 2005 en de Tarieventabel 2007 de opbrengstlimiet niet is overschreden. Dit geldt zowel op het niveau van de bouwleges als op het niveau van alle in de Verordeningen begrepen diensten gezamenlijk. In zoverre is van onverbindende verordeningen geen sprake.

7.6.

Dit betekent dat het tweede betoog van eiseres eveneens faalt.

8. Ook het derde betoog van eiseres faalt. In het onder rechtsoverweging 5.2. vermelde arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2009 is bevestigd dat het niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten. De Hoge Raad heeft in dit arrest opgemerkt dat, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het kiezen van de heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven, een geraamde winst van 2,21 procent op de leges welke voor bouwvergunningen worden geheven op zichzelf bezien geoorloofd is. Uit de ramingen van 2007 volgt niet dat verweerder winst heeft geraamd op de leges die voor bouwvergunningen worden geheven. Voor zover eiseres zich ook hier op het standpunt stelt dat vanwege het behalen van een hoge winst, de ramingen van verweerder geen reëel beeld hebben geschetst, oordeelt de rechtbank onder verwijzing naar rechtsoverweging 7.5. ook hier dat eiseres geen bewijs heeft aangedragen voor deze stelling..”

Arrest Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in het tot verwijzing aanleiding gevend arrest van 18 april 2014 overwogen:

“3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar met de aan de Rechtbank overgelegde bijlage niet erin is geslaagd inzicht te verschaffen in de relevante ramingen, aangezien daarin geen informatie is opgenomen voor onder andere burgerlijke stand en verstrekkingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Uit die bijlage kan ook niet worden afgeleid dat de geraamde baten de geraamde lasten van alle leges tezamen niet zullen overschrijden. Dit kan volgens het Hof evenmin worden afgeleid uit het in 2.8 van ’s Hofs uitspraak bedoelde overzicht. Enig inzicht in de werkelijke baten en lasten die ten grondslag liggen aan deze begrotingen voor alle leges tezamen ontbreekt. Dit nog daargelaten dat voor het jaar 2006 geen gegevens zijn verstrekt. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken kan daarom niet worden afgeleid dat de ramingen een realistisch beeld geven, aldus nog steeds het Hof.

3.2.2. De heffingsambtenaar heeft volgens het Hof de bij belanghebbende bestaande twijfel niet naar vermogen weggenomen. Dat belanghebbende in de nadere motivering van het hoger beroep het recht heeft voorbehouden om na ontvangst van de gevraagde informatie haar gronden aan te vullen en dat niet heeft gedaan, doet hier niet aan af. De heffingsambtenaar had uit het ‘10-dagenstuk’ kunnen afleiden dat bij belanghebbende nog sprake was van onduidelijkheden en dat er twijfels waren over de kosten die aan de te betalen leges ten grondslag waren gelegd, aldus het Hof.

3.2.3. Een en ander heeft het Hof tot de conclusie geleid dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de legesverordeningen van de onderhavige jaren voldoen aan de opbrengstlimiet.

3.3.1. Bij de beoordeling van het eerste tegen ‘s Hofs oordelen gerichte middel wordt het volgende vooropgesteld.

3.3.2. Zoals is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777, onderdeel 3.3, ter precisering van hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, BNB 2009/159 (hierna: het arrest BNB 2009/159), dient bij de beoordeling van een geschil inzake een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet een aantal regels inzake stelplicht en bewijslast in acht te worden genomen.

3.3.3. Zo mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd.

3.3.4. Voorts kan, indien de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van hem worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.

3.3.5. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de hiervoor in 3.3.4 bedoelde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De heffingsambtenaar hoeft niet te bewijzen dat die twijfel ongegrond is. De bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding rust op de belanghebbende.

3.3.6. In het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen.

3.4.1. Met zijn hiervoor onder 3.2.1 weergegeven oordelen heeft het Hof te vergaande eisen gesteld aan de raming van baten en lasten. Aan het door de heffingsambtenaar verstrekte overzicht van de geraamde baten en lasten op basis van gemeentelijke begrotingen, waaruit een overschrijding van de opbrengstlimiet niet blijkt, kan immers niet de eis worden gesteld dat daarmee inzicht wordt verschaft in de werkelijke baten en lasten die daaraan ten grondslag liggen. In de overgelegde ramingen zijn ook, anders dan het Hof overweegt, de geraamde baten en lasten voor alle leges tezamen opgenomen.

3.4.2. Voorts heeft het Hof bij zijn onder 3.2.2 weergegeven oordeel dat de heffingsambtenaar de bij belanghebbende bestaande twijfel niet naar vermogen heeft weggenomen, niet tot uitdrukking gebracht welke voldoende gemotiveerde twijfels door belanghebbende waren geuit waaromtrent door de heffingsambtenaar nadere inlichtingen moesten worden verstrekt.

