Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:2008

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
BK-14_01368
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:9668, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikking terecht heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1559
V-N 2015/40.6 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1808
NTFR 2015/2152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/01368

Uitspraak d.d. 10 juni 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2014, nummer SGR14/497, betreffende na te melden beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 6 november 2013 voor het jaar 2010 aan belanghebbende een informatiebeschikking gegeven als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 10 december 2013 heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop de uitspraak is verzonden, alsnog aan de Inspecteur de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 122 voor de behandeling van de zaken BK-14/01368 en BK-14/01369. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 april 2015 te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Het onderhavige hoger beroep is gelijk behandeld met het hoger beroep van de echtgenote van belanghebbende [Y], BK-14/01369. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in de ene zaak wordt geacht te zijn overgelegd en aangevoerd in de andere zaak. Van het ter zitting verhandelde is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

“1. Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux). De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [A] met een saldo op 31 januari 1994 van (in totaal) ƒ 228.943,77 (één termijndeposito van ƒ 225.000 en een zichtrekening van ƒ 3.943,77) ten name van [B]. Verweerder heeft eiser (en de echtgenote) als houder van die rekening geïdentificeerd.

2. Eiser, geboren [in] 1953, is gehuwd met [C], geboren [in] 1957. De eerste voornaam van eiser is [D]. Eiser en de echtgenote hebben in hun aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2010 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een KB Lux rekening.

3. Bij brief van 11 september 2013 heeft verweerder eiser betreffende de KB Lux rekening met nummer [A] verzocht om de in de formulieren “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en) en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” gestelde vragen te beantwoorden en daarbij de gevraagde afschriften over de periode 31 december 2000 tot en met 31 december 2010 te verstrekken. In die formulieren wordt van eiser gevraagd om aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest en daarbij gegevens te verstrekken over de data van opening en opheffing van de rekeningen, de data van stortingen en/of overmakingen, de wijze van opnamen en/of overboekingen, de hoogte van de stortingen, overmakingen, opnamen en overboekingen, de herkomst van de stortingen en/of overmakingen en het bestedingsdoel van de opnamen of overboekingen. Bij brief van 21 oktober 2013 heeft verweerder, onder verwijzing naar vorengenoemde vragenbrief van 11 september 2013, een herinneringsbrief aan eiser verzonden. Nadat een reactie van de zijde van eiser was uitgebleven, heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld, waarbij hij, onder verwijzing naar de brieven van 11 september 2013 en 21 oktober 2013, heeft verzocht om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikking terecht heeft gegeven, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd:

De Inspecteur had de informatiebeschikking niet mogen nemen. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met het tijdsverloop dat is verstreken vanaf de datum van het renseignement en de jaren waarover thans informatie wordt opgevraagd. Elk belastingjaar staat op zich en de rechtbank moet dus voor elk jaar feiten vaststellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende rekeninghouder is in dat jaar. De kracht van het bewijs van het renseignement neemt af voor de latere belastingjaren. Het is algemeen bekend dat het niet vanzelfsprekend is dat rekeninghouders voor een langere periode een rekening aanhouden. De rechtbank had moeten meewegen dat bewijs leveren van iets wat niet bestaat voor belanghebbende heel lastig is en dat belanghebbende daardoor in bewijsnood verkeert.

Het is algemeen bekend dat KB-Lux geen informatie verstrekt. Doordat bij sommigen een reactie van de bank uitbleef, heeft een aantal de bank persoonlijk bezocht voor een verklaring dat hij/zij geen rekening heeft, dan wel dat de rekening is opgeheven. De bank verricht geen onderzoek wanneer de belanghebbenden langer dan 10 jaar geleden cliënt waren en wanneer zij cliënten zijn geweest en de rekening is opgeheven. De bank geeft in het geheel geen verklaring in verband met het in Luxemburg geldende bankgeheim.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de beschikking.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid:

”6 Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen navorderingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

7. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor de beoordeling of de vastgestelde informatiebeschikking rechtmatig is, van belang is of eiser heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Awr. Verweerder neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op verweerder de last rust om dit aannemelijk te maken.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 9 januari 2014, nrs. SGR 13/1612, SGR 13/1614 tot en met SGR 13/1616, SGR 13/1618 tot en met 13/1623 en SGR 13/1599 tot en met SGR 13/1606 – onder verwijzing naar de tot de gedingstukken behorende uitspraak van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 3 februari 2012, nr. BK-04/02510 en het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/01567, ECLI:NL:HR:2013:BZ6800, betreffende een KB Lux procedure van eiser – geoordeeld dat in de werkwijze van de KB Lux het gebruik van een streepje tussen de namen [X] en [C] op een huwelijkse verbintenis tussen deze personen duidt, dat in het geval de rekening aan eisers neef [E]) en tante ([F], de moeder van eisers neef) zou toebehoren een andere notatiewijze zou zijn gebruikt, te weten “[X] ou [C]” en dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de tenaamstelling van de rekening uniek is en dat eiser en zijn echtgenote terecht als rekeninghouder van de onder 1 genoemde KB Lux rekening zijn geïdentificeerd. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om van dit eerdere oordeel af te wijken. Eiser heeft, met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft in de onderhavige procedure namelijk dezelfde bewijsstukken ingebracht als in vorengenoemde procedures, welke uitsluitend betrekking hebben op de namen van zijn neef en tante. De stelling van eiser dat instanties zijn naam en de naam van zijn echtgenote vaak verkeerd schrijven, ook met een streepje tussen hun beide achternamen, brengt nog niet mee dat daarmee vaststaat dat de KB Lux een fout heeft gemaakt bij de tenaamstelling van de onder 1 genoemde rekening. Daarnaast valt uit de enkele stelling van eiser, dat hij al 33 jaar werkzaam is als gemeentelijk ambtenaar en hij, afgezien van het inkomen van zijn echtgenote, van ongeveer € 1.800 netto per maand moet rondkomen, terwijl zijn neef aannemer is, geenszins op te maken dat niet eiser, maar eerder zijn neef tot de rekening gerechtigd zou zijn.

9. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiser voor het jaar 2010 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de Awr is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125, BNB 1986/128, en Hoge Raad 1 november 2013, nr. 12/02791, ECLI:NL:HR:2013:1016). Gelet op de renseignementen en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als (mede-)rekeninghouder van de in 1 vermelde KB Lux rekening kon worden aangewezen, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiser, nu dit ook voor zijn belastingheffing voor het jaar 2010 van belang kon zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde KB Lux rekening. De enkele omstandigheid dat de renseignementen saldigegevens bevatten uit het jaar 1994 kan, anders dan eiser van mening is, aan voormeld oordeel niet afdoen, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat er voor het jaar 2010 geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiser. Het kan immers niet worden uitgesloten dat eiser, die in ieder geval in 1994 (mede-)rekeninghouder was van voormelde KB Lux rekening, ook in latere jaren (2010) nog steeds (mede-)rekeninghouder was van die KB Lux rekening dan wel dat hij, al dan niet via een andere buitenlandse bankrekening, over (een deel van) het vermogen van de opgeheven KB Lux rekening heeft beschikt. Daarnaast wijst de hoogte van het saldo van die rekening op 31 januari 1994, de wijze waarop het saldo is belegd, nagenoeg geheel in een termijndeposito, alsmede het bij de KB Lux in gebruik zijnde systeem van zicht- en tegenrekeningen op een belegging voor de lange termijn. Nu het voorts een algemene ervaringsregel is dat buitenlandse banktegoeden in een land met een bankgeheim voor een langere periode worden aangehouden, vraagt dit om een nadere toelichting van de zijde van eiser.

10. Nu eiser, ondanks een herhaald verzoek van verweerder daartoe, niet op de vragenbrief van verweerder van 11 september 2013 heeft gereageerd, heeft eiser reeds hierom niet aan zijn informatieverplichting voldaan. Aldus is ten aanzien van eiser terecht de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld. De omstandigheid dat verweerder ook vragen over andere buitenlandse bankrekeningen heeft gesteld en gegevens over de jaren vóór 2010 heeft opgevraagd, kan aan voormeld oordeel niet afdoen.

11. Het beroep van eiser op de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2012 (nr. 12/1937, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2216) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in het daar voorliggende geval, anders dan hier het geval is, verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de desbetreffende belastingplichtige in een eerder jaar (1994) gerechtigd was tot een buitenlandse bankrekening.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiser op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het gaat erom of de in de beschikking gevraagde informatie over het verloop van de rekening [A] bij KB Lux van belang kan zijn voor de inkomstenbelastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend en verwijst naar het oordeel van het Hof aangaande de identificatie van belanghebbende als houder van de bankrekening bij KB Lux met rekeningnummer [A] in rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van 26 november 2014, BK-14/00124 tot en met BK-14/00133 alsmede naar de uitspraak van het Hof van 3 februari 2012, nr. BK-04/02510 en het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/01567, ECLI:NL:HR:2013:BZ6800. Dat het in het onderhavige geval een later jaar betreft doet aan dit oordeel niet af. De omstandigheid dat in de renseignementen twee achternamen zijn vermeld met een verbindingsstreepje ertussen duidt op een gehuwdenrekening. In het BVR-systeem komt de combinatie van de achternaam [X] samen met de voornaam [D] en de achternaam [C] als naam van de echtgenote slechts een keer voor en dat is de combinatie van de achternaam en voornaam van belanghebbende en de achternaam van zijn echtgenote.

7.2.

De hoogte van het saldo van de rekening per 31 januari 1994 alsmede de omstandigheid dat sprake is van een termijndeposito, doen aannemelijk zijn dat belanghebbende een belegging voor de lange termijn aanhoudt of heeft aangehouden.

7.3.

De Inspecteur kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2010 van belang kon zijn, omdat die informatie helderheid zou kunnen geven over de vraag of belanghebbende in dat jaar over niet door hem aangegeven vermogen beschikte (vergelijk HR 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498).

7.4.

Anders dan belanghebbende stelt, is voor de beantwoording van de vraag of de Inspecteur bij belanghebbende informatie mocht opvragen niet bepalend of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een rekening bij KB Lux heeft in het jaar waarover de informatie wordt gevraagd en ook niet de omstandigheid dat het saldo op de rekening kan zijn afgenomen. Ten overvloede zij nog overwogen dat belanghebbende geen bewijs heeft bijgebracht van zijn stelling dat hij zich niet tot de KB Lux zou kunnen wenden en in de onmogelijkheid verkeert om informatie te verschaffen.

7.5.

Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47 van de Awr terecht om informatie over het verloop van de rekening [A] bij de KB Lux heeft gevraagd.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, , in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 10 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.