3.4.3. Ten slotte heeft het Hof met zijn onder 3.2.3 weergegeven oordeel ten onrechte van de heffingsambtenaar verlangd bewijs te leveren van feiten die meebrengen dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Zoals is overwogen in onderdeel 3.2 van het arrest BNB 2009/159 rust deze last op de belanghebbende.

3.5.1. Op grond van hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, slaagt het eerste middel voor zover het ’s Hofs oordeel bestrijdt dat de opbrengstlimiet is overschreden voor de jaren 2007 tot en met 2009.”

Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing

8.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de tariefstelling in de Verordening leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Belanghebbende stelt dat de bouwleges onevenredig hoog zijn en in geen verhouding staan tot de daarmee gepaard gaande kosten van de gemeente. Verder stelt zij dat grote bouwers onevenredig ongelijk worden behandeld ten opzichte van kleine bouwers.

8.2.

Ingevolge artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet en de daarop door de wetgever gegeven toelichting, kunnen gemeenten behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regels, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hen in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67 en 77-78). Het hanteren van een vast, bescheiden percentage van de bouwkosten van 2,45 percent, zoals dat op grond van de Verordening 2007 geldt voor de bouwkosten boven € 25.000, kan niet worden aangemerkt als onredelijk of willekeurig (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276). De heffing naar lagere percentages van de bouwkosten beneden € 25.000 leidt niet tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Dit percentage is immers bij de vermelde bouwkosten zonder onderscheid van toepassing op alle belastingplichtigen (vgl. HR 10 december 2004, nr. 36776, ECLI:NL:HR:2004:AF7505, BNB 2005/102). De omstandigheid dat bij hogere bouwkosten wordt geheven naar een ander percentage levert niet een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op (vgl. HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780.) Dezelfde overwegingen gelden ten aanzien van de heffingspercentages die gehanteerd worden voor de in 2008 en 2009 gedane aanvragen, waarbij opmerking verdient dat de in die jaren ingevoerde tarieven bovendien degressief zijn en een veelvoud van schijven kennen.

8.3.

Artikel 229b van de Gemeentewet stelt aan verordeningen als de onderhavige de eis dat de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (hierna: de opbrengstlimiet). Daartoe dient te worden beoordeeld “of de kostendekking van de gehele verordening niet boven de 100 percent uitgaat” (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 61). In het kader van de beoordeling van de opbrengstlimiet mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de tarieventabel opgenomen diensten afzonderlijk op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd (HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:Nl:HR:2005:AP1951, BNB 2005/112).

8.4.

In dit verband verdient opmerking dat de wijze en het tijdstip waarop inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten ter zake van de diensten niet bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten de geraamde lasten overtreffen. Zoals is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, nr. 07/12961, LJN BI1968, BNB 2009/159, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om in een procedure als de onderhavige, waarin een limietoverschrijding in geschil is, inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Dit inzicht kan worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder gegevens die niet zijn bekendgemaakt ten tijde van de vaststelling van de verordening (vgl. ook HR 16 april 2010, 08/02001, ECLI:NL:HR:2010 BM1236.

8.5.

De opbrengstlimiet wordt toegepast op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden. Daarbij gaat het derhalve niet om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de verordening opgenomen diensten.

8.6.

In het onderhavige geval gaan de totale geraamde opbrengsten van de leges niet uit boven de totale geraamde kosten. Dat blijkt uit het door de heffingsambtenaar ter zitting van het gerechtshof Amsterdam (zie ook r.o. 3.4.1. van het arrest van de Hoge Raad) overgelegde overzicht dat leidt tot € 1.382.836 aan lasten en € 939.743 aan baten voor het jaar 2007, tot € 1.569.885 aan lasten en € 985.850 aan baten voor het jaar 2008 en tot € 1.901.018 aan lasten en € 1.131.089 aan baten voor het jaar 2009. Een en ander is afgeleid uit de primitieve begrotingen voor de jaren 2007 tot en met 2009.

8.7.

Het is, gelet op dit overzicht alsmede op de door de heffingsambtenaar in de stukken daarop gegeven toelichting, aan belanghebbende om de juistheid daarvan te betwisten door feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot het oordeel dat de opbrengstlimiet wel is overschreden, een en ander volgens de lijnen van de bewijslevering uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, BNB 2009/159 en de precisiering die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014,777. In dat laatste arrest is overwogen:

3.3.4.

De vaststelling van tarieven als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet berust op een raming, welke raming moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij die vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. In het kader van een geschil omtrent de naleving van artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd (vgl. HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951, BNB 2005/112, en HR 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236, BNB 2010/226).

In die gevallen waarin de belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.

3.3.5.

Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de hiervoor in 3.3.4 bedoelde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De zinsnede in onderdeel 3.2.3 van het arrest BNB 2009/159 ‘teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen’, houdt derhalve niet in dat de heffingsambtenaar moet bewijzen dat die twijfel ongegrond is.

3.3.6.

Voorts zij eraan herinnerd dat tot de ‘lasten ter zake’ niet alleen posten behoren die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten waarvoor de rechten worden geheven, maar dat daartoe ook behoren aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat die indirecte kosten meer dan zijdelings met die diensten moeten samenhangen. De desbetreffende kostenposten kunnen slechts dan niet (geheel of ten dele) als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. o.m. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, BNB 2010/234).

3.3.7.

Ten slotte zij erop gewezen dat in het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242).

8.8.

Het Hof neemt bij het in 8.6 gegeven oordeel het volgende in aanmerking.

8.9.

Voor zover belanghebbende betoogt dat een rechtstreeks verband is vereist tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is dit betoog onjuist (vgl. HR 24 december 1997, nr. 32.569, ECLI:Nl:HR:1997 AA3345).

8.10.

De omstandigheid dat het in 8.6 genoemde overzicht en een gedeelte van de toelichting kort voor of ter zitting van het gerechtshof Amsterdam zijn verschaft betekent niet dat daarom de aanslagen niet in stand kunnen blijven. Belanghebbende heeft voldoende gelegenheid gehad om op die stukken te reageren. Het Hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat aan het WOB-verzoek om ramingen aan belanghebbende te verstrekken reeds enige jaren hiervoor door de gemeente is voldaan.

8.11.

Voor zover belanghebbende stelt dat de kosten VRO in de periode van 2007 tot 2009 zijn gestegen en geen constante lijn in stijging vertonen, baseert zij zich enerzijds op de rekeningen (punt 25 conclusie belanghebbende na verwijzing) en niet op de ramingen, zoals vereist is. Anderzijds kunnen ramingen van kosten door de jaren heen fluctueren en houdt een fluctuatie niet in dat geen sprake is van in redelijkheid ramen. De eis dat kosten elk jaar op hetzelfde bedrag moeten worden geraamd kan niet worden gesteld. Het Hof ziet geen reden de heffingsambtenaar hierop een nadere toelichting te laten geven.

8.12.

Belanghebbende heeft gesteld dat in de post doorbelasting VRO (E126) personeelskosten zijn opgenomen die slechts zijdelings met de diensten waarvoor leges wordt geheven te maken hebben, aangezien in het geraamde uurtarief van € 93 personeelskosten uit de overhead (bedrijfsvoering en concernstaf) zijn opgenomen. Van deze kosten, bedrijfsvoering en concernstaf alsmede huisvesting kan evenwel zonder nadere gemotiveerde bestrijding door belanghebbende waarom deze niet tot het uurtarief mogen worden gerekend, niet worden gezegd dat zij slechts zijdelings met de door de gemeente te verstrekken diensten die aan legesheffing zijn onderworpen te maken hebben. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat een gedeelte van het hiervoor genoemde uurtarief ad € 43 indirecte kosten zou zijn en dat dit bedrijfseconomisch niet kan worden verantwoord, is daarvoor niet voldoende. Het Hof acht het daarom niet opportuun om de onderliggende kostenposten uit te laten splitsen naar kosten van werkzaamheden per uur van het onder die post gerangschikte personeel.

8.13.

Het Hof komt, alles overziende, tot de conclusie dat belanghebbende de betwisting van de baten en de lasten genoemd in 8.6 niet van een dusdanig verdergaande motivering heeft voorzien dat die het Hof aanleiding moet geven van de heffingsambtenaar daaromtrent meer toelichting en inzicht te verlangen dan hij reeds heeft verschaft.

8.14.

De Verordeningen en de daarbij horende Tarieventabellen berusten op artikel 229 van de Gemeentewet. De billijkheid van op de voet van dat artikel getroffen legesverordeningen is in het algemeen aan het oordeel van de rechter onttrokken. Voor onverbindendverklaring is eerst plaats ingeval een regeling zou zijn getroffen die in strijd is met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijke wetgeving, in die zin dat het op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat zij moet leiden tot een legesheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid aan de gemeentelijke wetgever tot het heffen van leges niet op het oog kan hebben gehad. Tot dat oordeel komt het Hof in dit geval niet.

8.15.

Op grond van het vorenoverwogene is het gelijk aan de heffingsambtenaar.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th. P.M. Zandhuis, J.J.J. Engel en S.T.M. Beelen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 24 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.